vrijdag 25 augustus 2023

Wouter Kusters

Schokeffecten : filosoferen in tijden van klimaatverandering
ISVW 2023, 363 pagina's € 29,95

Wikipedia: Wouter Kusters (1966)

Korte beschrijving
Een kritische en actuele beschouwing van de functie van filosofie in tijden van klimaatverandering. Hoe kan je nog rustig slapen als je je volledig bewust wordt van de dreiging van klimaatverandering? Filosoof Wouter Kusters beschrijft hoe hijzelf reageerde toen hij besefte hoe diep we in de problemen zitten. Hij analyseert reacties van shock, paniek en angst tot berusting, vertrouwen en zelfs optimisme, en stelt de vraag: is er in het licht van de dreigende ondergang nog filosofie mogelijk? De eerste alarmschok leidt tot duurzaam alarmisme en tot een zoektocht naar manieren om verantwoordelijkheid te nemen.’Schokeffecten’ is in een aansprekende stijl en met filosofische diepgang geschreven, waarbij de auteur zijn persoonlijke verhaal verweeft met een bredere maatschappelijke visie. Vooral geschikt voor geoefende lezers.Wouter Kusters (1966) is een Nederlandse filosoof en taalwetenschapper. Zijn debuutboek 'Pure waanzin' werd bekroond met de Van Helsdingenprijs en de Socrates Wisselbeker. Tien jaar later won hij opnieuw de Wisselbeker met 'Filosofie van de waanzin’.

Tekst op website uitgever
'Het grondpatroon van de klimaatverandering is niet dat van de paranoia, van zij tegen ons, maar eerder dat van de schizofrenie, wij tegen wij.'

Wat gebeurt er als de toestand van de wereld echt tot je doordringt? Als je je volledig bewust bent van de immense dreigingen van klimaatverandering en ecologische destructie? Hoe kan je dan nog rustig slapen? Wat zeg je tegen je (klein)kinderen? Wie roep je ter verantwoording? In Schokeffecten laat Wouter Kusters zien hoe hijzelf reageerde toen hij besefte hoe diep we in de problemen zitten. Hij analyseert mogelijke reacties van shock, paniek en angst tot berusting, vertrouwen en zelfs optimisme. Hoe kunnen we uit het verblindende licht van de dreigende ondergang ontsnappen, zonder dat we onze ogen ervoor sluiten? Hoe houden we ons geestelijk staande? Wat kunnen en moeten we denken? Is er nog wel filosofie mogelijk? Uiteindelijk biedt Kusters perspectief. De eerste alarmschok leidt tot duurzaam alarmisme, en blinde paniek wordt filosofische paniek. Het is tijd voor verantwoordelijkheid.

Fragment uit 7. Atopische achronie
7.2 Escalaties
Ingeschaald

De nieuwe Grote waarheid is ontstellend (schokkend, traumatiserend, beangstigend, deprimerend), maar komt niet geheel uit de lucht vallen. In haar effecten werkt ze verbijsterend en ontgoochelend, maar in haar samenstellende delen lijkt er weinig nieuws onder de zon. Zoals ik al eerder betoogde, is er niet zozeer sprake van een nieuw paradigma, maar eerder van verwarrende, na-ijlende gevolgen van een eerdere grote paradigmawisseling. Deze omwenteling voltrok zich aan het begin van de moderne tijd (zie pagina 72 e.v.)  en is in haar consequenties nog niet uitgewerkt in de menselijke geest. Een van de gevolgen, die door de bevindingen van de klimaatwetenschap extra is geaccentueerd, is onze verdwaling in de tijd. We weten niet meer goed hoe we ons zouden kunnen of moeten verhouden tot nabije en verre verledens en toekomsten. De vraag die zich in het antropoceen sterk opdringt, is door Latour als volgt geformuleerd, ik herhaal: 'In welk tijdperk bevinden we ons? Niet in termen van de kalender, maar eerder in termen van het ritme, de cadans, de beweging van de tijd?' De nieuwe Grote Waarheid (opmerking: Bruno Latour heeft het over het Nieuwe Klimaatregime, ook met twee hoofdletters - hd) biedt zelf geen antwoord op deze vraag, ze heeft het eerdere historische bewustzijn alleen maar verder verward, door indringend te melden dat ook de natuur een geschiedenis heeft, en wel een geschiedenis die met onze menselijke geschiedenis verweven is. Om dit te kunnen vatten, zal ik hieronder eerst het alledaagse bewustzijn van tijd bespreken, met haar indeling van tijd in schalen, oftewel 'scalair denken', en het vervangen door een sferisch kristaldenken.

Voordat het antropoceen ging doorwerken in de menselijke ziel, kende het historisch bewustzijn duidelijk onderscheiden domeinen. Het algemeen geaccepteerde wereldbeeld bestond erin dat we - filosoof en niet-filosoof, historicus en niet-historicus - de geschiedenis opvatten als bestaande uit drie delen, of beter gezegd, op drie (tijd)schalen, te weten: 1) eerst was er de immens lange natuurgeschiedenis, oftewel de prehistorie, met 2) daarna een menselijke geschiedenis, die vergeleken met de prehistorie zeer kort duurde, en 3) een persoonlijke geschiedenis, die je zelf hebt meegemaakt en die het laatste draadje is waar het weefsel van de prehistorie en historie in uitlopen. Wanneer we onder het begrip 'natuur' van 'natuur'geschiedenis ook dode natuur laten vallen, dan omvat de prehistorie vier en en half miljard jaar, de menselijke geschiedenis - als we die laten beginnen bij het ontstaan van het schrift - slechts zesduizend jaar, terwijl ieders persoonlijke geschiedenis ongeveer de tijd omvat die men to nu toe heeft geleefd. Wanneer we deze drie delen van de geschiedenis op de schaal van een dag zouden afbeelden, krijg je het volgende: als de prehistorie om twaalf uur 's nachts zou beginnen, en de tijd van het bestaan van de aarde 24 uur zou duren, dan zou het eerste leven op aarde na drie uur 's nachts verschijnen. Het zou daarna meer dan de helft van de dag duren, tot vier uur 's middags, voordat er zeedieren zouden ontstaan en pas om tien uur 's avonds zou het leven het land op kruipen. Vanaf elf uur 's avonds zouden veertig minuten lang de dinosauriërs rondstampen. En dan, niet meer dan tien seconden voor middernacht (voor nu) verschijnt de mens. En in nog minder dan een honderdste seconde flitst het kapitalisme op, stijft het gebruik van fossiele brandstoffen en begint de opwarming van de aarde door de mens. Die honderdste seconde moeten we nog kleiner maken, nog verder opdelen om tot de hoeveelheid tijd van de persoonlijke geschiedenis te komen. (pagina 181-182)

