donderdag 5 maart 2015

Hans Schnitzler

Het digitale proletariaat
De Bezige bij 2015, 175 pagina's - € 16,90

Hans Schnitzler (1968) en zijn website   

Korte beschrijving
De auteur, filosoof en voormalig columnist, kaart de negatieve effecten van de steeds toenemende digitalisering van de samenleving aan. Hij geeft een somber beeld van de toekomst door de verdergaande digitalisering. Aan de hand van filosofische analyses, voorbeelden en theorieën laat hij zien dat het instrumentele beeld van mens en techniek misleidend is en alleen dient om de winsten van de internetkapitalisten te maximaliseren. De menswaardigheid is in het geding en voordat dit verder afglijdt naar bedenkelijke niveaus, dient er een zelfreflectie plaats te vinden om de balans weer recht te trekken. De digitale revolutie moet er niet toe leiden dat het ons afhankelijk maakt, ons afstompt en ons tot consument reduceert. Het boek bevat veel lastige termen en zinsconstructies en leest als een essay. Het is dan ook niet voor iedereen toegankelijk. Al met al geeft dit boek wel stof tot nadenken en is het interessant voor filosofisch ingestelde lezers.

Uit de aanbiedingsfolder van De Bezige bij
De digitale revolutie brengt een eigentijds proletariaat voort. Fabrieksarbeiders zijn vervangen door informatieverwerkers, grootindustriëlen door grootdatabezitters, machines door megaservers. De industrialisering van de arbeid heeft plaatsgemaakt voor de industrialisering van de geest, lichamelijke uitputting voor geestelijke uitputting, milieuvervuiling voor mentale vervuiling.

In Het digitale proletariaat wordt de ontstaansgeschiedenis van een eigentijdse klasse geschetst. De digitale proletariër is een mens van wie het hele bewustzijn – zijn aandacht, emoties en vriendschappen, zijn ideeën en fantasieën – tot koopwaar is gereduceerd. Schnitzler maakt inzichtelijk dat de mens zowel zijn handelingsbekwaamheid als zijn levenskennis dreigt te verliezen. Totale proletarisering is het het resultaat. De bijtende kritiek van de auteur op de digitale cultuur noopt tot bezinning.

Filosoof Ad Verbrugge over Het digitale proletariaat:
“Het Digitale proletariaat van de filosoof Hans Schnitzler is een verontrustend boek over het lot van de mens in een wereld waarin digitale techniek en ‘het net’ diens bestaan fundamenteel veranderen. De mogelijke schaduwzijden daarvan weet Schnitzler op een onderlegde, intelligente, meeslepende en eloquente manier te verwoorden. Of je het nu met hem eens bent of niet, onmiskenbaar dringt zich de vraag op hoe we ons als mensen dienen te verhouden tot de virtualisering en digitalisering van ons leven. Ik hoop en verwacht dat dit boek een bijdrage zal leveren aan het noodzakelijke maatschappelijke debat daarover.”

Fragment uit Technoanalyse
Digitale Duizend-en-een-nacht-dromen


Een interessant geval diende zich eind 2013 aan in het VPRO-programma Tegenlicht. In een interview met hoofdredacteur Ben Hammersley van het maandblad Wired UK, een toonaangevend tijdschrift met als belangrijkste onderwerp de maatschappelijke impact van techniek, voltrok zich een opvallende sfeerwisseling. De hippieachtige Hammersley - blootsvoets en in kleermakerszit - maakte de kijker deelgenoot van de wijze waarop hij zijn geheugen uitbesteedde aan digitale instrumenten. Hij noemde zijn smartphone 'mijn robotbrein'. Niet alleen nuttig om telefoonnummers te onthouden, maar ook belangrijk om de chronologie van zijn bestaan in op te slaan. Dit offloaden van mental tasks, zoals Hammersley het noemde, bleek geen overbodige luxe. Doordat hij zoveel reisde had hij naar eigen zeggen geen tijdlijn meer in zijn hoofd.  Gelukkig beschikte hij nu over een keur van digitale diensten die hem hielpen bij het archiveren van zijn herinneringen. (pagina 34)

() Met andere woorden: de verveling is ondergronds gegaan. Ze is zo diep en tegelijk zo alledaags geworden dat we haar nauwelijks nog herkennen. In plaats van een doorleefde ervaring, die ons confronteert met de onmogelijkheid de tijd weg te denken, zou het nu eerder 'een onophoudelijk geeuwen zijn dat ons bevangt'.  De schermwereld dompelt de schermmens onder in een onontkoombare, tijdloze en continue stroom opinies, beelden en aanmoedigingen tot consumptie en communicatie. Verstrooiing is als het ware een sedementaire levenservaring geworden; ze jaagt de verstrooide voort van gruwelbeeld naar fotofuck, van brekend nieuws naar nieuwsanalyse, van internetfittie naar vriendschapsverzoek en longread  naar twitterfeed. (pagina 36)

