maandag 31 januari 2022

Valerie Trouet

Wat bomen ons vertellen : een geschiedenis van de wereld in jaarringen
Lannoo 2020, 296 pagina's € 22,99

Oorspronkelijke titel: Tree story : the history of the world written in rings (2020)

Wikipedia: Valerie Trouet (1974)

Korte beschrijving
Auteur Valerie Trouet (1974) is een Belgische dendroklimatoloog, verbonden aan de University of Arizona (VS), die klimaatverandering bestudeert aan de hand van jaarringen van bomen. In zestien hoofstukken neemt ze de lezer mee naar bijzondere plekken over de hele wereld. Zij beschrijft veldonderzoek bij de oudste bomen van de wereld, maar doet ook jaarringonderzoek bij archeologische vindplaatsen. Haar manier van vertellen is fijn en gemakkelijk om te lezen en op haar reis legt ze verbazende verbanden, zoals het verband van Farao's en vulkanen. Het onderzoek loopt van de oudste houtvondsten, negenduizend jaar voor onze jaartelling, tot aan het heden. De rode draad in dit boek is de geschiedenis van houtgebruik, ontbossing en de klimaatverandering aan de hand van jaarringen. Dit onderzoek geeft een goed inzicht om de klimaatcrisis te begrijpen. Een bijzonder en nuttig boek. De tekst is aangevuld met foto's en diverse figuren in zwart-wit. Op het uitklapbare omslag een overzichtskaart en een tijdlijn. Achterin o.a. een boomsoortenlijst, verklarende woordenlijst, bibliografie en register.

Tekst op website uitgever
Als je wilt weten hoe oud een boom is, moet je zijn ringen tellen. Maar die jaarringen kunnen je veel meer vertellen dan dat. Dendrochronologie, de wetenschappelijke studie van jaarringen, levert een niet te onderschatten bijdrage aan ons begrip van de klimaatgeschiedenis van de aarde, de invloed ervan op de menselijke beschavingen in de afgelopen tweeduizend jaar en de complexe interactie tussen mens en natuur.

In dit meeslepende boek neemt topwetenschapper Valerie Trouet je mee op een reis rond de aarde, van haar lab in Arizona tot afgelegen dorpen in Afrika en radioactieve bossen in Rusland. Aan de hand van verrassende verhalen zoals hoe zonnevlekken piraten beïnvloeden, het geheim achter het imperium van Dzjengis Khan, het verband tussen de Egyptische farao's en vulkanen, ja zelfs de rol van olijven in de val van het Romeinse Rijk laat ze zien hoe de studie van bomen ons ontzettend veel kan leren over de mens, zijn geschiedenis en zijn toekomst.

'Ik ben een dendroklimatoloog. Aan de hand van jaarringen bestudeer ik het klimaat uit het verleden en de invloed ervan op ecosystemen en samenlevingen. In dit boek wil ik ook de verhalen van mijn collega-dendrochronologen meenemen en tonen hoe de dendrochronologie zich vanuit haar nederige begin heeft ontwikkeld tot een van de belangrijkste instrumenten om de complexe interacties tussen bossen, mensen en het klimaat te bestuderen. De rode draad in dit boek is de geschiedenis van houtgebruik en ontbossing, die dendrochronologen in staat heeft gesteld het verleden te bestuderen en een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid van onze planeet in de toekomst.

De reis verloopt via allerlei omwegen en zit vol verrassingen. Ik spreek over houtcellen die kleiner zijn dan de diameter van een mensenhaar en over straalstromen die op dezelfde hoogte als vliegtuigen over het hele noordelijk halfrond razen. Ik verbind die twee met elkaar door middel van verhalen over piraten, marsmannetjes, samoeraikrijgers en Dzjengis Khan. Kortom: ik vertel jaarringverhalen die mij fascineren. Waarom? Omdat ik denk dat er behoefte aan is in het huidige klimaat van wantrouwen en onverschilligheid jegens wetenschappelijke ontwikkelingen. Ik hoop dat u in het beste geval een kleine tinteling van opwinding voelt wanneer u iets nieuws opsteekt uit dit boek. Het is dezelfde tinteling die ons wetenschappers prikkelt om door te gaan met ons werk.'

Prof. dr. Valerie Trouet bestudeert al meer dan twintig jaar de klimaatverandering aan de hand van jaarringen van bomen. Wereldwijd wordt ze erkend als een van de topexperts op het vlak van dendrochronologie. Ze is verbonden aan het Laboratory of Tree-Ring Research van de University of Arizona (VS) en publiceerde eerder onder meer in Nature en Science. In 2020 heeft zij de Jan Wolkersprijs gewonnen met haar boek Wat bomen ons vertellen.

Fragment uit 16. Door de bomen het bos
Om de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van fossiele verbranding te compenseren zouden we de aanhoudende ontbossing tot een minimum moeten beperken en op een wereldwijde schaal nieuwe bossen moeten aanplanten. Er valt iets te zeggen voor deze strategie: bossen zijn niet vervuilend en ze produceren goederen en diensten, zoals hout en ecotoerisme, die op een duurzame wijze kunnen worden beheerd. Ook zou het versterkte broeikaseffect onze pogingen om nieuwe bossen aan te planten weleens een duwtje in de rug kunnen geven. Naarmate de temperaturen wereldwijd stijgen, worden grote gebieden die voorheen te koud waren voor bomen nu misschien geschikt voor het aanplanten van bossen. Goede voorbeelden hiervan zijn de Noord-Amerikaanse en Russische poolgebieden, waar ruim voldoende land voor nieuwe bossen is en waar de opwarming twee tot drie keer sneller verloopt dan gemiddeld wereldwijd. Op zulke hoge breedtegraden wordt het groeiseizoen bovendien door de hogere temperaturen verlengd, wat de mogelijkheden voor bossen om koolstof op te nemen verder vergroot. Ten slotte doen sommige wetenschappers onderzoek naar de mogelijke toekomstige rol van CO2-fertilisatie, waarbij planten meer fotosynthese verrichten en meer koolstof uit de atmosfeer halen naarmate de concentratie koolstofdioxide in de atmosfeer stijgt. CO2-fertilisatie werkt ongeveer zoals mijn hond Roscoe: als ik een klein kommetje eten voor Roscoes neus zet, eet hij alles en blijft hij gezond; als ik een grote kom voor zijn neus zet, eet hij nog steeds alles op en wordt hij steeds dikker. De CO2-fertilisatietheorie gaat ervan uit dat bomen net als Roscoe weinig zelfbeheersing kennen.


