donderdag 9 juli 2015

Piet de Rooy

Ons stipje op de waereldkaart : de politieke cultuur van modern Nederland
Wereldbibliotheek 2014, 414 pagina's - € 29,95

Wikipedia: Piet de Rooy (1944)

Korte beschrijving
De auteur, emeritus-hoogleraar Nederlandse geschiedenis, schetst in acht hoofdstukken de ontwikkeling en verandering in de Nederlandse politiek vanaf de Bataafse Republiek (1795-1806) tot heden. De invalshoek is politicologisch-historisch: politieke cultuur, democratie, burgerschap, ideologie, partijvorming, verzuiling, mentaliteitsverandering sinds de jaren 1960. Ook wordt Nederland in internationaal perspectief geplaatst. Het boek is het resultaat van een wetenschappelijk onderzoeksproject, maar toch zeer leesbaar en boeiend geschreven. Met literatuurverwijzingen, noten, register. Voor een publiek met politiek-historische belangstelling. Kleine druk.

Fragment uit IX. Een stipje
De verzuild-corporatieve politieke cultuur werd in de jaren zestig ondermijnd. Daarmee brak een vierde fase aan die nog niet is beëindigd. Tal van politieke theoretici hadden in het verleden naar voren gebracht dat een democratie alleen zou werken in wat Bagehot een deferential society genoemd had, een samenleving waarin eerbied voor de gekozen bestuurders vanzelfsprekend was, evenals voor oudere mensen, vaders en echtgenoten. Deze 'deugd' ging echter in de jaren zestig teloor. Het politieke bestel had ernstig te lijden onder deze ontwikkeling, zoals onder meer bleek uit een groeiend begrip voor 'bestuurlijke ongehoorzaamheid' en 'buitenparlementaire actie'.
Vrijwel elke ideologie verloor het vermogen om kiezers te binden; politieke partijen raakten op drift, onmachtig het publieke debat richting en vorm te geven. Ernstige pogingen om de grondwet aan te passen, leidden tot niets. Van een nieuw bestel kan dan ook moeilijk worden gesproken, verandering en verwarring gingen sindsdien hand in hand.
Deze ontwikkeling vond plaats onder een ongelukkig gesternte. De democratie in de Westelijke wereld was geborgd door gelijkmatige economische groei, zo was de gedachte., die groei zou zelfs te leiden zijn. Na de Tweede Wereldoorlog was er zestig jaar lang sprake van groei in de G7-landen, de belangrijkste industrielanden, zonder al te grote fluctuaties. Dit succes versluierde echter het feit dat deze groei al vanaf de jaren zestig begon af te vlakken en structureel op een veel lager niveau terechtkwam: de gemiddelde groei in de grote industrielanden lag in de jaren zestig op 5,2 van het bbp, maar zakte gestaag naar 1,4 rond de millenniumwisseling. Gevoegd bij de fundamentele herstructurering van de economie, van ambachtelijk-industrieel naar een moderne dienstverlening, van het verdwijnen van een agrarische beroepsbevolking en de verplaatsing van arbeid naar lagelonenlanden, deed dit een zwaar beroep op de verzorgingsstaat.
Deze ving de problemen weliswaar met sociale uitkeringen op, maar tegelijkertijd stond de toegang tot de sociale regelingen en de hoogte van de uitkeringen onder een aanhoudende druk, ter wille van het begrotingsevenwicht. In het algemeen steeg het reële inkomen van de bevolking, maar de ongelijkheid nam toe. In Nederland bijvoorbeeld stegen de topinkomens aanzienlijk (vooral sinds 1994), terwijl aan de onderkant (vanaf de jaren tachtig) fors werd ingeleverd. Dit bij elkaar genomen verklaart een groot deel van het declinisme, zoals dat werd uitgedrukt in de befaamde zin: 'Met mij gata het goed, met ons gaat het slecht'.  (pagina 296-297)

Op zondag 28 september 2014 sprak Wim Brands met Piet de Rooy over dit boek

Terug naar Overzicht alle titels

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

De redactie behoudt zich het recht voor reacties te verwijderen