maandag 27 januari 2025

Nani Jansen Reventlow

Radicale rechtvaardigheid : de wereld die we nodig hebben
Murrow 2024, 206 pagina's € 22,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl

Wikipedia: Nani Jansen Reventlow (1978)

Korte beschrijving
Een diepgaand essayistisch en maatschappijkritisch boek over sociale ethiek en mensenrechten. Het boek biedt een visie op een fundamenteel andere toekomst, waarin iedereen werkelijk vrij en gelijk is, met dezelfde kansen om te floreren. De auteur put uit haar ervaringen als mensenrechtenadvocaat en laat zich inspireren door grote denkers op het gebied van antiracisme en sociale rechtvaardigheid. Elk hoofdstuk eindigt met een ‘Wat je nu kunt doen’-lijstje met leestips en reflectie- en doe-opdrachten. Bevlogen, engagerend en intelligent geschreven. Voor de meer geoefende lezer met interesse in maatschappelijke kwesties.  Nani Jansen Reventlow (1978) is een internationaal mensenrechtenadvocaat. Ze is de oprichter van Systemic Justice, een organisatie die zich in heel Europa via strategisch procederen inzet voor gemarginaliseerde gemeenschappen. Politico riep haar in 2021 uit tot een van de grootste visionaire techleiders van het moment voor haar werk op het gebied van digitale mensenrechten. Ze is onderscheiden met prijzen door onder meer Harvard, Oxford en Columbia University..

Tekst op website uitgever
Een essentieel boek voor iedereen die gelooft in vrijheid en gelijkwaardigheid

Als er nu een examen zou zijn voor hoe wij als samenleving functioneren, zouden we jammerlijk zakken. Xenofobe populisten winnen verkiezingen, de economische ongelijkheid neemt schrijnende proporties aan, institutioneel racisme wordt niet aangepakt en het klimaat staat op instorten.

We hebben een nieuwe wereld nodig. In Radicale rechtvaardigheid betoogt Nani Jansen Reventlow hoe we vandaag nog kunnen beginnen aan een fundamenteel andere toekomst: een waarin iedereen werkelijk vrij en gelijk is, en dezelfde kansen heeft om te floreren. Ze put daarbij uit haar ervaringen als mensenrechtenadvocaat en laat zich inspireren door grote denkers op het gebied van antiracisme en sociale rechtvaardigheid. Het resultaat is een vlijmscherpe essaybundel die niemand onberoerd zal laten.

Fragment uit Een noot over taal
Het kan zijn dat je in dit boek woorden, zinnen en beschrijvingen tegenkomt die een beetje anders klinken dan wat je gewend bent. Als je bepaalde zinnen en woorden dagelijks hoort en leest, worden ze al snel gewoon en denk je vaak niet meer na over hun betekenis. Termen als 'minderheden', etnische groepen' of 'kwetsbare gemeenschappen' kunnen vertrouwd aanvoelen, maar toch moeten we ze kritisch bekijken.
  Moet je iemand echt 'kwetsbaar' noemen of is hen onderworpen aan meerdere vormen van onderdrukking?  Maakt iemand deel uit van een 'minderheid' (woordkeuze die een vaststaande eigenschap impliceert)  of marginaliseert de maatschappij mensen met die identiteit (wat een systeem van onderdrukking benoemt)?
  In dit boek heb ik steeds geprobeerd te bevragen wat de woorden die ik gebruik zeggen over de aanwezige machtssystemen, en wie wie onderwerpt aan welke vormen van onderdrukking. Het was soms lastig om hier een balans in te vinden, vooral wanneer er geen duidelijke consensus is over de meest passende terminologie. Ik heb soms moeilijke keuzes moeten maken en ik heb flink geworsteld met de beperkingen van taal en vertaling. Wat ik gemakkelijk kan uitdrukken in de ene taal is niet altijd keurig te vertalen in een andere taal. Ik denk hier bijvoorbeeld aan het onderscheid tussen het sociale en medische model van validisme dat in het Engels efficiënt wordt weergegeven door 'disabled' te gebruiken in plaats van 'people with a disability'.  Voor deze essays heb ik de richtlijnen van intersectional disability justice collectief Feminists Against Ableism gevolgd. Zij maken onderscheid tussen de term 'aandoening', die een medische diagnose aangeeft, 'beperking',  wat aangeeft wat die diagnose in iemands dagelijks leven betekent, en 'handicap', wat weergeeft wat er gebeurt wanneer iemand met hun beperking participeert in een (validistische) maatschappij.
  Een andere uitdaging is dat het niet altijd mogelijk is om vast te houden aan het voorschrift dat iedereen zich zou moeten kunnen identificeren op de manier die hen verkiest, vooral wanneer er over samengestelde groepen mensen wordt gesproken. Termen als 'inheemse volkeren', 'BIPOC' en 'mensen van kleur' zijn voortdurend - en terecht - onderwerp van discussie, maar hoe onvolmaakt sommige van deze formuleringen ook mogen zijn, ze zijn nog steeds te verkiezen boven termen die macht bevestigen, zoals 'niet-wit', die witheid centraal stelt. (pagina 9-10)

Terug naar Overzicht alle titels


Vaclav Smil 3

De voedselfactor : de geschiedenis en de toekomst van ons voedsel
Nieuw Amsterdam 2024, 317 pagina's € 27,99