Dan Saladino


Eten tot het op is : 's Werelds meest zeldzame voedsel

Mazirel Pers 2023, 478 pagina's € 34,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: Eating to Extinction : The World’s Rarest Foods and Why We Need to Save Them (2023)

Website Dan Saladino (1977)

Korte beschrijving
Een verhandeling over zeldzame voedingssoorten. Dan Saladino neemt de lezer mee op een wereldwijde reis om de verhalen achter bedreigde voedselsoorten te ontdekken. Hij ontmoet boeren, wetenschappers, koks en inheemse gemeenschappen die strijden om voedseltradities in stand te houden. Het boek belicht de menselijke geschiedenis, van de eerste grote migraties tot de slavenhandel en de hedendaagse vluchtelingen. Hij benadrukt het belang van het behoud van biodiversiteit in het voedsel voor de toekomst van de planeet. Dit boek is een eerbetoon aan traditionele eetculturen wereldwijd. Doorwrocht maar onderhoudend geschreven. Met kleine verfijnde zwart-witillustraties aan het begin van ieder hoofdstuk. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep. Dan Saladino (1970) is een Britse auteur. Hij is voedseljournalist en radiomaker. Hij maakt prijswinnende programma’s over eten voor BBC Radio en BBC World Service. Hij won de Guild of Food Writers Food Boek van het jaar 2022 en de Sunday Times Boek van het jaar 2021.

Tekst op website uitgever
Van een kleine karmozijn peer in het westen van Engeland tot pistachenoten uit Syrië of een blaarkopkoe in Nederland, er zijn duizenden voedingsmiddelen die voor altijd verloren dreigen te gaan. Dan Saladino reist de wereld rond om hun verhalen te onthullen en ontmoet pionierende boeren, wetenschappers, koks, producenten en inheemse gemeenschappen die voedseltradities verdedigen en vechten voor verandering. Eten tot het op is gaat over het behoud van gastronomisch erfgoed, over de crisis waarmee onze planeet vandaag de dag wordt geconfronteerd, en waarom het terugwinnen van een diverse eetcultuur van vitaal belang is voor onze toekomst.

Fragment uit (de) Inleiding
Ik deed al tien jaar verslag over voedsel voor de BBC-radio toen ik me de omvang van het uitstervingsproces realiseerde. Ik viel ooit plompverloren in de voedseljournalistiek, maar voor mij werd voedsel al snel de perfecte lens waardoor ik de innerlijke werking van de wereld kon begrijpen. Voedsel laat ons zie waar de echte macht ligt: het kan conflicten en oorlogen verklaren en het toont de menselijke creativiteit en inventiviteit, het verklaart de opkomst en ondergang van rijken, en de oorzaken en gevolgen van rampen. Voedselverhalen zijn misschien wel de meest essentiële verhalen van allemaal. 
  Mijn intrede in de voedseljournalistiek vond plaats tijdens een crisis. het was 2008, en terwijl de wereld zich vooral richtte op de financiële onrust die door het bancaire systeem raasde, verspreidde zich ok een belangrijk voedselverhaal. De prijzen van tarwe, rijst en maïs stegen tot recordhoogte n verdrievoudigden op hun hoogtepunt op de wereldmarkt. Hierdoor werden tientallen miljoenen van de armste mensen op aarde in de richting van honger gedreven en het voedde ook de spanningen die louter leidden tot de Arabische Lente. Rellen en protesten deden regeringen in Tunesië en Egypte omvallen en het conflict in Syrië escaleren. Voor het eerst in decennia stelde men serieuze vragen over de toekomst van ons voedsel. Met 7,5 miljard mensen op aarde en naar verwachting 10 miljard in 2050, begonnen landbouwwetenschappers te verkondigen dat de wereldoogsten met 70 procent moesten toenemen. Geconfronteerd met deze voorspellingen zou het verdwijnen van een tarwe als kavilca misschien irrelevant lijken, De planeet had immers meer voedsel nodig, en de roep om meer diversiteit leek verwennerij. Maar nu beginnen we ons langzamerhand te realiseren dat diversiteit essentieel is voor onze toekomst. (pagina 15-16)

Terug naar Overzicht alle titels

Jan Drost 2

Dit is niet het einde : een goed leven in de 21e eeuw
De Bezige bij 2023, 287 pagina's  - € 24,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Wikipedia: Jan Drost (1975)

Korte beschrijving
Een cultuurfilosofisch relaas over een beter mens worden. Een mens kan niet zonder zijn gewoonten, maar het hardnekkig vasthouden aan verkeerde gewoonten heeft ons gebracht waar we nu zijn: in een klimaatcrisis van ongekende proporties. De enige uitweg uit deze crisis is verandering. In het boek zoekt Jan Drost naar een goed leven voor eenentwintigste-eeuwse mensen. Met behulp van schrijvers en denkers als Marcus Aurelius, Søren Kierkegaard en Hannah Arendt en aan de hand van begrippen als rouw, schuld, geweten, liefde en geheeldenken laat hij zien dat we het altijd anders kunnen doen, hoeveel tegenwerking we ook ervaren vanuit de politiek, de samenleving, onze vrienden en familie en onszelf. In heldere, beschouwende stijl geschreven. Voor de meer geoefende lezer. Jan Drost (1975) is een Nederlandse schrijver, docent en cultuurfilosoof. Hij schreef meerdere boeken.

