Met een inleiding van Bas Heijne
De bezige bij 2026, 112 pagina's - € 12,50
Wikipedia: Albert Camus (1913-1960) en Bas Heijne (1960)
Opmerkelijk! : Bas Heijne werd vijf dagen na de dood van Albert Camus geboren.
Korte beschrijving
Tekst op website uitgever
Nadat hij in 1957 de Nobelprijs voor Literatuur heeft ontvangen, schrijft Albert Camus een brief aan zijn vroegere onderwijzer Louis Germain in Algiers om hem zijn dankbaarheid te betuigen.
Zonder u, zonder die liefdevolle hand die u reikte aan het arme jongetje dat ik was, zonder uw onderwijs en uw voorbeeld zou niets van dat alles zijn gebeurd.
Alle twintig brieven tussen de twee mannen zijn in deze uitgave voor het eerst vertaald en gebundeld, samen met het stuk De school uit De eerste man, en vormen tezamen een inspirerende ode aan de bijzondere relatie tussen leraar en leerling, vaak een levenslange band van dankbaarheid en tederheid.
Bas Heijne schreef een inleiding waarin hij het belang en de zeggingskracht van de brieven nader toelicht.
Fragment: 15. Albert Camus aan Louis Germain
19 november 1957
Beste meneer Germain,
Ik heb het rumoer dat me deze dagen heeft omringd een beetje laten verstommen voordat ik u met mijn hele hart een paar dingen kom zeggen. Er is me zojuist een veel te grote eer bewezen, waar ik niet naar heb gedingd en niet om heb gevraagd. Maar toen ik het nieuws vernam dacht ik het eerst, na mijn moeder, aan u. Zonder u, zonder de liefdevolle hand die u reikte aan het arme jongetje dat ik was, zonder uw onderwijs en uw voorbeeld zou niets van dat alles zijn gebeurd.
Ik hecht geen enorme betekenis aan dit type eerbewijs, maar het biedt tenminste een gelegenheid om u te zeggen wat u bent geweest en nog altijd bent voor mij, en om u te verzekeren dat uw inspanningen, uw werk en het genereuze hart waarmee u zich daaraan wijdde nog altijd voortleven in een van uw scholiertjes die, ondanks zijn leeftijd, niet is opgehouden uw dankbare leerling te zijn.
Ik groet u allerhartelijkst,
Albert Camus (pagina 43-43)
Fragment uit 6bis -De school (Bas Heijne)
Even later klopte meneer Bernard voor Jacques' stomverbaasde ogen bij hem thuis op de deur. Grootmoeder deed de ogen open en veegde haar handen af aan haar schort, waarvan de te strakke band haar oude vrouwenbuik liet opbollen. Toen ze de onderwijzer zag, gingen haar handen naar haar haar om het te kammen. 'Zo grootmoedertje,' zei meneer Bernard, 'druk bezig, zoals gewoonlijk? Wat werkt u toch hard.' Grootmoeder liet de bezoeker binnen in de slaapkamer, waar je doorheen moest om in de eetkamer te komen, bood hem een stoel aan bij de tafel en haalde anisette en glazen voor de dag. 'Doet u gene moeite, ik ben gekomen om even met u te praten.' Eerst vroeg hij naar haar kinderen, toen naar haar leven op de boerderij, naar haar man, en hij vertelde over zijn eigen kinderen. Op dat moment kwam Catherine Cormery binnen, die in verwarring raakte, meneer Bernard 'Meneer de Meester' noemde, direct doorliep naar haar kamer oom haar haar te kammen en een schoon schort voor te doen, en daarna op de punt van ene stoel kwam te zitten, een beetje opzij van de tafel. 'Jacques,' zei meneer Bernard, 'als jij nou eens even buiten gat spelen. U begrijpt', zie hij tegen grootmoeder, 'ik ga allemaal goeds over hem vertellen en hij is in staat te geloven dat het waar is...'
Jacques liep de kamer uit, vloog de trap af en posteerde zich bij de voordeur op de drempel. Een uur later stond hij daar nog, op straat werd het al drukker en door de vijgenbomen heen kleurde de hemel groen toen meneer Bernard uit het trapgat kwam en achter hem opdook. Hij krabbelde hem op het hoofd. 'Nou!' zei hij, 'het is voor elkaar. Je grootmoeder is een beste vrouw. En je moeder... Ach!' zei hij. 'Vergeet haar nooit.' Plotseling dook grootmoeder op uit de gang. 'Meneer,' zei ze. Ze hield haar schort met één hand omhoog en veegde haar ogen af. 'Ik ben vergeten... u zei dat u Jacques bijles zou geven.' 'Uiteraard,' zei meneer Bernard. 'En hij zal ervan lusten, geloof dat maar.' 'Maar we kunnen u niet betalen'. Meneer Bernard keek haar strak aan. Hij hield Jacques bij zijn schouders vast. 'Maakt u zich maar geen zorgen,' en hij schudde Jacques heen en weer, 'hij heeft mij al betaald'. Toen was hij weg, en grootmoeder nam Jacques bij de hand om de trap op te gaan, het huis binnen, en voor het eerst kneep ze in zijn hand, heel stevig, met een soort liefdevolle vertwijfeling. 'Jochie toch', zei ze, 'jochie toch'. (pagina 96-97)
Lee ook: Een hogere liefde : brieven aan een Duitse vriend (2024)
Het begint een reeks te worden: (klassieke) teksten waar Bas Heijne een inleidend essay voor schreef:
Menno ter Braak. Het nationaalsocialisme als rancuneleer (2019)
Albert Camus. Een hogere liefde : brieven aan een Duitse vriend (2024)
Aldus Huxley. De tijd van oligarchen (2025)
George Orwell. Over nationalisme (2023)
Pericles. Voor de democratie (2025)