  Helaas vraagt de oplossing voor het probleem van de door de mens veroorzaakte klimaatverandering om meer dan alleen maar de aanplant van meer bomen. Het is uiterst riskant om miljoenen jaren aan opgespaarde koolstof van fossiele brandstoffen in korte tijd toe te voegen aan de koolstofcyclus en er vervolgens op te vertrouwen dat de huidige en toekomstige bossen het eruit kunnen halen. Er schuilen veel adders onder het gras. Op de eerste plaats hebben bossen behalve koolstof ook ruimte, water en voedingsstoffen als stikstof en fosfor nodig. De behoefte aan water en voedingsstoffen kan de CO2-fertilisatie verminderen: hoeveel extra koolstof de bomen ook krijgen, als de hoeveelheid water en stikstof gelijk blijft, zal de fertilisatie beperkt zijn. Bovendien zijn nieuwe bossen een concurrent voor de voedselproductie omdat ze met elkaar moeten vechten om land, water en voedingsstoffen. We kunnen niet de hele planeet vol bomen zetten zonder te falen in het voeden van de 7,5 miljard mensen die erop wonen. Zelfs in gebieden die geschikter zijn voor het kweken van bomen dan voor het telen van rijst of aardappelen kan aanplant onbedoelde gevolgen hebben. Doordat de poolstreken groener worden, zullen bijvoorbeeld grote gebieden van sneeuwwit in donkergroen veranderen, waardoor ze minder inkomende zonenstraling terugkaatsen en ze de opwarming versterken die het gevolg is dan de straling. Dan moeten we nog rekening houden met verstoringen van het bos. Decennia of zelfs eeuwen van zorgvuldig geplande bosaanwas en koolstofonttrekking kunnen in één klap teniet worden gedaan als een orkaan aan land komt, als een droogteperiode aanbreekt of als een natuurbrand het bos teistert. Ziekten kunnen als een lopend vuur door bossen verspreiden en bomen doden, waarmee ook hun vermogen om koolstof aan de atmosfeer te onttrekken, verdwijnt. Denk bijvoorbeeld aan kastanjekanker, die wordt veroorzaakt door een ziekteverwekkende schimmel die in het begin van de twintigste eeuw per ongeluk in de Verenigde Staten is geïntroduceerd. Door deze ziekte hebben Amerikaanse kastanjes (Castanea dentata) in hoog tempo en massaal het loodje gelegd. (pagina 262-263)

Boeken over onze nieuwe omgang met niet-dieren en dingen

Terug naar Overzicht alle titels

zaterdag 29 januari 2022

Cody Hochstenbach

Uitgewoond : waarom het hoog tijd is voor een nieuwe woonpolitiek
Das Mag 2022, 347 pagina's € 24,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Website Cody Hochstenbach (1989)

Korte beschrijving
Cody Hochstenbach (1989) is als stadsgeoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. De wooncrisis, waarvan velen het slachtoffer zijn, is het thema van dit boek. Hochstenbach weerlegt een aantal mythen, die over de huidige woonpolitiek in omloop zijn. Zo zou een moderne en welvarende natie voor het overgrote deel uit woningbezitters moeten bestaan. Ook het beleid van veel woningbouwverenigingen, die veel sociale huurwoningen verkochten, klaagt hij aan. Hij wil aantonen dat deze wooncrisis geen natuurverschijnsel of een bedrijfsongeval is, maar het gevolg van doelbewuste politieke keuzes. Het huidige beleid heeft de huurprijzen torenhoog opgeblazen, heeft de volkshuisvesting gemarginaliseerd en de beleggers veel bewegingsvrijheid gegeven. Hochstenbach pleit in dit indringende boek voor een andere woningpolitiek. Met verwerking van eigen ervaringen en voorzien van vele grafieken. Bestemd voor allen met enige voorkennis die in deze problematiek geïnteresseerd zijn.

Tekst op website uitgever
'Huur je of heb je je huis gekocht?' en 'Kijk nou hoeveel ze vragen voor dit minuscule studio-appartement!' In zo'n beetje elk gesprek komt het ter sprake: de wooncrisis.

Huizenprijzen die in heel Nederland door het dak gaan, onbetaalbare huren voor niet meer dan een kippenhok zonder ramen of balkon. Veel mensen zijn gedwongen zich erbij neer te leggen dat ze hun droomhuis niet meer kunnen betalen. En ook niet een betrekkelijk gewoon huis eigenlijk.

Daarbij hebben honderdduizenden huishoudens iedere maand opnieuw moeite de huur te betalen. Jongeren blijven daarom noodgedwongen bij hun ouders wonen, of keren daar als boemerangkind terug. En het aantal dakloze mensen? Dat is de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. Stadsgeograaf Cody Hochstenbach laat op basis van jarenlang onderzoek zien dat het fundamentele recht op een betaalbaar, passend, gezond en veilig thuis steeds minder vanzelfsprekend is. De huidige woningmarkt werkt niet voor iedereen. Sterker nog, het vergroot juist de ongelijkheid - tussen arm en rijk, jong en oud, huurder en koper.

Uitgewoond legt de structurele oorzaken van deze wooncrisis bloot. De torenhoge woningprijzen en huren zijn geen stom toeval. Decennialange neoliberale politiek is verantwoordelijk voor de huidige malaise; politici en beleidsmakers zijn geobsedeerd door woningbezit en betaalbaar huren staat laag op hun prioriteitenlijst.

Willen we het tij keren, dan moeten we breken met deze woonpolitiek. Hochstenbach laat ons - onderbouwd en vurig - zien waarom we het recht op een thuis keihard moeten verdedigen.

Cody Hochstenbach (1989) is stadsgeograaf aan de Universiteit van Amsterdam. Hij groeide op in een bloemkoolwijk in Maastricht en maakte als middelbare scholier al een persoonlijke wooncrisis mee: toen kwam zijn vader op straat te staan nadat hij zijn winkel met bovenwoning verloor. Tegenwoordig woont Cody in een huurappartement in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost en spreekt hij zich tegenover een breed publiek fel uit over de wooncrisis - op Twitter, Tegenlicht en in zijn columns voor RTL Nieuws. In 2019 ontving hij de prestigieuze NWO Veni-beurs om onderzoek te doen naar beleggers op de Nederlandse woningmarkt.

Fragment uit Mythe 3. Het is nu eenmaal de markt die de hoge huizenprijzen dicteert
Pyromanen

Sinds 2013 stijgen de huizenprijzen tot ongekende hoogte. Zeker in de grote steden is de krapte alleen maar toegenomen. Voor een groeiende groep mensen zijn de huidige prijzen simpelweg onbetaalbaar.

We weten dat de huizenprijzen in belangrijke mate worden bepaald door de financieringsruimte. Verruiming van de hypotheken zal er simpelweg toe leiden dat mensen meer geld gaan lenen en meer gaan betalen voor dezelfde huizen. Het subsidiëren van woningbezit wakkert de vraag naar koophuizen aan en zal zich vertalen in hogere huizenprijzen. Een daling van de rentes zal ervoor zorgen dat meer eigen kapitaal de woningmarkt op gesluisd wordt, met wederom hogere prijzen tot gevolg.