Tekst op website uitgever
Hoe we betere mensen kunnen worden: een filosofisch pad voor verandering

Een mens kan niet zonder zijn gewoonten, maar het hardnekkig vasthouden aan verkeerde gewoonten heeft ons gebracht waar we nu zijn: in een klimaatcrisis van ongekende proporties. De enige uitweg uit deze crisis is verandering. Maar hoe begin je daarmee? Hoe maak je de juiste keuzes? Hoe houd je hoop? Hoe leer je trouw te zijn aan jezelf én aan de aarde?

In Dit is niet het einde zoekt Jan Drost naar een goed leven voor eenentwintigste-eeuwse mensen. Met behulp van schrijvers en denkers als Marcus Aurelius, Søren Kierkegaard en Hannah Arendt en aan de hand van begrippen als rouw, schuld, geweten, liefde en geheeldenken laat hij zien dat we het altijd anders kunnen doen, hoeveel tegenwerking we ook ervaren vanuit de politiek, de samenleving, onze vrienden en familie en onszelf. Drost toont ons hoe we een beter mens kunnen worden. Nu het nog kan.

Fragment uit Over het vertrouwen in de politiek
Ik vraag me af in hoeverre gewoontetrouw zich verhoudt tot vertrouwen, of er een verband tussen beide is. Dat is denk ik niet noodzakelijk. Ik bedoel, dat je nog steeds getrouwd bent met iemand wil niet zeggen dat je diegene ook vertrouwt. En ik heb een vrouw gekend die ter nagedachtenis van haar overleden vader elk jaar op zijn verjaardag in haar eentje een fles wodka van zijn favoriete merk leegdronk (en ondertussen ook wel), maar niet omdat hij nu zo'n heilige was, verzekerde ze me, eigenlijk was hij een enorme klootzak, die goed was in twee dingen: zuipen en iedereen in de steek laten. Maar dat mocht alleen zij over hem zeggen,

Hoe zit het met het vertrouwen in de politiek? Misschien hebben mensen ooit besloten een partij of politicus te vertrouwen en willen ze daarover verder niet meer nadenken - en doen ze dat ook niet. Maar ook dat is niet echt vertrouwen, dat is gewoontetrouw. En zelfs als het wel met vertrouwen begon: als vertrouwen eenmaal is verworden tot gewoontetrouw moet je van goede huize komen om dit nog aan het wankelen te kunnen brengen.

Vaak wordt gezegd dat mensen het vertrouwen in de politiek kwijt zijn. Maar kan dat eigenlijk wel als je in een democratie leeft? Want is dat niet wat op een partij stemmen betekent: dat je je vertrouwen aan die partij schenkt? Zodra je stemt schenk je je vertrouwen. Door niet te stemmen doe je feitelijk hetzelfde: daarmee geef je te kennen dat je erop vertrouwt dat de politiek en je medeburgers het wel zonder jouw inbreng afkunnen. Wat ons vertrouwen betreft lijkt een democratie inclusief: er is geen ontsnappen aan, ze krijgt het hoe dan ook van ons en het telt altijd mee. Dus ook als is je gang naar het stemhokje niet veel meer dan een beweging uit gewoontetrouw en komt er geen bewust vertrouwen aan te pas, er komt wel degelijk vertrouwen aan te pas.

Daarom kunnen we er maar beter voor zorgen dat het vertrouwen dat we schenken (en dat ons sowieso op democratische wijze ontfutseld wordt) een bewust en doordracht vertrouwen is, geschonken aan een partij die dat vertrouwen waard is. Een uit gewoonte geschonken vertrouwen is gevaarlijk, aangezien dat in de praktijk kan neerkomen op blinde steun aan machthebbers, die geen macht meer zouden moeten hebben, ana het goedkeuren van wat je eigenlijk afkeurt, aan het ondermijnen en dwarsbomen van waarden, deugden en idealen die behoren tot wat jij onder het goede leven verstaat. Misschien is het grootste probleem niet zozeer dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek (wat dat ook moge betekenen), maar dat mensen sommige partijen en politici nog steeds hun vertrouwen schenken. In vrijwel alle situaties waarin we van vertrouwen spreken, schenken we iemand ons vertrouwen tot het tegendeel te vaak is bewezen. Dan trekken we ons beschadigde vertrouwen in, of is het helemaal weg, en weten we dat de ander ons vertrouwen niet langer waard is (en zoeken we iemand die dat wel waard is). Bij het vertrouwen in de politiek lijkt deze reflectieve beweging dikwijls afwezig, dat lijkt soms wel immuun voor de werkelijkheid en vertrouwensschendingen die hierin plaatsvinden. Daarom is het belangrijk onze gewoontetrouw te wantrouwen, deze te bevragen, ondervragen. En als dat nodig is moeten we ook hier ontrouw zijn, en een andere partij en andere politici zoeken om trouw aan mij te zijn en ons vertrouwen aan te schenken.