Oorspronkelijke titel: How to feed the world  (2024)

Wikipedia: Vaclav Smil (1943)

Korte beschrijving
Een eigentijdse verhandeling over de complexe dynamiek van voedselproductie en -consumptie wereldwijd. Vaclav Smil behandelt vragen omtrent de paradox van voedselproductie in ondervoede landen, voedselverspilling en de haalbaarheid van een veganistische levensstijl. Hij biedt een kwantitatieve analyse van waarom bepaalde dieren wel en andere niet worden gegeten en hoe de teelt van graan de menselijke populatiegroei heeft beïnvloed. Hij bespreekt strategieën om de groeiende wereldbevolking te voeden met minder ecologische impact. Het boek is gebaseerd op de nieuwste wetenschappelijke gegevens en biedt oplossingen voor het verbeteren van het huidige voedselsysteem. Inzichtelijk geschreven. Met enkele illustraties en foto’s in zwart-wit. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep. Vaclav Smil is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Manitoba, Canada. Hij schreef meer dan veertig boeken over onderwerpen als energie, milieu, voedselproductie en voedselvoorziening, technische innovatie, risicobeoordeling en open-baar bestuur. Hij is Fellow van de Royal Society of Canada.

Tekst op website uitgever
Waarom wordt bijna al ons voedsel geproduceerd in landen waar de bevolking zelf ondervoed is? Waarom verspillen we zoveel voedsel en hoe kunnen we dat oplossen? Zou iedereen veganistisch moeten worden? En is dat een realistische optie?

Terwijl het debat over voedselproductie vaak gevoerd wordt op basis van meningen en gevoelens, kiest Vaclav Smil in dit boek voor een verfrissend kwantitatieve benadering. Hij vertelt waarom we sommige dieren wel eten en andere niet, hoe de mensheid door het succes van graan exponentieel kon groeien, en hoe we de uitdijende wereldbevolking kunnen blijven voeden met minder impact op de planeet.

Met de nieuwste wetenschappelijke feiten en cijfers maakt Vaclav Smil duidelijk hoe we het kapotte voedselsysteem kunnen repareren.

Fragment uit 1. Wat hebben we eigenlijk aan de landbouw te danken?
Waarom hebben we landbouw nodig? Waarom moeten we eenjarige en meerjarige gewassen verbouwen? Waarom bedekt akkerland bijna 40 procent van het ijsvrije land op aarde? Waarom houden we miljarden gedomesticeerde dieren? Het antwoord op al deze vragen is: omdat we met zovelen zijn. En zoals vaker het geval is met een toenemende kwantiteit, is het resultaat een ingrijpende verandering in kwaliteit.
  Onze soort scheidde zich meer dan 6 miljoen jaar geleden af van de andere primaten, en de evolutie leidde zo'n 300.000 jaar geleden tot het ontstaan van Homo sapiens, wijzelf dus. Zolang onze voorouders in kleine, ver uit elkaar liggende groepen leefden, konden ze op dezelfde manier overleven als hun voorgangers: als jager-verzamelaars. Hoewel het dieet van deze hominide soorten niet gedetailleerd in kwantitatieve grootheden kan worden gereconstrueerd (de beste hulpmiddelen die we tot onze beschikking hebben, zoals analyse van stabiele isotopen in bewaard gebleven botten en tanden, kunnen zulke precieze antwoorden niet geven), biedt het foerageren van chimpansees een realistisch model van hun kwalitatieve voedselinname. Hieruit kunnen we afleiden dat hominiden een grote variëteit aan planten ne kleine dieren aten door incidenteel aas te eten, gericht te jagen op kleinere prooien en af en toe zelfs kannibalisme toe te passen. (pagina 13)

Lees ook: Cijfers liegen niet : 71 dingen die je over de wereld moet weten (uit 2021) en Zo zit de wereld in elkaar : wat de wetenschap ons leert over het verleden, het heden en de toekomst (uit 2022).

Terug naar Overzicht alle titels


Winnie Sorgdrager

Zuurstof van de samenleving : waarom cultuur een regeringszaak is
De Geus 2024, 284 pagina's € 21,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl

Wikipedia: Winnie Sorgdrager (1948-)

Korte beschrijving
Een essayistische verhandeling over cultuurbeleid in Nederland. Het boek analyseert de complexe relatie die de Nederlandse samenleving heeft met cultuur. De auteur citeert een stroef subsidiesysteem, drastische bezuinigingen in 2011 en anti-elitaire sentimenten, met een forse vermindering van overheidsuitgaven in de culturele sector als gevolg. Het boek onderzoekt de historische wortels van deze problematiek en de impact op het cultuurbeleid. De auteur doet voorstellen voor een verbeterd cultuurbeleid, met de overtuiging dat cultuur essentieel is voor de identiteit van een samenleving en dat iedereen toegang moet hebben tot cultuur. Diepgaand en betogend geschreven. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep.  Winnie Sorgdrager (Den Haag, 1948) is jurist. Ze was minister van Justitie, Eerste Kamerlid en lid van de Raad van State, maar ook voorzitter van de Raad voor Cultuur. Ze is bestuurder en toezichthouder (geweest) van een flink aantal culturele organisaties. Ze schreef vele boeken.  Het boek maakt deel uit van de serie: 'Publieke ruimte'.