De politieke opdracht is dan ook duidelijk. Om de prijzen in rustiger vaarwater te brengen is het noodzakelijk de geldkranen dicht te draaien. Concrete maatregelen zijn het beperken van de hypotheekverstrekking, het stopzetten van subsidies op woningbezit, het belasten van woonvermogen, en het ontmoedigen van beleggers en speculanten.

De politieke reflex is precies het tegenovergestelde. De politiek kiest keer op keer voor maatregelen die het vuurtje alleen maar aanwakkeren. Dan verruimen ze bijvoorbeeld de leennormen die de prijzen zullen opdrijven. Terwijl ons huis in brand staat en de vlammen om zich heen slaan, gedraagt politiek Den Haag zich regelmatig als een pyromanenploeg die de brand probeert te blussen door meer olie op het vuur te gooien.

Halverwege 2020 stemde de volledige Tweede Kamer in met het voorstel om zogeheten 'duurhuurhypotheken' te introduceren. Alle honderdvijftig Kamerleden, van links tot extreemrechts, vonden dit blijkbaar een goed idee. De duurhuurhypotheek moet het makkelijker maken voor huurders met een te hoge huur om tegen lagere lasten een woning te kopen. Ook ik hoor regelmatig van mensen dat zij zich verwonderen over het feit dat ze wel 1200 euro per maand aan huur mogen betalen, maar geen hypotheek van 1000 euro kunnen afsluiten. Dat klinkt inderdaad krom. Deze ontevreden huurders willen graag een hypotheek kunnen afsluiten zodat ze niet langer afhankelijk zijn van huisjesmelkers die hen tot de laatste cent uitknijpen. Kan het betalen van een hoge huur niet dienen als bewijs dat je een hypotheek ook wel aankunt?

Het idee klinkt sympathiek maar is uiteindelijk contraproductief. Het zal alleen maar zorgen voor meer vraag naar koophuizen, gefinancierd met meer hypotheekschuld. Zowel in theorie als in de praktijk zijn er inmiddels bakken aan bewijs dat dit een uiterst effectieve manier is om de huizenprijzen nog verder op te jagen, waar woningzoekenden uiteindelijk alleen maar last van hebben. Een maximale hypotheek is ook bijzonder risicovol als je daarvoor niet genoeg geld overhoudt voor overige lasten en noodzakelijk onderhoud, kosten die je als huurder veelal niet hoeft te maken. Nederland is al hypotheekschuldenkampioen. Niet de beperkt leencapaciteit maar de hoge woekerhuur is hier het probleem. Daar moet de oplossing zich op richten. (pagina 96-98)

Lees vooral ook: Hoe ik huisjesmelker werd : over woonarmoede en ongelijkheid van Hans de Geus (uit 2021)



Terug naar Overzicht alle titels

vrijdag 21 januari 2022

Anne Sverdrup-Thygeson

Op de schouders van de natuur : hoe tien miljoen soorten onze levens redden
De Bezige bij 2021, 270 pagina's € 21,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: På naturens skuldre (2020)

Wikipedia: Anne Sverdrup-Thygeson (1966)

Korte beschrijving
De schrijfster Anne Sverdrup-Thygeson is een bekende Noorse hoogleraar biologie, gespecialiseerd in natuurbeheer, biodiversiteit en insectenecologie. Ze schreef al eerder een veelgeprezen werk: 'Terra insecta : over de fascinerende beestjes die de wereld draaiende houden' (2018)*. In deze paperback beschrijft zij in zeer leesbare teksten de verbondenheid van dier en plant voor de mens en gaat in op de invloed van het vaak desastreuse menselijke handelen. In vele hoofdstukken geeft zij een scherp en fatalistisch beeld over het vaak ondoordachte menselijk handelen, dat het natuurlijk leven ondermijnt en de biodiversiteit en daardoor onze eigen toekomst in gevaar brengt. Uitstekend geschreven en met vele voorbeelden uit de gehele wereld voorzien werk over de tanende biodiversiteit. Van harte aanbevolen. Met uitgebreide inhoudsopgave en bronnenoverzicht.

Tekst op website uitgever
We zijn dieper verbonden met het weefsel van de natuur dan we denken. Miljoenen soorten organismen helpen ons aan voedsel, medicijnen en een leefbare omgeving. In Op de schouders van de natuur laat Anne Sverdrup-Thygeson zien hoe belangrijk al die soorten dieren, planten en schimmels voor ons zijn. Zo neemt ze ons mee naar de regenwouden, waar orchideebijen parfum maken, en naar de loopgraven, waar soldaten schimmels gebruikten als lichtbron in maanloze nachten. We lezen over eeuwenoude bossen met boomsoorten waar we kankermedicijnen aan te danken hebben, en over de ijsvogel die als inspiratie diende voor de Japanse kogeltreinen. Tegelijkertijd waarschuwt ze hoe ons gedrag dit alles in gevaar brengt: de uitbuiting van de natuur ondermijnt ons eigen bestaan.

Vandaag de dag kampen we met een biodiversiteitscrisis waarin diersoorten bedreigd worden en leefomgevingen verdwijnen – een situatie die even urgent is als de klimaatcrisis. Sverdrup- Thygeson betoogt dat we, als we onze eigen toekomst willen veiligstellen, moeten leren samen te werken met de natuur.


Fragment uit 10. De natuurkathedraal - een plek voor grote gedachten

Het beste voorbeeld dat planten kunnen voelen, vinden we bij insectenetende planten die hun ongelukkige prooi compleet opsluiten - en bij mimosa. De mimosa, ook wel kruidje-roer-me-niet genoemd, is een beleefde plant. Zoals de Nederlandse naam al aangeeft, heeft deze plant bladeren die reageren als ze worden aangeraakt. Ik moet denken aan een mimosa die ik zag toen ik met mijn jonge kinderen een boswandeling in een tropisch gebied maakte, een van de keren dat het goed van pas kwam dat ik biologie had gestudeerd. Vooral mijn driejarige kreeg maar geen genoeg van het met de mollige wijsvinger over de bladeren aaien en zien hoe ze zich sloten.
  De mimosa is een van de planten die gebruikt zijn bij een aantal revolutionaire en nog steeds veelbesproken experimenten, waarbij de resultaten uitwezen dat planten zowel kunnen leren als kunnen onthouden. Door een mimosaplant vele malen te laten vallen - een soort bungeejumpen door bloemen - went de plant schijnaar aan de behandeling en sluit die zijn bladeren als reactie, ook al doet de plant dat ook als die op een andere manier met stress te maken krijgt. En dat is nog niet alles, de plant 'herinnert' zich het bungeejumpen nog een hele maand.
  Het zijn geen nieuwe ideeën. Charles Darwin schreef al over de zintuigen bij planten en was van mening dat de worteluiteinden van een plant niet zo vele verschilden van de hersens bij lagere diersoorten. Zijn zoon, Francis Darwin, hield in 1908 een lezing over dit thema bij The Britsh Associaltion for the Advancement of Science. Volgens het artikel in The New York Times, dat de kwestie 'groentepsychologie' noemt in een verslag van een hele pagina met foto's, zorgden deze ideeën voor vele beroering onder de aanwezige, bebaarde wetenschappers.