Fragment uit artikel in De Groene Amsterdammer (12 maart 2015)
Toen de interviewster vroeg of dergelijke veruitwendigingen hem ook dommer maakten, reageerde de tot dan toe gemoedelijke en ontspannen Hammersley als door een wesp gestoken. Met een geïrriteerde, bijna verbeten grimas riposteerde hij: 'Nee, ik word helemaal niet dommer!Laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.' Waarna hij, nog steeds geagiteerd, benadrukte dat hij slechts saai werk van zijn herinnerings-- en en kenvermogen uitbesteedde aan het apparaat. De interviewster vroeg nog of hij zich er geen zorgen over maakte dat het memoreren van tien telefoonnummers voor velen buiten hun bereik is komen te liggen. Hammersley reageerde ongelovig. Het idee dat we daarmee iets zouden verliezen vond hij niet alleen bespottelijk, maar bovenal futiel in het licht van wat we allemaal te winnen hebben met de digitalisering van de werkelijkheid. Altijd en overal toegang tot alle informatie van de wereld, zonder geografische beperkingen aankopen kunnen doen, sms'en met vrienden, stratenplannen bekijken en speeltjes spelen, somde Hammersley op, onderwijl zijn smartphone triomfantelijk in de lucht houdend.

Er schuilt vele zeggingskracht in deze scène. Los van de verbale en nonverbale signalen die deden vermoeden dat er bij Hammersley een open zenuw was geraakt, gaf het gesprek ook een interessante inkijk in de logos van de digitale ziel. Zo stelde Hammersley dat hij slechts de boring bits van zijn denkkracht overdraagt aan ene apparaat. Daarmee verwoordt hij kernachtig een centraal kenmerk van de digitale 'vind-ik leuk'-leefervaring: saaiheid is overbodig of, zo men wil, nutteloos. Maar wanneer saaiheid overbodig is, geldt hetzelfde voor de gesublimeerde vorm ervan: verveling. Als we surfen op het wereldwijde web of scrollen langs de laatste tekstberichtjes op onze smartphones lost de verveling op in het tijdverdrijf en zal zij als een overbodig levensgevoel uit een analoog verleden worden ervaren. Het is van alle tijden dat mensen verstrooiing zoeken, maar de omnipresente architectuur van ons digitale onderkomen - interactief, dynamisch en alle zinnen mobiliserend - vergt het soort totale betrokkenheid dat gene ruimte lijkt te bieden aan een stemming als stierlijke verveeldheid.

Toch zou de schijn hier zomaar kunnen bedriegen. De filosoof Awe Prins verdedigt in zijn boek Uit verveling de tegendraadse stelling dat diepe verveling de onderdrukte grondstemming is van onze tijd: 'Een onvermoed lot heeft de westerse wereld getroffen. In het huidige, technisch-wetenschappelijke tijdperk, waarin ons nagenoeg alles ter beschikking staat, maar eigenlijk niets ons nog werkelijk raakt, wordt een diepe verveling manifest.'

Met andere woorden: de verveling is ondergronds gegaan. Ze is zo diep en tegelijk zo alledaags geworden dat we haar nauwelijks nog herkennen. In plaats van een doorleefde ervaring , die ons confronteert met de onmogelijkheid de tijd weg te denken, zou het nu eerder 'een onophoudelijk geeuwen zijn dat ons bevangt.' De schermwereld dompelt de schermmens onder in een onontkoombare, tijdloze en continue stroom opinies, beelden en aanmoedigingen tot consumptie en communicatie. Verstrooiing is als het ware een sedentaire levenservaring geworden; ze jaagt de verstrooide voort van gruwelbeeld naar fotofuck, van brekend nieuws naar nieuwsanalyse, van internetfittie naar vriendschapsverzoek en van longread naar Twitter-feed.

Maar in een wereld waar de grenzen tussen het zinvolle en zinledige vervagen, waar hoofd- en bijzaken voortdurend stuivertje wisselen, krijgt de onverschilligheid vrij spel. Werkelijk beklijven doen al die schermindrukken nauwelijks, ze laten de surfer in toenemende mate koud. Toch blijft hij zich, even gebiologeerd en rusteloos als onverschillig, vastklampen aan zijn schermwereld. Daarmee beantwoordt hij aan een archetype dat tot ver in de jaren tachtig het straatbeeld van de Amsterdamse Zeedijk bepaalde: de afgestompte gebruiker. Voor een uitdijende kaste van schermjunkies vermomt de verveling zich steeds vaker als verslaving.

Fragment uit Voorwoord
Deze kleine kritiek van de digitale rede moet gelezen worden als een aansporing om onze technologische conditie serieus te nemen; ze is beslist geen afwijzing ervan. Zo'n afwijzing zou, naast de verloochening van de evidente voordelen van moderne techniektoepassingen, van een gemankeerd mensbeeld getuigen. De  mens is van oorsprong een technologisch dier, zoals ik hierna en in navolging van de Franse techniekfilosoof Bernard Stiegler zal betogen. Al onze verworvenheden - of ze nu cultureel, sociaal of materieel van aard zijn - zijn in diepste zin technologische verworvenheden. Wie de techniek afwijst, wijst impliciet de mens af. (pagina 11-12)

Enkele andere boeken
Andrew Keen. De digitale afgrond : hoe de huidige sociale online revolutie ons eenzamer en hulpelozer maakt (2012)
Nicholas Carr. De glazen kooi : wat automatisering met ons doet (2014)
Manfred Spitzer. Digitale dementie : hoe wij ons verstand kapotmaken (2013)
Evgeny Morozov. Om de wereld te redden, klik hier (2014)
Alex Pentland. Sociale big data : opkomst van de data-gedreven samenleving (2014)

Terug naar Overzicht alle titels

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De redactie behoudt zich het recht voor reacties te verwijderen