Tegelijkertijd is er onder de stemmers een andere categorie gewoontepsychopaten, zij die hun vertrouwen wel degelijk bewust (in elk geval bewuster) schenken aan politici die ze beter niet kunnen vertrouwen. Hun 'vertrouwen' gaat vrijwel zonder uitzondering naar politici die de door hen gekoesterde gewoonten zeggen te vertegenwoordigen. Die beloven dat als je op hen stemt alles bij het oude blijft. Die zeggen dat 'het wel leuk moet blijven' en dat zij hun stinkende best doen om ervoor te zorgen dat de mensen gewoon van het leven kunnen blijven genieten, dat wil zeggen van hun vliegvakanties, hun dagelijkse bal gehakt, dat zij kunnen blijven boeren en zakendoen zoals zij altijd hebben gedaan, enzovoorts. Politici daarentegen die wijzen op de destructieve kanten van die gewoonten en die pleiten voor andere en betere gewoonten worden door deze gewoontepsychopaten ronduit gewantrouwd. Ze voelen zich zelfs persoonlijk door hen aangevallen. Het bekritiseren van hun gewoonten is voor hen iets existentieels bedreigend. En wie hun gewoonten afwijst, wijst ook de mensen af van wie zij die gewoonten geleerd hebben: kom je aan mijn gewoonten, dan kom je aan mijn familie, dan kom je aan mij. Beide aspecten van gewoontetrouw - trouw uit en trouw aan de gewoonte - komen hier samen in een zich onverzettelijk vastklampen aan en schrap zetten tegen. Een tunnelvisie die ertoe leidt dat mensen met liefde een gehaktbal boven de aardbol verkiezen, dat wat hen betreft de hele wereld mag vergaan zolang zij maar hun gewoonten hebben. Dit verklaart eveneens waarom hun vertrouwen vaak niet te schokken lijkt: ze vertrouwen erop dat de partijen waarop zij stemmen de door hen gekoesterde gewoonten verdedigen en zolang het eventuele wangedrag van politici ergens anders plaatsvindt, niet raakt aan het gebied van hun gewoonten en zij er dus niet de dupe van zijn (denken ze), vinden ze veel, zo niet alles best. (pagina 155-158)

Lees ook: Denken helpt (2015)

Terug naar Overzicht alle titels

Cody Hochstenbach 2

In schaamte kun je niet wonen : een persoonlijk verhaal over het ware gezicht van de wooncrisis
Das Mag 2023, 96 pagina's - € 15,--

Korte bio van Cody Hochstenbach (1989)

Korte beschrijving
Een boek over het fenomeen schaamte binnen de wooncrisis.  Cody Hochstenbach doet onderzoek naar de woningmarkt en publiceerde in 2022 het boek ‘Uitgewoond'. Hij schreef daarin onder andere over zijn vader die tijdelijk dakloos was en de sociale huurwoning van zijn moeder. Na publicatie was zijn moeder boos dat hij de vuile was buiten had gehangen. Dit bracht hem een nieuw inzicht: schaamte is cruciaal om de wooncrisis te begrijpen. Door schaamte centraal te stellen, schijnt Cody een nieuw licht op de impact van het woonbeleid dat stelselmatig levens verwoest. Essayistisch geschreven. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep.  Cody Hochstenbach (1989) is een Nederlandse auteur en stadsgeograaf. Hij doet veelal onderzoek naar de woningmarkt.

Tekst op website uitgever
Cody Hochstenbach doet onderzoek naar de woningmarkt en publiceerde in 2022 het invloedrijke Uitgewoond. Hij schreef daarin onder andere over zijn vader die tijdelijk dakloos was en de sociale huurwoning van zijn moeder.

Na publicatie belde zijn moeder hem boos op: waarom moest hij zo nodig de vuile was buiten hangen?

Dit telefoontje bracht hem een nieuw inzicht: schaamte is cruciaal om de wooncrisis te begrijpen.

Door schaamte centraal te stellen, schijnt Cody met dit vlammende én persoonlijke verhaal een nieuw licht op de impact van het woonbeleid dat stelselmatig levens verwoest.

Cody Hochstenbach (1989) is als stadsgeograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij spreekt zich tegenover een breed publiek fel uit over de wooncrisis. In 2019 ontving hij de prestigieuze NWO Veni-beurs om onderzoek te doen naar beleggers op de Nederlandse woningmarkt. Uitgewoond werd genomineerd voor de PrinsjesBoekenprijs en als NPO Radio 1 non-fictieboek van het jaar.

