dinsdag 19 november 2019

Kees Vuyk 2

De feilbare mens : waarom ongelijkheid zo slecht nog niet is
Ten Have 2019, 224 pagina's - € 22,99

Wikipedia: Kees Vuyk (1953) en website Universiteit Utrecht: Kees Vuyk

Tekst op website uitgever
Kees Vuyk trekt in De feilbare mens fel van leer tegen de opvatting dat wie succesvol is, dat volledig aan zichzelf te danken heeft, en wie faalt in het leven ook. Dit mensbeeld leidt namelijk tot een almaar groeiende economische en intellectuele ongelijkheid. Daartegenover zet Vuyk, winnaar van de prijs voor het beste filosofieboek in 2018, de mens als een kwetsbaar wezen: we hebben elkaar ten diepste nodig. Op zichzelf is ongelijkheid niet slecht, maar welk doel dient zij? Vuyks oproep: laten we elkaar compenseren voor datgene wat we niet kunnen. Want we zijn slechts gelijk in onze feilbaarheid.
Kees Vuyk

Kees Vuyk was universitair hoofddocent aan het Departement Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Hij won in 2018 de prijs voor het beste filosofieboek met Oude en nieuwe ongelijkheid.

Fragment uit (de) Inleiding
Het is inmiddels de afgrond waarvoor elk fundamenteel debat in de samenleving tot stilstand komt: de kloof tussen hoger en lager opgeleiden. Bij alle grote problemen van deze tijd: klimaatverandering, migratiestromen, internationale samenwerking, samenleven van verschillende culturen – alle nauw met elkaar verbonden – duikt de hindernis op dat hoger en lager opgeleiden er zeer verschillend over denken, zodat elk besluit dat met deze kwesties samenhangt de samenleving, toch al verdeeld langs lijnen van opleiding, verder dreigt te splijten. De politiek van alle westerse landen raakt erdoor verlamd. Bij elke ingreep die hun levensstijl lijkt te bedreigen, begint een aanzienlijke groep kiezers, vooral aan de onderkant van de samenleving, maar niet uitsluitend, te morren. Hun ongenoegen wordt geëxploiteerd door een nieuwe klasse van politieke entrepreneurs, die in naam partijen stichten, maar in feite ondernemingen – zelf zeggen ze bewegingen – opzetten die kiezersgunst omzetten in aanzien, macht en goede inkomens voor een kleine clique van leiders. Bijdragen aan de oplossingen van de problemen doen deze leiders met hun bewegingen niet. Ze strooien alleen zoveel zand in de politieke machine dat die knarsend tot stilstand komt. Beproefde middelen zijn: de problemen domweg ontkennen (de klimaatverandering) dan wel ze brandmerken als producten van de oude politieke klasse (internationale samenwerking en dergelijke), die en passant neergezet wordt als een elite die uitsluitend met zichzelf en de zelf geschapen problemen bezig is en de noden van de gewone man en vrouw bagatelliseert of zelfs minacht. Traditionele politici blijken zeer gevoelig voor deze kritiek. Zij zien hun electoraat afbrokkelen en gaan twijfelen aan hun standpunten. Urgente besluiten worden zodoende eindeloos uitgesteld, wat uiteindelijk aan het vertrouwen in het vermogen van de traditionele politiek om leiding te geven aan de maatschappelijke ontwikkelingen eerder afbreuk doet dan dat het dit vergroot.

Inzicht in wat deze kloof zo diep en moeilijk te overbruggen maakt is dus dringend geboden, maar hoewel er verschillende theorieën de ronde doen is consensus nog ver te zoeken. Wat verklaart het ongenoegen bij zovelen die wonen in de rijkste landen van de wereld en die het voor het overgrote deel veel beter hebben dan hun ouders en grootouders? En waarom drijft juist het verschil in opleiding deze wig in de samenleving?