Daar zij we bij de kern van het probleem aanbeland en tegelijk terug bij af. De mens lijdt aan plantenblindheid, het gebrek om onze met chlorofyl gevulde verre verwanten te zíen, we zijn niet bereid om in te zien wat er achter die groene wand verscholen gaat. Of, zoals een botanicus het onlangs zo mooi verwoordde, we lijden niet alleen aan plantenblindheid, maar aan een alles-anders-dan-gewervelde-dieren-blindheid. Kan de mens het zich wel permitteren om zo bijziend en zelfingenomen te zijn op een planeet die wordt gedomineerd door planten (tachtig procent van het gewicht van al het leven) en kriebelbeestjes (vijfenzeventig procent alle bekende planten- en diersoorten)? (pagina 221-222)

Boeken over onze nieuwe omgang met niet-dieren en dingen

Terug naar Overzicht alle titels


Geert Buelens

Wat we toen al wisten : de vergeten groene geschiedenis van 1972
Querido Facto 2022, 323 pagina's € 20,--

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Wikipedia: Geert Buelens (1971)

Korte beschrijving
Dit nieuwe boek van de bekende Belgische auteur/hoogleraar Buelens belicht de geopolitieke en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen sinds het uitkomen in 1972 van het rapport 'Grenzen aan de groei' van de Club van Rome, waarin de wetenschap de alarmbel luidde over de teloorgang van ons ecosysteem door toedoen van de mens. Een indringende en fascinerende analyse van het krachtenspel tussen wetenschap, actievoerders en  politici/belanghebbenden in de grote industrie en een bewijs dat de voorspellingen uit die tijd helaas zijn uitgekomen. Tegen de achtergrond van de huidige, zeer urgente klimaatcrisis is dit boek actueler dan ooit. Een confronterend, excellent gedocumenteerd en boeiend geschreven relaas over macht en onmacht van de politiek en met als epiloog de logische conclusie dat het anders moet: zonder fossiele brandstoffen en met maximaal respect voor het ecosysteem. Voor een ieder met een gemiddelde (of meer) interesse in dit onderwerp een must.  Met uitvoerige bronvermelding en literatuuropgave.

Tekst op website uitgever
Betogingen tegen het gebruik van plastic. Paniek over dramatisch dalende biodiversiteit. Zorgen om de leefbaarheid van de oceanen. Onrust over klimaatverandering. Vandaag? Nee, in 1972. De milieucrisis is ouder dan veel mensen denken, en de wetenschappelijke en politieke strijd erover is dat evenzeer. De planeet gaat eraan, riepen onheilsprofeten destijds. Nee, susten vooruitgangsgelovigen: wetenschap en techniek zullen ons redden. Aanleiding voor het maatschappelijke debat was het rapport van de Club van Rome. Van Grenzen aan de groei werden alleen al in onze gewesten een kwart miljoen exemplaren verkocht.

Vijftig jaar nadat de Club van Rome de alarmbel luidde, duiken we met Geert Buelens de geschiedenis in. We zien hoe een begin wordt gemaakt met de ontbossing van het Amazonewoud, we reizen met Jacques Cousteau naar de bedreigde Zuidpool, we ontdekken met biologen al plastic deeltjes in de ingewanden van vissen en maken met de bemanning van de Apollo 17 de eerste kleurenfoto van de hele aarde. Aan de hand van films, televisieseries, romans, stripverhalen, nieuwsberichten en officiële rapporten uit het jaar 1972 laat Buelens zien wat we toen al wisten over het uitwonen van de wereld, wat we ervan geleerd hebben ook – en wat niet.

Fragment uit (de) Proloog - Het geluid van de klimaatcrisis
Overmoed is erg, en de schade aan de planeet helaas onherstelbaar, maar als er geen kwade wil in het spel is, kan het ons en zeker onze voorouders dan kwalijk worden genomen? Zij geloofden oprecht in de vooruitgang en iedereen die vandaag nog leeft, dankzij vaccins en andere wonderen van wetenschap, kan alleen maar deemoedig het hoofd buigen voor zoveel vernuft en inventiviteit. Bovendien, net als met slavernij en kolonialisme – het waren andere tijden! Nou, niet helemaal. Net zoals er ook toen al volop geprotesteerd werd tegen die vormen van onderwerping van andere mensen en volkeren, zo ook was er tweehonderd jaar geleden felle kritiek op de omgang met de natuur – vaak van dezelfde mensen, overigens.

Al tijdens de industriële revolutie, in 1818, evoceerde Mary Shelley in Frankenstein een wereld waarin de mens de controle zou verliezen over zijn eigen creatie. De Romantische dichter William Wordsworth sprak in die jaren over een ‘misdaad tegen de Natuur’ die ertoe noopte ‘haar geschonden rechten te wreken’. Dichter bij huis waarschuwde Guido Gezelle halverwege de negentiende eeuw voor de ontembare ‘kracht’ van het ‘dampgedrochte’ – de stoomtrein die slechts een vroeg product was van het nog ontembaardere menselijke verlangen de natuur te overheersen en zo ‘blindelings vooruitgeboord/ in de zwarte toekomst’ reed.

Zijn Franse tijdgenoot de Parijse advocaat Eugène Huzar benadrukte dat de moderne wetenschap zich nauwelijks of geen rekenschap gaf van de impact van haar uitvindingen en hij voorzag dat het wel eens slecht zou kunnen aflopen: ‘Over honderd of tweehonderd jaar, wanneer de wereld doorkruist zal worden met spoorwegen en stoomboten en bedekt zal zijn met fabrieken, zullen we biljoenen kubieke meter koolzuur en koolstofmonoxide uitstoten en aangezien tegen dan ook de bossen vernietigd zullen zijn, is de kans niet klein dat die honderden biljoenen kubieke meters koolzuur en koolstofmonoxide de harmonie van de wereld zullen verstoren.’

Niet alleen verbeeldingsrijke dichters en apocalyptisch aangelegde juristen maakten zich zorgen. Diplomaten en wetenschappers die veel konden reizen zagen op steeds meer plekken dat de ravages zich al volop aan het voltrekken waren. De Duitse botanicus en landbouwwetenschapper Carl Fraas stelde in 1847 dat het een illusie was om te denken dat de ecologische schade die aangericht was door een bos te kappen ooit hersteld zou kunnen worden, zelfs niet louter economisch. Op een gerooide plek is het klimaat dusdanig aangetast dat er nooit meer een even rijke vegetatie kan bloeien.