Fragment uit 2. Wie arm is, schaamt zich
In zijn boek Veranderen: Methode beschrijft Édouard Louis op een moment het huis waar zijn vader kwam te wonen nadat deze door zijn moeder was verlaten. Hij schrijft over 'de armoede waarvan zijn woonruimte tot de laatste centimeter was doortrokken, de frituurlucht, de enorme tv voor de tafel waaraan hij at, zijn lichaam dat kapotgemaakt was door een leven van geldgebrek en uitsluiting'. 
  het is alsof ik over mijn eigen vader en zijn sobere, vettig een karige appartement lees. het gaat hier niet zomaar om individuele ervaringen van uitsluiting, maar om uitingen van systemische klassenongelijkheid. 'Ik had niet een kindertijd gehad maar de kindertijd van een bepaalde klasse,' schrijft Louis dan ook.
  Destijds snapte ik niet waarom mijn vader niet 'gewoon' zorgde voor wat fatsoenlijke meubels, om het appartement op z'n minst wat aangenamer en huiselijker te maken. Natuurlijk had ik toen ook wel door dat hij weinig te besteden had, maar ik had denk ik niet door hóe weinig. De schuldeisers eisten nog steeds een flink deel van zijn salaris op, en voor mijn vader bleef er niet meer dan een wekelijks zakcentje over.
  Maar het was niet alleen een gebrek aan geld, het was ook een gebrek aan mentale rust en ruimte. De dakloosheid had hem permanent veranderd: hij was een ander persoon geworden. Hij bleef een teruggetrokken bestaan leven. Af en toe kwam er iemand van het Leger des Heils langs om te kijken hoe hij het er vanaf bracht in zijn nieuwe appartement. Het was onderdeel van de woonbegeleiding die mijn vader kreeg. Dat was ongeveer het enige bezoek dat hij ontving, verder kwam er praktisch nooit iemand over de vloer.
  Niet alleen leefde hij een veel teruggetrokkener bestaan dan voorheen; mijn vader stond vooral nog steeds in de overlevingsmodus. Wie bezig is met overleven, plant niet vooruit. De toekomst is een zorg voor later. Hij kon zich er niet toe zetten de slaapkamers ook maar een beetje in te richten, het licht in de badkamer te repareren, de keuken netjes te houden. De uitsluiting en ongelijkheid waren in het lichaam en de geest van mijn vader gekropen.
  In mijn tijd in Maastricht bleef ik de woonarmoede waarin hij zich bevond verbergen en nodigde bijvoorbeeld nooit vrienden bij mijn vader uit. Die twee jaar bleef ik bang voor de vernedering die ik zou moeten doorstaan als de realiteit het licht zou zien.  Ik vreesde dat zijn woonsituatie, de armoede die ervan uitging, negatief op mij zou afstralen, alsof het ok mijn persoonlijke tekortkoming was. Guitly by associaltion.
  De woonarmoede, wakkerde mijn klassenschaamte aan, maar die schaamte werd pas echt onvermijdelijk in vergelijking met anderen. Ik herinner mij een van de vele zomerse examenfeesten nadat mijn klasgenoten en ik klaar waren met de middelbare school. We hadden ons diploma binnen en zouden het jaar daarop naar de universiteit gaan; de meesten van ons zouden bovendien het ouderlijk huis verruilen voor een studentenkamer. Het feest was bij een klasgenoot thuis. Ik was er nog nooit geweest maar het bleek een luxe vrijstaande woning aan de rand van Maastricht te zijn. Van het feest kan ik me niets meer herinneren, maar van de woning en vooral de indruk waarmee ik achterbleef wel. De woning en vooral de uitgestrekte tuin waren gigantisch in vergelijking met mijn vaders armoedige, vettige appartement.
  De diepe ongelijkheid in woonomstandigheden voelde confronterend, kleinerend zelfs, hoe aardig de klasgenoot ook was. We hadden jarenlang een klaslokaal gedeeld, maar onze leefwerelden waren mijlenver van elkaar verwijderd!
  Zeker, mensen kunnen zich ook schamen voor hun bevoorrechte woonsituaties. De nooit echt aangeslagen term 'woonschaamte' refereert volgens het Instituut voor de Nederlandse Taal zelfs aan deze 'schaamte' die mensen voelen of sommigen zouden moeten voelen omdat ze zeer gunstige woonomstandigheden hebben in vergelijking met anderen die moeilijk aan een woning kunnen komen. Denk bijvoorbeeld aan jonge starters die enigszins gegeneerd moeten toegeven dat ze hun woning alleen maar dankzij financiële steun van hun ouders konden kopen. Of aan oudere koppels die niet kunnen ontkennen dat hun gezingswoning, na het uitvliegen van hun kinderen, eigenlijk veel te ruim voor ze is geworden. Maar dit soort schaamte is oppervlakkiger, zal zich niet vertalen in onoverkomelijke angst of paniek, zal hun leven niet beheersen, zal hen niet verlammen of tot een pijnlijk stilzwijgen dwingen. (pagina 41-43)
  

Lees ook: Uitgewoond : waarom het hoog tijd is voor een nieuwe woonpolitiek (2022)

Terug naar Overzicht alle titels

Jürgen Osterhammel

De metamorfose van de wereld : een mondiale geschiedenis van de negentiende eeuw
Atlas Contact 2022, 1178 pagina's  € 59,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: Die Verwandlung der Welt : eine Geschichte des 19. Jahrhunderts (2009)

Wikipedia: Jürgen Osterhammel (1952)

Korte beschrijving
De negentiende eeuw mag dan vaak gezien worden als een wat saaie tijd van hoepelrokken en hoge hoeden, waarin na de val van Napoleon tot aan de Eerste Wereldoorlog relatief weinig bloed werd vergoten, toch vonden er veel ontwikkelingen plaats die de basis legden voor onze huidige samenleving. Zoals de omvangrijke migratie tussen continenten, revoluties met nieuwe politieke stromingen, het ontstaan van de hedendaagse natiestaten en de opkomst van de industriële massaproductie. Tot nu toe stonden in de historiografie van deze periode vooral Europa en de Verenigde Staten centraal, maar Jürgen Osterhammel heeft er met dit boek een wereldgeschiedenis van gemaakt. Met tal van voorbeelden illustreert hij dat de landen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika weliswaar gedomineerd of beïnvloed werden door Europa, doch daarnaast eveneens een eigen ontwikkeling doormaakten die tot op de dag van vandaag zijn sporen nalaat. Het zal niet verrassen dat deze brede benadering tot een boek van bijna twaalfhonderd bladzijden heeft geleid, dat ook door het academisch taalgebruik een pittige uitdaging is voor de lezer.

Tekst op website uitgever
De metamorfose van de wereld is een monumentale geschiedenis van de negentiende eeuw. Een standaardwerk over de eeuw die de moderniteit vormgaf.

De metamorfose van de wereld is een monumentale geschiedenis van de negentiende eeuw. Jürgen Osterhammel vertelt een waarlijk mondiale (geen eurocentrische) geschiedenis met een adembenemende reikwijdte en een enorme eruditie. Hij neemt de lezer mee van Londen naar New Delhi, van de Latijns-Amerikaanse revoluties naar de Taipingopstand, van de opera van Parijs naar die van Manaus in Brazilië, van Europese emigranten naar de bedreigde nomadische stammen overal op onze planeet. Hij vertelt over een wereld die steeds meer vervlochten raakt door de telegraaf, het stoomschip en de spoorweg. Hij onderzoekt de veranderende relatie tussen mens en natuur, gaat uitvoerig in op de rol van de slavernij en de afschaffing ervan bij de opkomst van nieuwe naties, en vecht de wijdverbreide overtuiging aan dat in de negentiende eeuw de natiestaat triomfeerde. De metamorfose van de wereld werpt een nieuw en opwindend licht op de eeuw die korte metten maakte met eeuwen stilstand en, ten goede én ten kwade, de fundamenten legde voor onze hedendaagse wereld – de eeuw die de loop van de geschiedenis een geheel nieuwe wending gaf.