Tekst op website uitgever
Nederland en cultuur, het is geen gemakkelijk huwelijk. Dankzij een vastgelopen subsidiesysteem, de drastische bezuinigingen uit 2011 en anti-elitaire sentimenten in de samenleving geeft de overheid momenteel weinig geld uit aan deze zogenaamde linkse hobby.

In Zuurstof van de samenleving laat voormalig voorzitter van de Raad voor Cul­tuur Winnie Sorgdrager zien welke historische wortels er ten grondslag liggen aan het huidige ongemak, en welke gevolgen dat door de jaren heen heeft ge­had op het Nederlandse cultuurbeleid. Bovenal doet ze voorstellen voor een beter cultuurbeleid in een veranderend Nederland. Want cultuur is juist van groot belang voor de identiteit van een samenleving, reden waarom juist iedereen aan cultuur moet kunnen deelnemen.

Fragment uit Kunst en publiek
De vrijheid van de kunstenaar
Vanaf de Verlichting, de achttiende, negentiende eeuw, werd de individuele mens steeds belangrijker, de gemeenschap werd minder dominant. Voor de kunst was deze tendens een vruchtbare voedingsbodem: de autonome kunstenaar ging zelf zijn pad kiezen en liet zich minder aan de grenzen van de opdrachtgevers gelegen liggen. Hij kon de kunst scheppen waartoe hij zich genoodzaakt voelde. Dat leidde in de negentiende eeuw soms tot problemen. Want ook na de eerste periode van de Verlichting was in de negentiende eeuw de zedelijkheid een probleem voor de overheid. Eigenlijk was men heel preuts, in heel Europa. In Frankrijk stond Gustave Flaubert terecht voor vermeende obsceniteiten in zijn meesterwerk Madame Bovary, Baudelaire voor enkele gedichten uit zijn bundel Les Fleurs du Mal. Tot veroordelingen is het uiteindelijk niet gekomen (Baudelaire werd door het Cour de Cassation vrijgesproken) juist vanwege - ondanks de strenge moraal - de grotere vrijheid die in de kunsten, toen nog impliciet, werd geaccepteerd dan in niet-kunstuitingen. De rechter moest er echter wel aan te pas komen om dat te bevestigen. Sindsdien is de discussie over wat in de kunst geoorloofd is, niet verstomd. 
  De schilderijen van Gustav Klimt konden in Wenen aan het eind van de negentiende eeuw reken op afkeurende reacties. Van gechoqueerde burgers in dit geval. Grenzen werden niet zozeer door de overheid gesteld, mar door de bourgeoisie, die grote invloed had op wat wel en niet werd opgevoerd of tentoongesteld. In oktober 1917 werd door een kunsthandelaar in Parijs een solotentoonstelling van 32 werken van Amedeo Modigliani georganiseerd. Daaronder waren vijf naakten. Enkele uren na de opening werd de tentoonstelling beëindigd door een politie-inval. Het probleem was niet zozeer dat de vrouwen naakt waren - dat was immers niets uitzonderlijks in de kunst - maar dat Modigliani hun schaamhaar had geschilderd. Na verwijdering van deze schilderijen werd de tentoonstelling heropend. Maar het onheil was geschied: er werd geen enkel werk verkocht.
  In Nederland waren kunstenaars lange tijd minder geneigd tot het verkennen van grenzen dan in ons omringende landen. Tot het begin van de twintigste eeuw kende ons land bovendien een aantrekkelijk liberaal klimaat op het gebied van de zedelijkheid. Bij de gegoede burgerij was het niet ongewoon dat een man werd gestimuleerd naar een bordeel te gaan, opdat de echtgenote het thuis wat rustiger zou hebben. Bordelen waren niet verboden. Dat veranderde in het begin van de twintigste eeuw. Waarschijnlijk doordat de beschikbaarheid en productie van pornografie als gevolg van de technologische vooruitgang in zowel drukwerk als fotografie sterk toenam. Die grotere zichtbaarheid van seks in de maatschappij leidde tot protesten van christelijke zijde en daarmee tot de Wet tot bestrijding  van de zedeloosheid in 1911 van minister Regout (Rooms Katholieke Staatspartij). Tijdens de behandeling van deze wet stelde het Tweede Kamerlid Joseph Limburg van de Vrijzinnig Democratische Bond voor in het nieuwe pornografieartikel op te nemen dat een uitzondering gemaakt zou worden voor kunst en wetenschap. Zijn voorstel werd niet overgenomen, omdat het niet nodig werd gevonden: de rechtspraak erkende deze uitzondering al. Dat was overigens niet heel evident; de Nederlandse rechter had zich er nog nauwelijks over uitgesproken. Misschien dat hij refereerde aan een arrest van de Hoge Raad in 1908. Het ging daarbij over een aantal prentbriefkaarten met afbeeldingen van blote vrouwenborsten. Zonder vele omhaal van woorden volgde een veroordeling. De afbeeldingen waren 'verre van bevorderlijk voor kunstgenot of goede smaak'.  Geen kunst dus en geen goede smaak. De vraag of het om kunst zou gaan, was impliciet relevant. Ware het wel kunst geweest, dan had het een andere uitspreek kunnen opleveren.
  De terughoudendheid om een bepaling over 'vrijheid van kunst' in de wet op te nemen, is gebleven. (pagina 115-118)

Terug naar Overzicht alle titels


Gabriël van den Brink 2

De actualiteit van het archaïsche : tegen de moedeloosheid van de moderne tijd
Prometheus 2025, 710 pagina's € 44,99

