vrijdag 25 augustus 2023

Wouter Kusters

Schokeffecten : filosoferen in tijden van klimaatverandering
ISVW 2023, 363 pagina's € 29,95

Wikipedia: Wouter Kusters (1966)

Korte beschrijving
Een kritische en actuele beschouwing van de functie van filosofie in tijden van klimaatverandering. Hoe kan je nog rustig slapen als je je volledig bewust wordt van de dreiging van klimaatverandering? Filosoof Wouter Kusters beschrijft hoe hijzelf reageerde toen hij besefte hoe diep we in de problemen zitten. Hij analyseert reacties van shock, paniek en angst tot berusting, vertrouwen en zelfs optimisme, en stelt de vraag: is er in het licht van de dreigende ondergang nog filosofie mogelijk? De eerste alarmschok leidt tot duurzaam alarmisme en tot een zoektocht naar manieren om verantwoordelijkheid te nemen.’Schokeffecten’ is in een aansprekende stijl en met filosofische diepgang geschreven, waarbij de auteur zijn persoonlijke verhaal verweeft met een bredere maatschappelijke visie. Vooral geschikt voor geoefende lezers.Wouter Kusters (1966) is een Nederlandse filosoof en taalwetenschapper. Zijn debuutboek 'Pure waanzin' werd bekroond met de Van Helsdingenprijs en de Socrates Wisselbeker. Tien jaar later won hij opnieuw de Wisselbeker met 'Filosofie van de waanzin’.

Tekst op website uitgever
'Het grondpatroon van de klimaatverandering is niet dat van de paranoia, van zij tegen ons, maar eerder dat van de schizofrenie, wij tegen wij.'

Wat gebeurt er als de toestand van de wereld echt tot je doordringt? Als je je volledig bewust bent van de immense dreigingen van klimaatverandering en ecologische destructie? Hoe kan je dan nog rustig slapen? Wat zeg je tegen je (klein)kinderen? Wie roep je ter verantwoording? In Schokeffecten laat Wouter Kusters zien hoe hijzelf reageerde toen hij besefte hoe diep we in de problemen zitten. Hij analyseert mogelijke reacties van shock, paniek en angst tot berusting, vertrouwen en zelfs optimisme. Hoe kunnen we uit het verblindende licht van de dreigende ondergang ontsnappen, zonder dat we onze ogen ervoor sluiten? Hoe houden we ons geestelijk staande? Wat kunnen en moeten we denken? Is er nog wel filosofie mogelijk? Uiteindelijk biedt Kusters perspectief. De eerste alarmschok leidt tot duurzaam alarmisme, en blinde paniek wordt filosofische paniek. Het is tijd voor verantwoordelijkheid.

Fragment uit 7. Atopische achronie
7.2 Escalaties
Ingeschaald

De nieuwe Grote waarheid is ontstellend (schokkend, traumatiserend, beangstigend, deprimerend), maar komt niet geheel uit de lucht vallen. In haar effecten werkt ze verbijsterend en ontgoochelend, maar in haar samenstellende delen lijkt er weinig nieuws onder de zon. Zoals ik al eerder betoogde, is er niet zozeer sprake van een nieuw paradigma, maar eerder van verwarrende, na-ijlende gevolgen van een eerdere grote paradigmawisseling. Deze omwenteling voltrok zich aan het begin van de moderne tijd (zie pagina 72 e.v.)  en is in haar consequenties nog niet uitgewerkt in de menselijke geest. Een van de gevolgen, die door de bevindingen van de klimaatwetenschap extra is geaccentueerd, is onze verdwaling in de tijd. We weten niet meer goed hoe we ons zouden kunnen of moeten verhouden tot nabije en verre verledens en toekomsten. De vraag die zich in het antropoceen sterk opdringt, is door Latour als volgt geformuleerd, ik herhaal: 'In welk tijdperk bevinden we ons? Niet in termen van de kalender, maar eerder in termen van het ritme, de cadans, de beweging van de tijd?' De nieuwe Grote Waarheid (opmerking: Bruno Latour heeft het over het Nieuwe Klimaatregime, ook met twee hoofdletters - hd) biedt zelf geen antwoord op deze vraag, ze heeft het eerdere historische bewustzijn alleen maar verder verward, door indringend te melden dat ook de natuur een geschiedenis heeft, en wel een geschiedenis die met onze menselijke geschiedenis verweven is. Om dit te kunnen vatten, zal ik hieronder eerst het alledaagse bewustzijn van tijd bespreken, met haar indeling van tijd in schalen, oftewel 'scalair denken', en het vervangen door een sferisch kristaldenken.