Fragment uit (de) Inleiding

Dit boek is een portret van een tijdperk. Het brengt een beschrijving in praktijk zoals die principieel ook op andere tijdperken kan worden toegepast. Zonder de aanmatigende ambitie te hebben een eeuw wereldgeschiedenis volledig en encyclopedisch in kaart te brengen wil het een interpretatie zijn die tegelijkertijd veel informatie bevat. De benadering is dezelfde als die van Christopher Bayly's  The Birth of the Modern World, een oorspronkelijk in 2004 verschenen en terecht zeer geprezen boek, een van de weinige voorbeelden van een geslaagde wereldhistorische synthese op het gebied van de laat-moderne tijd. Mijn boek is geen anti-Bayly, maar een alternatieve wereldgeschiedenis van een verwante geest. Beide boeken zien af van een regionale indeling naar landen, beschavingen of continenten. Beide vinden het kolonialisme en het imperialisme zo belangrijk dat ze er geen speciaal hoofdstuk aan wijden, maar die elementen wel voortdurend laten doorklinken. Beide gaan ook niet uit van een scherpe tegenstelling tussen wat Bayly in zijn Engelse ondertitel global connections and comparisons noemt; die kunnen en moeten met elkaar gecombineerd worden, en niet alle vergelijkingen hoeven volledig gedekt te worden door de strenge historische methodologie. Het gecontroleerde spel met associaties en analogieën levert soms - bepaald niet altijd - meer op dan een vergelijking die frikkerig volledig wil zijn.

In de twee boeken worden andere accenten gelegd: Bayly's specialisme is India, het mijne China; dat zal de lezer merken. Bayly is vooral geïnteresseerd in nationalisme, religie en bodily practices, de thema's van zijn misschien wel beste passages. In mijn boek worden migratie, economie, milieu, internationale politiek en wetenschap ruimer behandeld. Ik ben misschien wat 'eurocentrischer' ingesteld dan Bayly, ik zie de negentiende eeuw nog sterker dan hij als een Europese eeuw en ik kan bovendien niet verhullen dat ik gefascineerd ben door de geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika, een fascinatie die tijdens het schrijven is gegroeid. Wat het theoretisch kader betreft, zal mijn affiniteit met de historische sociologie snel duidelijk worden.

Het belangrijkste verschil tussen Christopher Bayly en mij betreft twee andere punten. In de eerste plaats is het onderhavige boek aan de chronologische uiteinden nog opener dan dat van Bayly. Het is geen afgebakende geschiedenis van een met jaartallen duidelijk te markeren periode. Daarom ontbreken er jaartallen in de titel, en daarom is er een apart hoofdstuk (II) gewijd aan de problemen van periodisering en tijdsstructuur. Het boek verankert de negentiende eeuw op verschillende manieren 'in de geschiedenis', en het permitteert zich vaak bewust een schijnbaar anachronistisch teruggaan naar de tijd vóór 1800 of 1780 en een vooruitlopen op onze tijd. Op die manier moet de betekenis van de negentiende eeuw als het ware in lange uithalen getrianguleerd worden. Soms is die eeuw ons vreemd, soms zeer vertrouwd; vaak is het de voorgeschiedenis van de huidige tijd, af en toe verzonken als Atlantis. Dit moet van geval tot geval bepaald worden. Bij de negentiende eeuw denken we minder aan een scherp afgebakend tijdperk dan aan iets met een eigen zwaartepunt, dat ongeveer in de jaren 1860 tot 1880 ligt, toen zich steeds meer innovaties met een wereldwijd effect voordeden en een aantal zelfstandig verlopende processen leek samen te gaan. Daarom wordt het begin van de Eerste Wereldoorlog in het onderhavige boek ook niet gezien als een onverhoedse en onverwachte gebeurtenis waarbij op het historische toneel het doek valt, zoals Bayly wel doet.

In de tweede plaats kies ik een andere vertelstrategie dan Christopher Bayly. Er bestaat een vorm van wereldgeschiedschrijving die je convergent-tijdsbewust zou kunnen noemen. Op die manier zijn enkele historici met een afgewogen oordeel, een enorme ervaring en veel common sense erin geslaagd hele wereldhistorische tijdperken in hoofd- en bijzaken dynamisch te presenteren. Twentieth Century : the History of the World van J.M. Roberts is er een schoolvoorbeeld van. Roberts verstaat onder wereldgeschiedenis 'het algemene, dat wat het verhaal (the story)  bijeenhoudt'. Het is een wereldgeschiedenis die telkens zoekt naar de belangwekkende en karakteristieke kenmerken van een tijd, die hij zonder een schema vooraf of een groot leidend idee op de achtergrond omvormt tot een continue vertelling. Eric J. Hobsbawn, die over een scheutje marxistische gestrengheid en dus over een kompas beschikt dat ik niet heb, heeft iets soortgelijks gedaan in zijn driedelige geschiedenis van de negentiende eeuw. Elk zijpad keert bij hem uiteindelijk terug naar de hoofdweg van de grote tendensen van het tijdperk. Bayly beoefent een andere methode, die je divergent-ruimtelijk kunt noemen. Dat is een gedecentraliseerd uitgangspunt, waarbij het verhaal niet onbelemmerd door het stromen van de tijd kan worden voortgestuwd. Een dergelijke geschiedschrijving beweegt zich minder lichtvoetig voort. Ze waaiert breed uit als het om gelijktijdigheid en dwarsverbindingen gaat, zoekt naar parallellen en analogieën, maakt vergelijkingen en poort verborgen verbanden op -0 terwijl ze chronologische opzettelijk open en vaag is, met weinig jaartallen toe kan en het verhaal op gang houdt door een niet al te strikte indeling van de hele beschreven periode in fasen. Terwijl Roberts - en hij is wat dit betreft representatief voor oudere wereldgeschiedenissen - dialectisch denkt in hoofd- en nevenontwikkelingen en onophoudelijk zoekt naar wat de geschiedenis - positief of negatief - telkens in beslissende mate heeft voortgestuwd, richt Bayly zich op afzonderlijke fenomenen en onderzoekt ze vanuit wereldwijd perspectief. (pagina 17-18)