Voortbouwend op onder meer Fraas’ werk wees de Amerikaanse polyglot George Perkins Marsh in zijn baanbrekende Man and Nature (1864) op de samenhang en onderlinge afhankelijkheid van alle levensvormen, wat we vandaag het ecosysteem noemen. En wat de mens systematisch doet, zo wond Marsh er geen doekjes om, is dat systeem verstoren: ‘Waar hij ook zijn voet neerzet, verandert hij de harmonieën van de natuur in wanklanken.’ Inheemse groenten en dieren roeit hij uit, waarna ze vervangen worden door exoten die voor verstoringen zorgen die de mens nauwelijks kan overzien, laat staan terugdraaien.

Dat uitroeien mocht intussen letterlijk worden genomen. Op sommige vogels en zoogdieren werd zo fanatiek gejaagd dat ze al in de negentiende eeuw met uitsterven waren bedreigd. In een acrostichon, eind mei 1883 afgedrukt in een koloniale krant in Suriname, stond bij de letter Q ‘is de Quagga, verwant aan den ezel,/ Hoort hier niet t’huis’. Wat het meer dan ironisch maakte dat het allerlaatste exemplaar van deze Zuid-Afrikaanse zebrasoort op 12 augustus van datzelfde jaar aan haar einde kwam… in Artis.

Wat de mens deed, zo was dus in de negentiende eeuw voor iedereen die het wilde zien duidelijk, was roofbouw plegen op de natuur. Het was trouwens de wereldbefaamde chemicus en uitvinder van het kunstmest Justus von Liebig die de term ‘roofbouw’ lanceerde en die uitspraak had ook bij Nederlandse landbouwers opschudding veroorzaakt.

De mens zorgde slecht voor de dieren, voor de bossen en voor de grond, maar – meest verbluffend van al – ook voor zichzelf. De verontreiniging van rivieren en lucht nam zulke proporties aan dat vooral stadsbewoners in industriële gebieden er dood aan gingen. Aan het begin van de twintigste eeuw dook in Engelse kranten het woord ‘smog’ op, een mengsel van mist en rook dat de steden in donkerte hulde waardoor microben er vrij spel kregen. Ziekten van de luchtwegen werden een echte plaag en volgens de medische correspondent van The Observer zat er maar één ding op: stoppen met steenkool te gebruiken.

Niet alle aardbewoners kampten met deze moderne plagen. Azië en Afrika moesten er wel grondstoffen voor leveren maar zelf industrialiseren stonden hun kolonisatoren veelal niet toe. In sommige landen was er overigens ook intern tegenstand. Mahatma Gandhi stelde in 1928 met kenmerkende scherpte: ‘God verhoede dat India ooit zou gaan industrialiseren zoals het Westen. Als alle driehonderd miljoen inwoners op dezelfde manier zouden overgaan tot economische exploitatie, het zou de wereld kaalvreten zoals sprinkhanen.’

Het moderne leven moest dus op de schop, maar hoe dat voor mekaar te brengen? Lobby’s waren er nodig, verenigingen die grote natuurgebieden konden aankopen, internationale verdragen ter bescherming van dieren en strenge wetgeving om giftige gassen te verbieden. Al vanaf de negentiende eeuw werd volop ingezet op deze remedies. Toch bestaan vrijwel alle milieuproblemen uit die tijd vandaag nog altijd in een of andere variant en vaak is de toestand alleen maar verslechterd.

De immer voortschrijdende wetenschap en techniek zadelden mens en planeet bovendien op met een reeks nieuwe gevaren. Na de ontwikkeling van de atoombommen die boven Hiroshima en Nagasaki werden afgeworpen daalde al snel het besef in, ook bij de betrokken wetenschappers, dat de mens zich nu de kracht had toegeëigend om de hele planeet te vernietigen. Maar ook dagelijks gedrag in vredestijd bleek riskant. Insecticiden en niet-aflatende aantasting van leefgebieden verwoestten de biodiversiteit. Nachtvluchten van en naar immer uitdijende luchthavens deden een aanval op onze slaap. En steeds onomstotelijker kwam vast te staan dat de aarde gevaarlijk aan het opwarmen is en dat dit het gevolg is van de uitstoot van broeikasgassen, net zoals dat eind negentiende eeuw was begrepen en berekend door de Zweedse natuur- en scheikundige Svante Arrhenius. (pagina 9-12)

Interview: ‘De IC’s van de aarde liggen al jaren overvol’ (NRC, 20 januari 2022)

Een vergelijkbaar boek: We waren gewaarschuwd : over een profetisch milieurapport en wat we er (niet) mee deden van Jaap Tielbeke (2022)

Een artikel over andere boeken waarin 'het Nieuwe Klimaatregime' als het ware werd aangekondigd: Het is erger dan je denkt, veel erger (mei 2019)

donderdag 20 januari 2022

Bas Mesters

Het herstel van Nederland : twaalf oplossingen voor een land in crisis
Balans 2021, 237 pagina's € 20,--

Website Bas Mesters (1965)

Korte beschrijving
Bas Mesters is journalist, cultuurhistoricus en debaterorganisator. Nederland bevindt zich  naar zijn mening, ondanks zijn rijkdom, op velerlei wijzen in een crisis. Zo maken wij bijvoorbeeld een klimaatverandering mee, zijn er spanningen in de zorgsector, is er woningnood, terwijl intensieve landbouw de natuur vernietigt. Rondom de Tweede Kamerverkiezingen en formatie in 2021 sprak Mesters met twaalf deskundigen, mannen en vrouwen uit diverse sectoren, zoals een psychiater, econoom en een onderwijsdeskundige. Drie thema's stonden bij deze gesprekken centraal: het veld, het systeem en de waarden. De geïnterviewden boden allen nieuwe perspectieven. De overheid speelt hierbij een belangrijke rol; het neoliberalisme werd verworpen. Er werden scherpe diagnoses gesteld. Maar of de aangedragen oplossingen meteen tot verbeteringen zullen leiden? Bestemd voor politiek en maatschappelijk geïnteresseerde lezers, die gezien het niveau over een behoorlijke voorkennis moeten beschikken.

Tekst op website uitgever
Nederland is ziek. In dit even inspirerende als hoopgevende boek paren experts een scherpe diagnose van de staat en het vermogen om revolutionaire, praktische, werkbare oplossingen te formuleren.