Korte bio op website van Gabriël van den Brink (1950)

Korte beschrijving
Een diepgaand filosofisch boek waarin door de lens van evolutietheorie gekeken wordt naar het hedendaagse mensbeeld. Gabriël van den Brink onderzoekt in zijn boek de menselijke evolutie en bespreekt basale handelingen zoals voeden en vechten, maar ook geestelijke activiteiten die alleen bij mensen voorkomen, zoals spreken, schilderen en geloven. Het boek biedt een filosofische benadering van het menselijk bestaan en benadrukt hoe onze evolutionaire geschiedenis hedendaagse problemen beïnvloedt. Van den Brink wil lezers hiermee en inzicht en hoop bieden in een verwarrende wereld. Het boek bestaat uit vele korte, puntige paragrafen die elk een stelling of zienswijze bespreken. Zeer intelligent en gelaagd geschreven. Met illustraties, foto's en kaarten in kleur en zwart-wit. Uitsluitend geschikt voor een geoefende lezersgroep.  Gabriël van den Brink (1950) was hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan Tilburg University en werkte als gasthoogleraar wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit.

Tekst op website uitgever
Hoe verwarrender onze wereld wordt, des te groter het verlangen naar richting. En dat is precies wat Gabriël van den Brink in zijn nieuwe duiding van de menselijke evolutie beoogt. Met een magistrale blik overziet hij vele vormen van menselijk handelen, te beginnen bij lichamelijke, zoals voeden, vechten en zich voortplanten, die we met andere primaten gemeen hebben, tot meer geestelijke, zoals spreken, geloven en schilderen, die alleen bij mensen voorkomen. De actualiteit van het archaïsche geeft een filosofisch doordacht beeld van ons bestaan waarbij niet alleen duidelijk wordt hoe we van andere dieren verschillen, maar ook wat we ondanks alle spanningen met elkaar delen. Dat biedt houvast en hoop, door te laten zien dat de wereld ons niet slechts overkomt – ze hangt mede af van de manier waarop wij zelf al dan niet handelen. Veel problemen waarmee wij worstelen vloeien voort uit onze evolutionaire voorgeschiedenis. Aan ons de uitdaging om te komen tot een betere balans tussen datgene wat het moderne leven van ons vraagt en datgene wat we in het verre verleden ooit geworden zijn.

Gabriël van den Brink was hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan Tilburg University en werkte daarna als gasthoogleraar wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit. Eerder verscheen van hem bij Prometheus Ruw ontwaken uit een neoliberale droom (2020, 6de druk).

Fragment uit deel VI. Denkrichtingen
Inleiding

Modern verlangen naar zuiverheid * Laat ik kort stilstaan bij de manier waarop Bruno Latour de moderniteit opvat. Het cruciale punt is volgens hem dat modernisten een breuk met het verleden forceren zodat de geschiedenis in twee tijdvlakken wordt opgedeeld. De tijd vóór die breuk zou zich door duisternis en traditie kenmerken terwijl de tijd erna in het teken staat van waarheid en rationaliteit. Daaruit blijkt dat het moderne denken vooral zuiverheid nastreeft. Het maakt bijvoorbeeld onderscheid tussen natuur en cultuur hoewel die twee steeds op een hybride wijze door elkaar kopen. Dat bleek wel in de recente coronapandemie die je niet als een strikt natuurlijke of als een stikt sociale gebeurtenis kunt opvatten. Toch zet de moderne uitzuivering zich door. Terwijl de zeventiende eeuw slechts een verschil tussen natuur en maatschappij kende, sprak Hegel van een tegenspraak en Habermas over twee onvergelijkbare grootheden.

Actoren die op elkaar inwerken * Latour bestrijdt de aanspraken van dit moderne denken omdat er alleen gemengde realiteiten zijn. De nagestreefde zuiverheid heeft nooit bestaan en bijgevolg zijn wij nooit modern geweest. Dat blijkt zodra men zich als etnoloog in de werkelijke gang van zaken bij wetenschapsbeoefening verdiept. Dan ontdekt men dat onderzoeksobjecten niet alleen en fysieke of natuurlijke maar ook sociale, tekstuele, politieke, morele en andere gedaanten aannemen. Dan wordt eveneens duidelijk dat onze wereld allerminst onttoverd is. Ook het onderscheid tussen een modern Westen (dat ware kennis heeft) en andere werelddelen (die bijgelovig zijn) valt dan weg. Het betekent niet dat wetenschappelijke kennis slechts een illusie is. Het gaat erom dat we de productie van inzichten moeten begrijpen als een menselijke praktijk waarbij het vooral gaat om de interactie van actoren en netwerken.

Traditie en moderniteit vermengd * Hoewel ik de gedachte van Latour dat wij nooit modern zijn geweest ten dele onderschrijf, is zijn diagnose mij te gemakkelijk. Eigenlijk zegt hij dat de onderscheidingen of strevingen van het moderne denken er niet toe doen omdat de dingen in het werkelijke leven door elkaar lopen. De moeilijkheid is dat het moderne denken vaak van bovenaf wordt opgelegd en dat dit wel degelijk effecten heeft. Voorbeeld: het onderscheid tussen geslacht in biologische en gender in culturele zin mag dan modern zijn maar als het zich massaal verbreidt - zoals de afgelopen halve eeuw in het Westen is gebeurd - verandert het daadwerkelijk de omgang tussen man en vrouw. Het zal best kloppen dat traditionele en moderne denkbeelden telkens door elkaar lopen maar als invloedrijke instanties steeds de laatste aanhangen, dan leidt dat vroeg of laat tot spanningen. Dat is in elk geval de hoofdthese van dit laatste deel.