Recensie: Anders kijken, meer zien (De Groene Amsterdammer, 16 maart 2022)

Terug naar Overzicht alle titels


maandag 21 augustus 2023

Matthijs de Ridder 2

Paul van Ostaijen : de dichter die de wereld wilde veranderen
Pelckmans 2023, 902 pagina's € 44,50

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Korte biografie van Matthijs de Ridder (1979)

Korte beschrijving
Een vuistdikke (902 p.) biografie van Paul van Ostaijen. De Vlaamse dichter werd maar 32 jaar, maar het oeuvre dat hij schreef spreekt nu nog tot de verbeelding. Ieder genre dat hij aanpakte, vond hij opnieuw uit. Hij groeide uit tot een van de meest geliefde dichters uit de Nederlandse letteren. In de loop van zijn leven maakte hij de belegering van Antwerpen als ambtenaar mee. Vier jaar later was hij ooggetuige van de Novemberrevolutie in Berlijn en drukte vervolgens zijn stempel op de internationale avant-garde. Helder en met vaart geschreven. Met zwart-witfoto’s. Voor een brede tot geoefende lezersgroep. Matthijs de Ridder (1979) is de auteur van een oeuvre op het snijvlak van literatuur en geschiedenis zoals o.a. 'Rebelse ritmes' (2012) en 'De eeuw van Charlie Chaplin' (2017). Met 'Boem Paukeslag’, Op strooptocht door Paul van Ostaijens 'Bezette Stad' (2021) zette hij de toon voor deze literaire biografie.

Tekst op website uitgever
Paul van Ostaijens leven was in een flits voorbij. Tweeëndertig was de dichter slechts toen hij in 1928 stierf in een Waals sanatorium. Het oeuvre dat hij in zijn korte bestaan bij elkaar schreef, spreekt een eeuw later nog steeds tot de verbeelding. Van Ostaijen joeg de Nederlandse literatuur haast in zijn eentje de razendsnelle en gewelddadige twintigste eeuw binnen. Ieder genre dat hij aanpakte, probeerde hij opnieuw uit te vinden. Die compromisloze houding maakte zijn leven niet gemakkelijk, maar zorgde er wel voor dat hij uitgroeide tot een van de meest geliefde dichters uit de Nederlandse letteren.

In deze eerste volwaardige biografie van Paul van Ostaijen wekt Matthijs de Ridder ‘zot polleken’ tot leven. De dichter loopt weer rond in Antwerpen, waar hij het al op jonge leeftijd aan de stok kreeg met zijn leraren en niet veel later een trouw bezoeker werd van het bloeiende bioscoopwezen. Hij dwaalt door het Berlijn van de expressionisten en dadaïsten en zwerft door België op zoek naar gezonde lucht voor zijn zieke longen. Met veel enthousiasme en oog voor historisch detail vertelt De Ridder het meeslepende verhaal van een leven dat zich een paar keer in het centrum van de geschiedenis afspeelt.

Als in het najaar van 1914 alle ogen gericht zijn op de belegering van Antwerpen, zit Paul van Ostaijen daar als ambtenaar van de stadsdienst Politie en Militie middenin. Vier jaar later is hij ooggetuige van de novemberrevolutie in Berlijn en drukt hij vervolgens zijn stempel op de internationale avant-garde. Telkens probeert Van Ostaijen zijn beweeglijke tijd met vindingrijke poëzie, scherpe essays en spitsvondig proza tot nog wat extra haast te manen. Want als hij één droom heeft, dan is het dat hij met zijn werk de wereld een klein beetje kan beïnvloeden.


Fragment uit Bob - Het leven door een artistieke bril 1913

  'Vanavond wonen we buiten', zei de moeder in Van Ostaijens verhaal 'Het landhuis in het dorp'. 
 'Van school kom je daarheen'. 
  Zeventien jaar had Pol nooit ergens anders gewoond dan in het huis waarin hij geboren was. Daar kwam in het voorjaar van 1913 - in maart volgens het verhaal, of iets later zoals het bevolkingsregister suggereert - plots een einde aan. Hendrik en Maria van Ostaijen hadden besloten dat ze hard genoeg hadden gewerkt. De rest van hun dagen wilden ze in alle rust doorbrengen in de landelijke omgeving van Hove, een dorpje even ten zuiden van Antwerpen. Ze ruilden het winkelpand in de drukke Lange Leemstraat in voor de parmantige villa Jeanne aan de Lintsesteenweg. 'Men kon feitelijk zeggen dat het landhuis [...] het laatste huis van het dorp was', aldus Van Ostaijen. 'het lag aan de steenweg, reeds te midden van de velden.'
  De verhuizing naar Hove was de kroon op de carrière van Hendrik en Maria. Na veertig jaar hard werken en slim investeren konden ze gaan rentenieren. Weliswaar niet helemaal op stand - een stadspaleis in het oude centrum lag niet meteen binnen handbereik - maar het leven op den buiten was een rijkdom in zichzelf.
  Dat laatste hield vooral Pol - dringend op zoek naar een argument om deze verandering positief te duiden - zichzelf voor. Voor zijn ontwikkeling kwam deze stap namelijk erg ongelegen. Op school maakte hij ogenschijnlijk weinig vorderingen. Het nieuwe jaar was hij weer in de derde Grieks-Latijnse begonnen, terwijl mensen van zijn geboortejaar vaak al uitzicht hadden op een diploma. In de bredere jongerenbeweging leek er echter toch eindelijk iets in beweging te zijn gekomen. Wat precies was nog moeilijk te zeggen. Sinds de Conscience-herdenking en de affaire-Ledegouwer was vooral het besef toegenomen dat deze generatie zélf in actie moest komen, in plaats van te gaan zitten wachten op de veranderingen waar nu al zo lang om werd gevraagd. Sinds De Goedendag zich erg koeltjes had opgesteld tijdens de Conscience-hulde en Ledegouwer zich in zijn debuutbundel totaal leek te hebben losgezongen van de tradities, lag de mogelijkheid van een breuk met het verleden op tafel