Nederland is rijk. Al decennialang staan we in de top tien van de gelukkigste en meest welvarende landen. Toch heerst er de laatste jaren een gevoel van crisis dat veel verder gaat dan de coronaproblematiek alleen. De klimaatcrisis is urgenter dan ooit. De zorg kan het nauwelijks meer aan. Het onderwijs kraakt in zijn voegen. Er is een groot gebrek aan woonruimte. De intensieve landbouw vernietigt de natuur. De democratie ligt onder vuur en ook de rechtsstaat heeft betere tijden gekend. Steeds meer mensen leven in armoede, velen voelen zich niet erkend. Kortom, Nederland is ziek. Maar hoe het te genezen? Bas Mesters sprak langdurig met twaalf vrouwen en mannen die uitblinken in hun vak: een boer, een docent, een psychiater, een journalist, een rechter, een historicus, een wooncoöperatiebestuurder, een klimaatactivist, een filosoof, een theatermaker, een econoom en een politicoloog. Geen van allen mensen met macht of een agenda, maar stuk voor stuk vol nieuwe, verfrissende ideeën over hoe het anders kan, als we maar willen. In dit even inspirerende als hoopgevende boek, gebaseerd op de interviewserie ‘Heilige huisjes’ die Mesters voor de Volkskrant maakte, paren deze experts een scherpe diagnose van de staat van Nederland aan de durf om heilige huisjes omver te trappen en het vermogen om revolutionaire, praktische, werkbare oplossingen te formuleren. Ideeën die ons allemaal kunnen inspireren.

Fragment uit 4. Schoon schip in het onderwijs - Docent Ton van Haperen
En dat komt allemaal door de lumpsum?
'Ja, en er zit nog een andere perverse prikkel in, omdat die lumpsum uitgaat van gemiddelde kosten van een leerling. Voor een vwo-leerling is dat ongeveer 7500 euro per jaar. maar op sommige scholen heb je meer oudere en ervaren leraren die meer verdienen. Om binnen het vastgestelde budget te blijven, moeten die scholen bezuinigen. Ze vervangen hun ervaren docenten door jongere, of vergrotend e klassen. Kleine scholen met afnemende leerlingaantallen die goed presteren, hebben ook ene budgetprobleem. '

Hetzelfde speelt rondom de gratis schoolboeken, stelt Van Haperen. Voor elke leerling is daarvoor driehonderd euro beschikbaar. 'Het probleem is dat je hetzelfde bedrag krijgt voor leerlingen in de derde klas van het gymnasium - die van alle leerlingen de meeste boeken hebben - als voor de leeftijdsgenoten op het vmbo. Telkens wordt gerekend met gemiddelden. Om de begroting kloppende te houden, was er in de ogen van die bestuurders maar één oplossing: zorgen dat je als school zo groot bent dat je precies op een gemiddelde kunt uitkomen. Dus die schoolbesturen besloten dat ze groter moesten worden en gingen fuseren. Zo ontstonden schoolbesturen die gingen over wel zeventigduizend middelbare scholieren van alle schoolniveaus.'

Schoolbesturen kregen via decentralisering, privatisering van de budgetten en de fusies veel te vele macht, vindt Van Haperen. En volgens hem verklaren de geldbehoefte en innovatiedrang van de steeds machtigere schoolbesturen waarom de klassen, ondanks de kapitaalinjecties, maar niet kleiner worden. 'Ik heb niets tegen bestuurders als mensen, maar wel iets tegen de constructie waaraan ook zij niets kunnen doen. Ik sprak laatst nog de voorzitter van ons schoolbestuur. Hij liet zich ontvallen dat we het best goed doen. Vanuit zijn perspectief is dat misschien ook zo. Alleen zorgt dat "goed doen" of "goed organiseren" niet voor betere schoolresultaten van de kinderen. Om dat te veranderen, is duidelijk iets anders nodig: opnieuw centrale sturing vanuit de overheid. De besturen hebben te veel macht.'

Het bestuur van Ons Middelbaar Onderwijs, de organisatie waaronder zijn school valt, heeft na alle fusies een budget zo groot als een stad als Tilburg, Breda of Den Bosch: vijfhonderd miljoen euro voor zeventigduizend leerlingen en zevenduizend leraren. 'Maar er is helemaal geen democratische controle op hoe het wordt uitgegeven. Er is geen controle van de markt, want ze krijgen gewoon geld per leerling. Er is gene controle van de overheid, want de besturen zijn autonoom. Er is alleen een medezeggenschapsraad, maar die heeft weinig invloed.'

En dit alles wordt volgens Van Haperen nog eens versterkt door artikel 23 van de grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt. Jarenlang functioneerde die vrijheid als een instrument om iedereen in de eigen zuil de ruimte te geven zich te ontwikkelen tot een goed opgeleide burger van Nederland. maar het systeem is volgens hem achterhaald nu onze maatschappij op een klein deel na is geseculariseerd. (pagina 80-81)

Gesprek van Lex Bohlmeijer met Bas Mesters: Overal in de samenleving ontstaat verzet tegen het marktdenken, ziet deze journalist (De Correspondent, januari 2022)


woensdag 19 januari 2022

Jaap Tielbeke 2

We waren gewaarschuwd : over een profetisch milieurapport en wat we er (niet) mee deden
Das Mag 2020, 155 pagina's  € 17,50

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

De Groene Amsterdammer: Jaap Tielbeke (19)

Korte beschrijving
In deze kritische journalistieke verhandeling onderzoekt auteur Jaap Tielbeke wat de mens (niet) heeft gedaan om klimaatverandering tegen te gaan. De mensheid put de planeet uit en roept zo onvoorstelbaar onheil over zich af. Tot deze conclusie kwam een team wetenschappers vijftig jaar geleden al in het rapport ‘De grenzen aan groei'. Hoe kan dit, en wat kunnen we nu nog doen om het onheil af te wenden?‘ We waren gewaarschuwd’ is in een heldere en overtuigende stijl en met journalistieke diepgang geschreven. Voor iedereen met interesse in de oorzaken en achtergronden van de huidige klimaatproblematiek. Jaap Tielbeke (1989) is journalist bij de Groene Amsterdammer en schrijft sinds 2015 over klimaatverandering. In 2020 publiceerde hij bij Das Mag het boek ‘Een beter milieu begint niet bij jezelf’.

Tekst op website uitgave
De mensheid put de planeet uit en roept zo onvoorstelbare onheil over zich af. Het klinkt als de samenvatting van het laatste klimaatrapport, maar tot deze conclusie kwam een team wetenschappers al in 1972. De uitkomsten van hun computermodellen waren onverbiddelijk: een ongebreidelde groei van de wereldbevolking en -economie leidt tot de ineenstorting van de menselijke beschaving. De enige manier om een catastrofe te voorkomen is het stellen van grenzen aan de groei.