Onderzoek naar sociale spanningen * Een enkel woord over de ervaringen waarop deze gedachte berust. Ik heb - net als Latour overigens - zo'n veertig jaar onderzoek naar het moderne leven in Nederland achter de rug. Dat begon met een historische studie naar modernisering op lokaal niveau en breidde zich later uit naar problemen rond gezinsleven, agressieve jongeren, beroepsuitoefening, migranten en burgerschap. Daarbij werd ik getroffen door de incongruentie tussen de veelal traditionele voorkeuren of denkbeelden van gewone Nederlanders enerzijds en de wereld van moderne bestuurders anderzijds. Dat werd nog sterker toen ik als hoogleraar met tal van progressief denkende politici te maken had terwijl ik als lector aan de politieacademie veel sprak met de bewoners van zogeheten probleemwijken. Sinds die tijd weet ik dat het contrast tussen traditionele en moderne levenswijzen een heel reële kwestie is.

Voortschrijden van de beschaving? * Dat brengt ons bij de filosofische vraag of vooruitgang überhaupt bestaat. Hegel was een van de denkers die deze vraag positief beantwoordden. Hij begreep de westerse geschiedenis als een stapsgewijze ontvouwing van de geest en stelde dat daarbij een steeds hoger niveau van beschaving wordt bereikt. Hoewel het de afzonderlijke individuen, volken en staten zijn die handelen, is vooruitgang vooral merkbaar op het niveau van de wereldgeschiedenis in haar geheel. Daarbij wordt het oordeel over afzonderlijke actoren bepaald door hun bijdrage aan het proces waarin de geest zich realiseert. De list van de rede impliceert dat ze zich daar niet altijd bewust van zijn. Maar wat zich doorzet als historische realiteit zal altijd een zekere redelijkheid hebben. Hoewel sommigen dat als een verheerlijking van de Pruisische staat lezen, is de strekking van Hegels filosofie in mijn ogen onmiskenbaar progressief. (pagina 459-461)

Lees ook: Ruw ontwaken uit de neoliberale droom en de eigenheid van het Europese continent (uit 2020).

Terug naar Overzicht alle titels


René van Stipriaan

Afscheid van het oude Nederland : kunnen we onze democratie nog redden?
Querido 2025, 184 pagina's  € 17,50

Wikipedia: René van Stipriaan (1959)

Korte beschrijving
Een maatschappijkritische analyse van de huidige politieke stand van zaken in Nederland, met speciale aandacht voor de invloed van populisme op de Nederlandse democratie. René van Stipriaan bespreekt de afname van welvaart in Nederland sinds de jaren 80, toen de verzorgingsstaat werd ingeperkt en privatisering van nutsbedrijven aansloeg. Het groeiende populisme kreeg in 2023 een centrale rol in de politiek, met gevolgen voor de rechtsstaat, cultuur, wetenschap, journalistiek, economie en de levens van duizenden immigranten. Van Stipriaan benadrukt de noodzaak van samenwerking in een geglobaliseerde, alsmaar complexere wereld. Het boek roept op tot actie om de democratie te redden te midden van deze uitdagingen, hoe moeilijk dat ook is. Vaardig en met diepgang geschreven. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep.  René van Stipriaan (Heerhugowaard, 1959) is een Nederlands cultuurhistoricus. ‘De zwijger’,* zijn biografie van Willem van Oranje, werd bekroond met de Libris Geschiedenis Prijs 2022 en de Nederlandse Biografieprijs 2022. Hij schreef vele boeken.

Tekst op website uitgever
Na decennia waarin Nederland bloeide, braken omstreeks 1980 jaren aan waarin het opeens anders moest. De verzorgingsstaat was te groot: nutsbedrijven werden geprivatiseerd, de sociale vangnetten werden minder stevig. Niet iedereen deelde meer mee in de weelde.

Het populisme bleek vervolgens een electoraal wondermiddel voor politieke avonturiers en bleef groeien. Na de verkiezingen van 2023 kwamen populisten zelfs in het middelpunt van de macht. De rechtsstaat, de cultuur, de wetenschap, de journalistiek, de economie en niet te vergeten vele duizenden immigranten worden er rechtstreeks door bedreigd.

In Afscheid van het oude Nederland analyseert René van Stipriaan de diepere oorzaken van de ontevredenheid en de onverdraagzaamheid. Hij maakt pijnlijk duidelijk dat Nederland het niet meer alleen kan redden: de wereld is – door globalisering, digitalisering en doorgeschoten belangenpolitiek – zo complex en zo bedreigend dat we verbinding moeten zoeken met anderen die een beschaafde weg uit de chaos willen vinden.

Afscheid van het oude Nederland beschrijft bovendien een politieke cultuur die zichzelf en de bevolking in het ongerede heeft gebracht. Dat het uur van de waarheid komt op een moment dat de wereld in brand begint te vliegen, maakt het niet eenvoudiger om hier iets aan te doen. Maar het zal moeten.