Sommige onderzoekers relativeren de problemen. De scheiding tussen volk en elite is van alle tijden, zeggen zij, en er zijn tijden geweest dat beide veel meer in gescheiden werelden leefden dan nu het geval is. De elite is nu bovendien groter. Opleiding als criterium heeft haar ook toegankelijker gemaakt en zorgt ervoor dat haar leden ten minste bekwaam zijn, iets wat bij de oude elites, gebaseerd op afkomst, lang niet altijd het geval was. We leven tegenwoordig in een meritocratie, zeggen zij, het stelsel waarin iemands maatschappelijke positie bepaald wordt door de verdienste die zij of hij heeft voor de samenleving. Wat schuurt met dit beeld is echter dat het juist de nieuwe elites zijn die vandaag door het volk onder vuur genomen worden: de wetenschappers, journalisten, linkse parlementariërs, rechters, kunstenaars – veelal mensen die zich hebben opgewerkt via het onderwijs – terwijl de vertegenwoordigers van oude elites, de bezitters van kapitaal (voor een groot deel nog altijd door erfenis verkregen), evenals meer conservatieve politici en topmanagers (beide nog altijd vaak gerekruteerd uit oude families) ongemoeid worden gelaten of zelfs, zoals in het geval van de huidige Amerikaanse president Trump, door delen van het volk op handen worden gedragen.

Een klassiek links antwoord luidt dat de algemene welvaartsstijging in westerse landen niet kan verhullen dat de verdeling van al die groei scheef is en steeds schever wordt. De rijken worden almaar rijker, de hogere middengroepen volgen die trend op enige afstand, maar de lagere middengroepen staan al enkele decennia op de nullijn: hun inkomens stijgen niet mee met de stijging van de productiviteit, terwijl zij wel ervaren dat primaire levensbehoeften als wonen en gezondheidszorg steeds duurder worden. Zo raken zij financieel steeds meer in het nauw. Grote problemen zijn voorkomen doordat de vrouwen uit deze groepen geleidelijk meer zijn gaan werken en inmiddels stevig bijdragen aan het gezinsinkomen. Kleine zorgen worden opgevangen door schulden te maken. Dit alles houdt echter in dat een enkele verschuiving in hun levensomstandigheden – echtscheiding, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid – een flinke duikeling op de sociale ladder kan veroorzaken.

Het probleem van deze verklaring voor het ongenoegen van het volk is dat dit volk niet, zoals men zou verwachten, massaal grijpt naar de klassieke linkse strijdmiddelen: vakbond, staking, socialistische partijvorming. Integendeel, de vakbonden verliezen leden en vergrijzen; de sociaaldemocratische partijen die in de twintigste eeuw de politiek steeds stuurden in de richting van een eerlijke verdeling van de welvaart, zien eveneens hun aanhang, zowel leden als kiezers, slinken, en daarvan profiteren niet de radicalere linkse partijen maar juist eerder radicaal rechtse partijen, die zich niet profileren met financieel-economische thema’s als welvaartsverdeling, maar juist met culturele thema’s als nationalisme, xenofobie en de bescherming van traditionele waarden.

Terwijl linkse intellectuelen (van de nieuwe elites) wijzen naar het grootkapitaal, de banken en het internationale bedrijfsleven als de bedreigers van de welvaart van het volk, wijst dit volk zelf naar buitenlanders, seizoenarbeiders en vluchtelingen, die de banen inpikken en een bedreiging vormen voor de nationale cultuur, alsmede, zoals hierboven reeds aangeduid, naar de linkse intellectuelen die vanuit hun verheven kosmopolitische instelling de migranten omarmen en de eigen cultuur te grabbel gooien. (pagina 9-12)

Lees ook: Oude en nieuwe ongelijkheid : over het failliet van het verheffingsideaal (uit 2017)

Terug naar Overzicht alle titels

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De redactie behoudt zich het recht voor reacties te verwijderen