Voordat het antropoceen ging doorwerken in de menselijke ziel, kende het historisch bewustzijn duidelijk onderscheiden domeinen. Het algemeen geaccepteerde wereldbeeld bestond erin dat we - filosoof en niet-filosoof, historicus en niet-historicus - de geschiedenis opvatten als bestaande uit drie delen, of beter gezegd, op drie (tijd)schalen, te weten: 1) eerst was er de immens lange natuurgeschiedenis, oftewel de prehistorie, met 2) daarna een menselijke geschiedenis, die vergeleken met de prehistorie zeer kort duurde, en 3) een persoonlijke geschiedenis, die je zelf hebt meegemaakt en die het laatste draadje is waar het weefsel van de prehistorie en historie in uitlopen. Wanneer we onder het begrip 'natuur' van 'natuur'geschiedenis ook dode natuur laten vallen, dan omvat de prehistorie vier en en half miljard jaar, de menselijke geschiedenis - als we die laten beginnen bij het ontstaan van het schrift - slechts zesduizend jaar, terwijl ieders persoonlijke geschiedenis ongeveer de tijd omvat die men to nu toe heeft geleefd. Wanneer we deze drie delen van de geschiedenis op de schaal van een dag zouden afbeelden, krijg je het volgende: als de prehistorie om twaalf uur 's nachts zou beginnen, en de tijd van het bestaan van de aarde 24 uur zou duren, dan zou het eerste leven op aarde na drie uur 's nachts verschijnen. Het zou daarna meer dan de helft van de dag duren, tot vier uur 's middags, voordat er zeedieren zouden ontstaan en pas om tien uur 's avonds zou het leven het land op kruipen. Vanaf elf uur 's avonds zouden veertig minuten lang de dinosauriërs rondstampen. En dan, niet meer dan tien seconden voor middernacht (voor nu) verschijnt de mens. En in nog minder dan een honderdste seconde flitst het kapitalisme op, stijft het gebruik van fossiele brandstoffen en begint de opwarming van de aarde door de mens. Die honderdste seconde moeten we nog kleiner maken, nog verder opdelen om tot de hoeveelheid tijd van de persoonlijke geschiedenis te komen. (pagina 181-182)

Dan Saladino

Eten tot het op is : 's Werelds meest zeldzame voedsel
Mazirel Pers 2023, 460 pagina's € 34,99

Oorspronkelijke titel: Eating to Extinction : The World’s Rarest Foods and Why We Need to Save Them (2023)

Website Dan Saladino (19?)

Korte beschrijving

Tekst op website uitgever
Van een kleine karmozijn peer in het westen van Engeland tot pistachenoten uit Syrië of een blaarkopkoe in Nederland, er zijn duizenden voedingsmiddelen die voor altijd verloren dreigen te gaan. Dan Saladino reist de wereld rond om hun verhalen te onthullen en ontmoet pionierende boeren, wetenschappers, koks, producenten en inheemse gemeenschappen die voedseltradities verdedigen en vechten voor verandering. Eten tot het op is gaat over het behoud van gastronomisch erfgoed, over de crisis waarmee onze planeet vandaag de dag wordt geconfronteerd, en waarom het terugwinnen van een diverse eetcultuur van vitaal belang is voor onze toekomst.

Fragment uit

Terug naar Overzicht alle titels

Jan Drost 2

Dit is niet het einde : een goed leven in de 21e eeuw
De Bezige bij 2023, 287 pagina's  - € 24,99

Wikipedia: Jan Drost (1975)

Korte beschrijving
Een cultuurfilosofisch relaas over een beter mens worden. Een mens kan niet zonder zijn gewoonten, maar het hardnekkig vasthouden aan verkeerde gewoonten heeft ons gebracht waar we nu zijn: in een klimaatcrisis van ongekende proporties. De enige uitweg uit deze crisis is verandering. In het boek zoekt Jan Drost naar een goed leven voor eenentwintigste-eeuwse mensen. Met behulp van schrijvers en denkers als Marcus Aurelius, Søren Kierkegaard en Hannah Arendt en aan de hand van begrippen als rouw, schuld, geweten, liefde en geheeldenken laat hij zien dat we het altijd anders kunnen doen, hoeveel tegenwerking we ook ervaren vanuit de politiek, de samenleving, onze vrienden en familie en onszelf. In heldere, beschouwende stijl geschreven. Voor de meer geoefende lezer. Jan Drost (1975) is een Nederlandse schrijver, docent en cultuurfilosoof. Hij schreef meerdere boeken.