Fragment uit 6. Wat valt er te lachen? Veertien jaar Rutte
Het eerste kabinet Rutte viel in april 2012 nadat de PVV niet had willen tekenen voor extra bezuinigingen. Het was voor Rutte aanleiding om Wilders en diens partij in de ban te doen. Op datzelfde moment begon Rutte de jacht in te zetten op de kiezers van Wilders. Kiezers die in 2010 vanaf de linkerzijde een heel eind, onder het brede midden door, naar extreemrechts waren gezwommen; Rutte hoopte nu, door Wilders de schuld te geven van de breuk, deze kiezers uit diens vijver te kunnen opvissen. Deze benadering moest de VVD groter maken dan ze ooit was geweest.
  Alleen met deze strategie in het achterhoofd vallen de gebeurtenissen in het decennium dat volgde enigszins te begrijpen. De VVD kwam in een complex dubbelspel terecht, en de taal die Rutte daarin bezigde was onvervalste newspeak, in de nest orwelliaanse betekenis van het woord. Het ene zeggen, het andere bedoelen, en doen alsof daar geen tegenstelling tussen bestaat: 'War is peace, freedom is slavery, ignorance is strength', aldus het ministerie van Waarheid in Nineteen Eighty-Four. Als voorbeeld een klein, reeds lang vergeten voorval uit het kabinet-Rutte 1. het ging over de Nederlandse Kunduz-missie in Afghanistan. Minister van Defensie, Hans Hillen had in Vrij Nederland deze operatie een 'militaire missie' genoemd, en dat was het voor een belangrijk deel ook. Hij kreeg een woedende Rutte aan de telefoon; Hillen kon zijn ontslagbrief gaan schrijven. Want het was een 'politietrainingsmissie'; die naam had ze gekregen om in de Tweede kamer de noodzakelijke steun van GroenLinks te verwerven. Hillen hoefde uiteindelijk geen ontslag te nemen, maar ging in de Tweede Kamer door het stof. Wie er oog voor had, zag dit procedé in de Ruttejaren steeds opnieuw in allerlei varianten herhaald worden. En dat alles voor de goede verstaander, namelijk de harde kern van de VVD, de kleine zelfstandigen, het midden- en kleinbedrijf en het grote bedrijfsleven, en een grote groep gepensioneerden, die het land nog hadden opgebouwd, goed hadden geboerd en aanspraak maakten op hun eigen zorgeloosheid.
  Ondernemers wisten dat wanneer Rutte een of andere maatregel probeerde door te drukken, hij luid verkondigde dat hierbij 'onze banen' op het spel stonden, alsof het hem om het lot van de werknemers ging, maar dat hij vooral bezig was mooie dingen voor het bedrijfsleven te regelen. Rutte werd over deze strategie bijgepraat door figuren die je zelden op de voorgrond zag, zoals Ben Verwaayen, groot geworden in de telecomsector, of Niek Jan van Kesteren, die jarenlang directeur van VBO-NCW was. Ook de toenmalige CEO van Shell, Ben van Beurden, kon zonder kloppen binnen in het Torentje. Als ze Rutte jaren achter elkaar allerlei lelijks over de EU hoorden verkondigen, wisten ze dat hij tegelijkertijd bezig was in Europa voor het Nederlandse bedrijfsleven profijtelijke regelingen tot stand te brengen. De kroon op dit werk was de omgang met immigranten door de opeenvolgende kabinetten-Rutte. Asielzoekers werd het leven steeds zuurder gemaakt; opvangcentra werden bij een afname van de toestroom gesloten, ze werden niet als reservecapaciteit aangehouden, maar afgestoten, waardoor er bij de geringste toename meteen een probleem ontstond. Het opvangcentrum Ter Apel vlak bij de Duitse grens werd het symbool van het harde asielbeleid van Rutte. En het ging al snel alleen nog maar over asielzoekers. En zo wilde Rutte het graag hebben. Ter Apel bewees, met alle wantoestanden die daar door journalisten vastgelegd werden, dat de kabinetten-Rutte heel toegewijd bezig waren om buitenlanders zo snel mogelijk weer het land uit te werken, door het hun niet te veel naar de zin te maken. Gematigde politici die zeiden dat het wel wat humaner kon, laadden de verdenking op zich de grenzen 'wijd open te willen zetten'. (pagina 99-101)

Terug naar Overzicht alle titels

vrijdag 24 januari 2025

Irene Vallejo 2

Uit liefde voor het lezen : een pleidooi
Meulenhoff 2025, 55 pagina's € 15,--

Oorspronkelijke titel: Manifesto por la lectura (2020)

Wikipedia: Irene Vallejo (1979-)

Korte beschrijving
Een kort (55 pagina’s) pleidooi voor het belang van literatuur. Schrijver en filoloog Irene Vallejo onderzoekt in dit boek in negen korte hoofdstukken het veelzijdige belang van literatuur. Zo gaat ze in op de link tussen literatuur en empathie, het belang van oude en nieuwe ideeën voor de democratie en de waarde van literatuur als tegenhanger van de gejaagde digitale wereld. Ze beschrijft het grote belang van bibliotheken, ook in plattelandsgemeenten, en het lezen op school. De bladzijden hebben een zeer ruime bladspiegel. Erudiet en bevlogen geschreven, met enkele poëtische beelden. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep.  Irene Vallejo (Zaragoza, 1979) is een Spaanse schrijver en filoloog. Ze is auteur van twee romans en een aantal kinderboeken en heeft wekelijkse columns in El País en Heraldo de Aragón. Ze schreef eerder onder ander ‘Papyrus’ (2021), haar eerste non-fictieboek.