Het eerste rapport van de Club van Rome sloeg begin jaren zeventig in als een bom. Alleen al in Nederland werden meer dan tweehonderdvijftigduizend exemplaren van de pocketeditie verkocht. Voor PvdA-leider Joop den Uyl was het aanleiding om na te denken over een ‘fundamentele verandering van het kapitalistische stelsel’. Samen met D’66 pleitte zijn partij zelfs voor een ‘beheersing van ekonomische groei’. En op de internationale conferentie in Stockholm probeerden wereldleiders afspraken te maken om de natuur te beschermen en vervuiling te stoppen. Voor het eerst stond ‘het milieu’ boven aan de agenda.

Toch zijn de ecologische problemen de afgelopen vijftig jaar later alleen maar groter geworden. De gevreesde olieschaarste bleef weliswaar uit, maar ondertussen raakte het klimaat ontwricht en holde de biodiversiteit achteruit. Hoe kan het dat de adviezen van de Club van Rome in de wind werden geslagen? Waarom zijn er vandaag amper politici die vraagtekens plaatsen bij onze groeizucht? En hoe kunnen we nog binnen de grenzen van de planeet blijven? Vijftig jaar na verschijnen van de oerwaarschuwing blikt Jaap Tielbeke terug op waarom we de grenzen overschreden en kijkt hij wat er nu moet gebeuren.

Jaap Tielbeke (1989) is journalist bij De Groene Amsterdammer en schrijver van Een beter milieu begint niet bij jezelf, dat in 2020 verscheen. De afgelopen zeven jaar heeft hij zich verdiept in de ecologische crisis. Keer op keer stuitte hij daarbij op het Grenzen aan de groei-rapport uit 1972, dat nog steeds geldt als een ankerpunt in het milieudebat. Met het gouden jubileum van deze oerwaarschuwing in aantocht, besloot hij zich vast te bijten in het vraagstuk dat door de Club van Rome op de agenda is gezet en sindsdien alleen maar aan urgentie heeft gewonnen.




Fragment uit 2022 - Voorbij de groei
Het grote publiek mag dan smullen van haar donut, veel academische collega's weten niet goed wat ze aan moeten met Raworths sweeping statements. Ze zou een karikatuur maken van het vakgebied, veel van de ideeën die ze als baanbrekend presenteert worden allang besproken op economiefaculteiten. Vrijwel iedere econoom zal erkennen dat het bbp een onvolmaakte maatstaf is waar we ons niet op moeten blindstaren. Dat het milieu een 'externaliteit' heet en olie een 'hulpbron' betekent niet dat economen geen oog hebben voor de uitputting van de aarde. Toen hoogleraar Bas Jacobs door De Telegraaf naar zijn favoriete boek van 2017 werd gevraagd, gaf hij Donuteconomie als 'anti-tip'. Dat vond hij namelijk 'het intellectueel armoedigste en meest ergerniswekkende economieboek' van het jaar. Sandra Phlippen, hoofdeconoom bij ABN AMRO, werd 'misselijk en verdrietig' van Raworths populistische retoriek, schreef ze in haar column voor het AD.
'Misschien heeft het te maken met de Nederlandse directheid, maar de weerstand was hier nog feller dan elders,' vertelt Raworth. 'Op de universiteit in Tilburg was ik uitgenodigd voor een paneldiscussie. Na mijn presentatie vroeg mijn opponent zich hardop af of ik wel een echte econoom was. Dat vond ik zo'n veelzeggende reactie. Waarom begin je meteen over mijn geloofwaardigheid? Laten we het over de ideeën hebben. En waarom zo defensief? Mijn aanval is niet persoonlijk, ik bevraag enkel een aantal fundamentele aannames.'
  Een van de hoekstenen van de neoklassieke economie is het concept van de homo economicus. De mens zou een calculerend wezen zijn dat constant bezig is zijn eigenbelang te optimaliseren. Hele mathematische modellen zijn rond deze aanname gebouwd, die de economie ene schijn van objectiviteit en zekerheid moeten geven, terwijl psychologen en sociologen er allang op hebben gewezen dat wij in werkelijk(heid) helemaal niet zo in elkaar steken. De homo economicus mag dan een verzinsel zijn, zolang we ingeprent krijgen dat dit onze ware aard is, gaan we ons er op den duur vanzelf naar gedragen. Voor Raworth toont dit de kracht van ideeën. Instemmend citeert ze de econoom Paul Samuelson: 'Het maakt mij niet uit wie de weten van een land schrijft - of wie de verhandelingen voor specialisten vervaardigt - zolang ik maar de economische handboeken kan schrijven.'
  Als Raworth het economiecurriculum een make-over mocht geven, zou het Grenzen aan de groei-rapport een prominente plek krijgen. 'Wat zo krachtig is aan het werk van het MIT-team, is dat het een compleet andere vertrekpunt heeft,' zegt ze. 'Het begint niet met de gangbare rekeneenheden van de economie, maar met de materiële wereld - grondstoffen en afvalstromen. Toen ik het las besefte ik pas hoe vreemd het eigenlijk is dat dit geen centrale variabelen zijn in de economische wetenschap. Terwijl de boodschap zo alarmerend is.'
  De reflex van veel mainstream economen was om die waarschuwing weg te wuiven, zeker nadat het mee bleek te vallen met de gevreesde grondstoffen schaarste. De markt had het probleem opgelost, precies zoals zij hadden voorspeld. Waar deze critici gemakshalve aan voorbijgingen was dat de systeemwetenschappers nog een andere factor aanwezen die kan leiden tot de ondergang: vervuiling. 'Wat het World3-model over vervuiling te melden had bleek zijn tijd ver vooruit te zijn,' schrijft Raworth in Donuteconomie. 'Vandaag de dag kunnen we het probleem echter veel specifieker aanduiden, en onderscheiden we verschillende vormen van ecologische degradatie, van klimaatverandering en chemische vervuiling tot verzuring van de oceanen en afnemende biodiversiteit.' (pagina 117-119)

Artikel.
Het toeval wil dat ik aanwezig was toen Kate Raworth in Tilburg aantrad voor een gesprek met enkele Tilburgse collega's. Plaatsvervangende schaamte overviel me; hoe die heren met haar omgingen. Ik schreef er een lang stukje over: “dat afbraak van werknemersrechten en het uitkeren van zo veel mogelijk middelen aan de kapitaalbezitters economisch gezien het beste beleid zou zijn” (januari 2018)

Artikel over andere boeken waarin 'het Nieuwe Klimaatregime' als het ware werd aangekondigd: Het is erger dan je denkt, veel erger (mei 2019)

Lees ook: Een beter milieu begint niet bij jezelf (2020)

Een vergelijkbaar boek: Wat we toen al wisten : de vergeten groene geschiedenis van 1972 van Geert Buelens (ook uit 2022). En Jaap Tielbeke verwijst in zijn boek naar: Minder is meer : hoe degrowth de wereld zal redden van Jason Hickel (uit 2021).