Lees vooral ook: De eeuw van Charlie Chaplin (uit 2017)

Terug naar Overzicht alle titels

zaterdag 19 augustus 2023

Ian Buruma


In de schaduw van het kwaad : Eichmann in Jeruzalem

Prometheus 2023, 94 pagina's € 16,99
Reeks Nieuw licht

Wikipedia: Ian Buruma (1951)

Korte beschrijving
Een politiek-filosofisch essay over het kwaad. Vanaf het moment dat Ian Buruma als dertienjarige over de veroordeling van de beruchte SS-functionaris Adolf Eichmann las, heeft het kwaad als fenomeen hem niet meer losgelaten. Hij duikt in Hannah Arendts analyse van het proces-Eichmann en komt zo via haar ideeën over de banaliteit van het kwaad en over het totalitarisme uit bij het onbarmhartige kwaad zoals we dat in onze tijd aantreffen in vluchtelingencrises, vreemdelingenhaat en complottheorieën. Intelligent en verdiepend geschreven. Geschikt voor een geoefende lezersgroep. Ian Buruma (Den Haag, 1951) is een wereldberoemde Nederlandse schrijver, historicus, columnist en academisch docent. Hij schreef vele boeken. Zijn werk werd in meer dan twintig landen uitgegeven. Het boek maakt deel uit van de serie: ‘Nieuw Licht’.

Tekst op website uitgever
Vanaf het moment dat Ian Buruma als dertienjarige over de veroordeling van de beruchte SS-functionaris Adolf Eichmann las, heeft het kwaad als fenomeen hem niet meer losgelaten. Hoewel het geweld van de Holocaust het ijkpunt is geworden voor ons hedendaagse begrip van het kwade, ziet Buruma dat er nog veel ontbreekt aan onze opvatting van het kwaad. Hij duikt opnieuw in Hannah Arendts analyse van het proces-Eichmann en komt zo via haar ideeën over de banaliteit van het kwaad en over het totalitarisme uit bij het onbarmhartige kwaad zoals we dat in onze tijd aantreffen in vluchtelingencrises, vreemdelingenhaat en complottheorieën. ‘Politieke tegenstanders zijn niet langer mensen met een ander standpunt, of met andere belangen, maar immorele schurken die men het liefst uit de weg zou willen ruimen. Als bange mensen overtuigd zijn dat ze te kampen hebben met boze machten, dan is het hek van de dam, want dan is alles geoorloofd om zich daartegen te verweren.’

Ian Buruma (1951) is journalist en schrijver. Hij schreef vele boeken, onder andere over Aziatische landen, het islamitisch fundamentalisme, de problemen van hedendaagse democratieën en de Tweede Wereldoorlog. Buruma ontving in 2008 de Erasmusprijs en in 2019 werd hem de Gouden Ganzenveer toegekend.

Fragment uit Het pamflet - In de schaduw van het kwaad. Eichmann in Jeruzalem
Tijdens de Auschwitzprocessen in Frankfurt tussen 1963 en 1965 werden de ergste daders over heel Duitsland berucht. Kranten schreven in geuren en kleuren over hun wandaden: Wilhelm Boger met zijn schommel, waaraan mensen ondersteboven werden vastgeketend en afgerost; Oswald Kaduk, die met honden mensen de gaskamers injoeg. De jonge schrijver Martin Walser, die de processen bijwoonde, uitte zich kritisch hierover. Hij vond dat de vaak sensationele aandacht voor de gruwelijke daden van de ploerten het veel te gemakkelijk maakte voor de meeste Duitsers om hun eigen verantwoordelijkheid te ontduiken. De meeste mensen - ook Eichmann niet - waren tenslotte geen brute sadisten zoals Boger of Kaduk.
  Toch is vaak geopperd dat dit soort kwaad sluimert in al onze harten. Onder bepaalde omstandigheden zouden we allemaal in staat zijn om mensen te martelen, verkrachten of te vergassen. Abram de Swaan heeft deze these overtuigend tegengesproken. Niet alles hangt van omstandigheden af. Persoonlijke aard peelt ook een rol. Walser had gelijk: Het is voor de meeste mensen inderdaad lastig voor te stellen dat zij als beesten tekeer zouden gaan in een martelkamer. Maar om macht over leven en dood uit te oefenen van achter een bureau, of als spoorwegambtenaar die gewoon zijn werk doet, dat is niet zo moeilijk voor te stellen.
  Maar het waren de Bogers en de Kaduks, die miezerige navolgers van Richard III, die zich schuldig hadden gemaakt aan 'excessen', die de zwaarste straffen kregen in de Duitse tribunalen. Helpers, die hun plicht deden, ook bij het vergassen en doodschieten, maar zonder zichtbaar plezier of wellust, kregen veel lichtere straffen, en gingen soms zelfs vrijuit. Het uitgangspunt was nog steeds dat een dader bewust kwaad moest doen. Dat was nu precies waar Arendt zich tegen verzette. In de Verbrecher-staat bestaat geen duidelijk verschil tussen daders en helpers. Bijna iedereen was gecorrumpeerd, haast iedereen was schuldig. Maar het was ook door deze gedachtegang dat Arendt in een val trapte, wat haar tot het eind van haar leven kwalijk is genomen. (pagina 34-36)

Terug naar Overzicht alle titels