Tekst op website uitgever
In haar bevlogen pleidooi wijst Vallejo ons op het tijdloze belang van lezen. Ze benadrukt dat lezen geen passieve activiteit is, maar juist een meeslepende ervaring, die onze zintuigen stimuleert en ons de wereld en onze medemens beter leert begrijpen. Literatuur speelt een cruciale rol in ons empathisch vermogen en kritisch denken en is essentieel voor het functioneren van een gezonde democratie. Vallejo’s meeslepende proza bewijst direct haar punt: literatuur is in staat een diepgaande invloed te hebben op iedereen.

We leven in een tijd van verandering, onzekerheid en afleiding door een digitale parallelle wereld. Irene Vallejo betoogt dat we daarom juist nu inzicht en troost kunnen vinden in boeken, in teksten uit het verleden die ons eraan herinneren dat niets wat we tegenkomen voor het eerst gebeurt. In het geheugen dat vastgelegd is in boeken, herkennen we menselijke ervaringen. Hierdoor zijn we in staat ons met elkaar verbonden te voelen. Het zijn taal en creativiteit die ons in tijden van crisis en verandering hoop kunnen geven.

Irene Vallejo (1979) studeerde klassieke literatuur aan de universiteiten van Zaragoza en Florence. Ze is de auteur van twee romans en een aantal kinderboeken. Daarnaast geeft ze lezingen en beschrijft ze in haar wekelijkse columns in El País en Heraldo de Aragón haar liefde voor de klassieke oudheid. Papyrus was haar eerste non-fictieboek en een wereldwijde bestseller. De vertaalrechten zijn aan meer dan dertig landen verkocht. Ook haar roman Elyssa verscheen bij Meulenhoff.

Fragment uit V. Bizarre ideeën
Boeken, vehikels van ons geheugen in staat om de toekomst te sturen, sproten niet voort uit een plotselinge inspiratie; ze waren een uitvinding waar al langer naar verlangd en gezocht werd. Door de eeuwen hen werkten tal van briljante geesten aan verbeteringen, en ze verkenden met hun vernuft de mogelijkheden ervan. De zo begeerde drager van het schrift moest tegelijk klein, licht, hanteerbaar, draagbaar en - in de stoutste dromen - ook nog duurzaam zijn. Een ding dat het mogelijk zou maken om te lezen met je handen, dat je in een zadeltas zou kunnen stoppen, dat je op reis zou kunnen meenemen - en het kalme tegendeel daarvan: dat je zou kunnen opbergen in kasten. Een robuust ding bestand tegen de tand des tijds en de vernielzuchtige vingers van kinderen. Een eenvoudig voorwerp dat de meest complete kennis kon bevatten. Draagbare wijsheid om te bewaren in een kist of onder je kussen, om uit te lenen aan een vriend en om ons te vergezellen op een avontuurlijke reis van het ene land naar het andere. Dankzij dat gedroomde voorwerp zouden de verhalen van ouders passen in de rugzak van hun kinderen, samen met herinneringen en overgeërfde hoop. Als iets wat perfectie benadert zijn boeken de reddingsboten voor onze taalschat in de stormen van de tijd. 
  In die kluizen bestaand uit pagina's hebben we onze beste gedachten opgeborgen.
Hadden we die niet gehad, dan zouden we misschien de handvol stoutmoedige Grieken zijn vergeten die zich in een gevaarlijk experiment van collectieve verantwoordelijkheid stortten dat ze 'democratie' noemden. En de hippocratische artsen die de eerste gedragscode uit de geschiedenis opstelden, waarin ze beloofden eenieder te helpen die hulp nodig had: 'Sta stil bij de middelen waarover je patiënt beschikt. En als je de mogelijkheid hebt om iemand te helpen die in geldproblemen zit verleen diegene dan volledige bijstand.' En Plato, die in De staat eiste dat vrouwen toegang kregen tot bestuurlijke taken en alle andere ambachten:

Geen enkel functie in het bestuur van de staat is voorbehouden aan de vrouw omdat zij een vrouw is, net zoals dat geldt voor de man als zijnde man; de natuurlijke gaven zijn gelijkelijk over beide geslachten verdeeld, en de vrouw deelt uit die aard mee in alle functies, net zoals de man.

Of de wetboeken van de Romeinen - rare jongens -, die het model leverden voor ons idee van burgerschap. Quintilianus, een onderwijzer geboren in het huidige Calahorra, die zich uitsprak tegen de vernederende straffen op school en stelde dat leergierigheid slechts afhangt van de wil, 'waar geen ruimte is voor geweld'. Of die christen geboren in Syrië, Paulus van Tarsus, die misschien het eerste betoog over gelijkheid hield toen hij zei: 'Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrije mensen, mannen of vrouwen.'
  De kennismaking met wat onze voorouders allemaal hadden bedacht inspireerde ons tot zulke vergaande ideeën in het dierenrijk als mensenrechten, democratie, vertrouwen in de wetenschap, vrijheid, volksgezondheid, leerplicht, het belang van een eerlijk proces en de zorg voor de zwakkeren in de samenleving.
Wie zouden we vandaag de dag zijn zonder die ideeën? (pagina 31-34)

Lees ook: Papyrus : een geschiedenis van de wereld in boeken (uit 2021).