Terug naar Overzicht alle titels


zaterdag 8 januari 2022

Alain De Botton 4

Hoe overleef ik de moderne wereld
Atlas Contact 2022, 340 pagina's € 22,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: (2022)

Wikipedia: Alain De Botton (1969)

Korte beschrijving
‘Hoe overleef ik de moderne wereld’ is een groots opgezette cultuursociologische verhandeling waarin de bekende filosoof Alain de Botton de lezer meeneemt in zijn diagnose van de staat van onze moderne tijd. De Botton schrijft over een scala aan onderwerpen, variërend van de media tot werk, liefde, wetenschap, natuur en democratie. Een boek als gids om op een kalmere, luchtigere manier te leren navigeren door de dwaasheden en obsessies van onze tijd. ‘Hoe overleef ik de moderne wereld’ is geschreven in De Bottons kenmerkende aanstekelijke en doorwrochte stijl, en is verlevendigd met prachtige, sfeervolle foto’s en afbeeldingen van kunstwerken. Geschikt voor een publiek van geoefende lezers met interesse in (cultuur)geschiedenis en filosofie. Alain de Botton (Zürich, 1969) is een wereldberoemde Brits-Zwitserse schrijver, journalist en filosoof. Hij is oprichter van The School of Life. Zijn werk is in meer dan twintig talen vertaald.

Tekst op website uitgever
De moderne wereld heeft ons een reeks buitengewone voordelen en geneugten gebracht, waaronder technologie, medicijnen en entertainment. Maar het kan ook voelen alsof de moderne tijd ons steeds dieper in hebzucht, wanhoop en opwinding dompelt. Zelden heeft de wereld zich meer bevoorrecht gevoeld. Maar tegelijk voelt de mens zich ook bezorgd, woedend en angstig. Hoe overleef ik de moderne wereld is de ultieme gids voor het navigeren door onze ongewone tijden. Het boek behandelt onze relatie met de nieuwsmedia, onze ideeën over liefde en seks, onze veronderstellingen over geld en onze carrières, onze houding ten opzichte van dieren en de natuur, onze bewondering voor wetenschap en technologie, ons geloof in individualisme en secularisme – en onze verhouding tot rust en eenzaamheid. Als de moderne tijd (gedeeltelijk) als een ziekte gezien kan worden, is een juiste diagnose misschien wel de remedie. Het boek helptons om een kalmere, authentiekere, soms luchtigere relatie aan te gaan met de dwaasheden en obsessies van onze tijd.

Fragment uit 11. Individualisme
In de moderne wereld is de levensstandaard in alle lagen van de bevolking gestegen, maar tegelijkertijd zijn de psychologische gevolgen van een gebrek aan succes moeilijker te verdragen. We zijn het gevoel kwijt dat onze identiteit op meer berust dan hoe we presteren op de arbeidsmarkt. Daardoor is het voor onze psychische gezondheid ook onontbeerlijk geworden dat we een manier proberen te vinden om aan ons claustrofobische individualisme te ontsnappen; dat we weer beseffen dat het heel betrekkelijk is wat succes of gebrek aan succes over ons zegt en dat daar geen definitieve conclusies aan kunnen worden verbonden; dat in werkelijkheid niemand ooit een verliezer dan wel een winnaar is; dat we allemaal verbluffende mengelingen vormen van mooi en lelijk, indrukwekkend en middelmatig, dwaas en scherpzinnig. Het zou goed zijn als we, in een bewust verzet tegen de tijdgeest, de mensen met wie we kennismaken voortaan niet meer vragen wat ze doen maar waar ze de laatste tijd zoal aan denken of over dromen. (pagina 208-209)  !!!!

Fragment uit 12. Een rustig leven
Aks we goede reizigers waren, zouden we van een wandeling naar de winkelstraat nog een bijzonder avontuur weten te maken. Dan zou het bijna zijn alsof we weer nieuwsgierige kleuters waren die om de zoveel passen stil blijven staan om alweer een nieuw buitengewoon schouwspel op zich in te laten werken: wat onkruid dat tussen de straatstenen groeit, een grillige wolk met een zilveren staart, een vliegtuigstreep tussen twee loodsen, een hond die peinzend naar een plukje narcissen zit te staren, graffiti op een lantaarnpaal, de etalage van een vishandel met zeetong en zonnevis op ijs. Aan dat alles zul je niet zo snel aandacht besteden als je grotere ambities hebt. Maar hoezeer het ook tegen alle verwachtingen  ingaat, rustige mensen weten dat dit weleens de spil kan zijn waar het hele bestaan om draait. Het leven is niet elders: dit is wat je zou missen als opeens voorbij was.

Rustige mensen zijn niet altijd alleen maar rustig omdat ze de dingen waarderen, maar ook omdat ze behoedzaam zijn. Ze beseffen dat een rumoerig leven zijn tol eist. Ze weten - misschien wel beter dan mensen met overvolle agenda's - hoe gemakkelijk we bezwijken aan uitputting en overprikkeling. Misschien is het hun zelfs allemaal weleens te veel geworden, toen ze er door iets te veel verantwoordelijkheden en prikkels, korte nachten en emotionele drama's op brute wijze aan werden herinnerd hoe zwak onze greep op ons verstand kan zijn. Ze leven rustig om zich te hoeden voor krankzinnigheid en paranoia, angst en wanhoop. Ze zijn ervan doordrongen hoezeer hun onspectaculaire gewoonten en de vele avonden die ze in hun eentje of met een of twee goede vrienden doorbrengen hen beschermen tegen de terugkeer van de waanzin.


Hoeveel geld we verdienen, is eenvoudig na te gaan. het is veel moeilijker om erachter te komen hoeveel kalmte te kwijt zijn geraakt. De ware prijs die we voor ons rumoerige leven betalen, houden we niet goed in de gaten: we berekenen niet naar behoren wat dat zakenreisje of congres heeft betekend voor onze gemoedsrust en creativiteit of voor onze relatie met degenen die ons werkelijk dierbaar zijn. We merken niet hoe onrustig we worden van elk krantenartikel dat we lezen en hoe mistroostig elke ontmoeting met een zogenaamde vriend. We gedragen ons als die eerste wetenschappers die experimenteerden met uranium zonder de gevaren ervan te kennen. We merken niet hoe ontregelend het is voor onze gevoelige geest om een vertrek vol luidruchtige kennissen binnen te stappen en een paar uur lang ons best te doen om over koetjes en kalfjes te praten met een wolf in schaapskleren. Om daarvan te bekomen moeten we misschien wel een maand lang elke avond rustig thuis zitten. We beseffen niet dat slapeloosheid de wraak van onze geest is voor alle gedachten die we overdag hebben weten te onderdrukken, en dat onze paniek een oproep vormt om ons meer te bekommeren om alle gevoelens die we verwaarlozen. (pagina 216-218)