Mounir Samuel 2

Nederland voor de Nederlanders : mijn antwoord op (extreem)rechts
Nieuw Amsterdam 2024, 205 pagina's  € 17,99

Wikipedia: Mounir Samuel (1989)

Korte beschrijving

Tekst op website uitgever
Welkom in Nederland voor de Nederlanders. Een land waar steeds minder mensen thuis horen, zich thuis voelen of een thuis vinden. Want wie is die Nederlander, en wie bepaalt dat?

Nederland voor de Nederlanders laat zien hoe de samenleving verhardt, de ongelijkheid groeit en de pijlers van onze democratie en rechtstaat wankelen. Het gaat niet goed met Nederland, en Nederland doet geen goed. Nu (extreem)rechtse politici in het centrum van de macht zijn beland, dreigt ons land aan zichzelf ten onder te gaan. In dit persoonlijke en politieke boek ontwart politicoloog Mounir Samuel de kluwen waarin we verstrikt zijn geraakt, geeft hij antwoorden op deze tijd en wijst hij de weg naar een land dat hoop brengt en leven geeft. Een Nederland voor alle Nederlanders.

Fragment uit (het) Woord vooraf
Welkom in Nederland voor de Nederlanders. Een land waar steeds minder mensen thuishoren, zich thuis voelen of een thuis mogen vinden. Tot het punt dat ik en vele anderen met mij Nederland definitief willen verlaten.
  Maar zomaar vertrekken doe ik niet. Daarom dit boek, of manifest.
  Over wie die Nederlanders eigenlijk zijn, of mogen zijn en bovenal wie nooit Nederlander mochten of mogen worden.

  Over welk land we nog zijn en wat er nog van Nederland over is voor die Nederlanders aan wie dit land wél zou toebehoren. 


  En over hoe we volledig aan onszelf ten onder dreigen te gaan en wel zo dat er straks geen Nederland meer over is om Nederlander in te zijn. Als we zo doorgaan, worden we een volk zonder land. Nederlanders zonder Nederland.
  Ik zal in dit boek bij vlagen persoonlijker zijn dan ik ooit ben geweest. Dat doe ik omdat ik met de teloorgang van dit land bijzonder weinig te verliezen heb, maar ook omdat ik hoop hiermee eindelijk invoelbaar te maken wat het werkelijk betekent om nooit volledig thuis in eigen land te mogen zijn.
  Tegelijk ben ik in dit boek politieker dan in eerder werk. Als politicoloog zijn het even fascinerende als verontrustende tijden. Het vaste fundament van onze democratie en rechtstaat toont steeds grotere scheuren. De zuilen van de trias politica en onafhankelijke pers trillen vervaarlijk. Het demonstratierecht en de rechterlijke bescherming blijken holle muren. Mensenrechten en internationale verdragen zijn steeds vaker loos papierwerk.
  Ik ben me ervan bewust dat weinigen de werkelijke betekenis en inhoud van deze abstracte begrippen kennen. Daarom zal zo duidelijk mogelijk uitleggen wat deze veelgebruikte en misbruikte termen betekenen en hoe de vrijwel dagelijkse ondermijning ervan er concreet uitzien.
  Dit boek gaat bij uitstek over Nederland. Het gaat ook over Gaza. De genocide aldaar legt pijnlijk bloot waar ons land voor staat, om draait en nu vooral op dreigt te vallen; te weten vrede en recht, de rechtstaat en de rechtspraak, onze internationale positie ne het belang van Internationale verdragen. Op geen andere kwestie lijken het systeem en de samenleving meer met elkaar in botsing. Daar waar er nog enig vertrouwen was in politieke representatie of onafhankelijke verslaglegging, is daar bij velen sinds 7 oktober 2023 nauwelijks tot niets van over. Gaza toont ons het absolute morele failliet van Nederland, waar 'nooit meer' 'alweer' en 'nog steeds' bleek, en legt tegelijk de onverschilligheid bloot van zovelen die liever zwijgen en wegkijken. Ik kan geen van beide en wie dit boek leest kan dan nadien ook niet meer, daarvan ben ik overtuigd. Al was het maar omdat met elke dode daar ook de ziel van ons lands steeds verder sterft.
  Ik toon wellicht een Nederland waar sommigen zich niet direct zullen herkennen. Anderen zullen de rol en impact van datzelfde Nederland misschien niet willen erkennen. Dat is begrijpelijk, wanneer zij wél door de politiek en samenleving als gewenste Nederlanders worden beschouwd. De waarheid is dat ik zelf al even hard met mijn woorden worstel. Kan ik dit schrijven?  Mag ik dit schrijven? Lijk ik nu net zo verzuurd als ons eigen grondwater? Zie ik het verkeerd?  Ben ik te hard? Wekenlang lag ik piekerend in bed over mijn eigen tekst. Maar het is zoals Jezus sprak: 'de waarheid zal u kennen en de waarheid zal u vrijmaken' (Johannes 8:32). In die ongemakkelijke maar bevrijdende waarheid wil ik staan en nog één keer de strijd aangaan, als Nederlander voor Nederland. (pagina 9-11)

Lees ook: Jona zonder walvis : een profetie voor Nederland (uit 2022)

Terug naar Overzicht alle titels