Tekst op website uitgever
Hoe we betere mensen kunnen worden: een filosofisch pad voor verandering

Een mens kan niet zonder zijn gewoonten, maar het hardnekkig vasthouden aan verkeerde gewoonten heeft ons gebracht waar we nu zijn: in een klimaatcrisis van ongekende proporties. De enige uitweg uit deze crisis is verandering. Maar hoe begin je daarmee? Hoe maak je de juiste keuzes? Hoe houd je hoop? Hoe leer je trouw te zijn aan jezelf én aan de aarde?

In Dit is niet het einde zoekt Jan Drost naar een goed leven voor eenentwintigste-eeuwse mensen. Met behulp van schrijvers en denkers als Marcus Aurelius, Søren Kierkegaard en Hannah Arendt en aan de hand van begrippen als rouw, schuld, geweten, liefde en geheeldenken laat hij zien dat we het altijd anders kunnen doen, hoeveel tegenwerking we ook ervaren vanuit de politiek, de samenleving, onze vrienden en familie en onszelf. Drost toont ons hoe we een beter mens kunnen worden. Nu het nog kan.

Fragment uit Over het vertrouwen in de politiek
Ik vraag me af in hoeverre gewoontetrouw zich verhoudt tot vertrouwen, of er een verband tussen beide is. Dat is denk ik niet noodzakelijk. Ik bedoel, dat je nog steeds getrouwd bent met iemand wil niet zeggen dat je diegene ook vertrouwt. En ik heb een vrouw gekend die ter nagedachtenis van haar overleden vader elk jaar op zijn verjaardag in haar eentje een fles wodka van zijn favoriete merk leegdronk (en ondertussen ook wel), maar niet omdat hij nu zo'n heilige was, verzekerde ze me, eigenlijk was hij een enorme klootzak, die goed was in twee dingen: zuipen en iedereen in de steek laten. Maar dat mocht alleen zij over hem zeggen,

Hoe zit het met het vertrouwen in de politiek? Misschien hebben mensen ooit besloten een partij of politicus te vertrouwen en willen ze daarover verder niet meer nadenken - en doen ze dat ook niet. Maar ook dat is niet echt vertrouwen, dat is gewoontetrouw. En zelfs als het wel met vertrouwen begon: als vertrouwen eenmaal is verworden tot gewoontetrouw moet je van goede huize komen om dit nog aan het wankelen te kunnen brengen.

Vaak wordt gezegd dat mensen het vertrouwen in de politiek kwijt zijn. Maar kan dat eigenlijk wel als je in een democratie leeft? Want is dat niet wat op een partij stemmen betekent: dat je je vertrouwen aan die partij schenkt? Zodra je stemt schenk je je vertrouwen. Door niet te stemmen doe je feitelijk hetzelfde: daarmee geef je te kennen dat je erop vertrouwt dat de politiek en je medeburgers het wel zonder jouw inbreng afkunnen. Wat ons vertrouwen betreft lijkt een democratie inclusief: er is geen ontsnappen aan, ze krijgt het hoe dan ook van ons en het telt altijd mee. Dus ook als is je gang naar het stemhokje niet veel meer dan een beweging uit gewoontetrouw en komt er geen bewust vertrouwen aan te pas, er komt wel degelijk vertrouwen aan te pas.

Daarom kunnen we er maar beter voor zorgen dat het vertrouwen dat we schenken (en dat ons sowieso op democratische wijze ontfutseld wordt) een bewust en doordracht vertrouwen is, geschonken aan een partij die dat vertrouwen waard is. Een uit gewoonte geschonken vertrouwen is gevaarlijk, aangezien dat in de praktijk kan neerkomen op blinde steun aan machthebbers, die geen macht meer zouden moeten hebben, ana het goedkeuren van wat je eigenlijk afkeurt, aan het ondermijnen en dwarsbomen van waarden, deugden en idealen die behoren tot wat jij onder het goede leven verstaat. Misschien is het grootste probleem niet zozeer dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek (wat dat ook moge betekenen), maar dat mensen sommige partijen en politici nog steeds hun vertrouwen schenken. In vrijwel alle situaties waarin we van vertrouwen spreken, schenken we iemand ons vertrouwen tot het tegendeel te vaak is bewezen. Dan trekken we ons beschadigde vertrouwen in, of is het helemaal weg, en weten we dat de ander ons vertrouwen niet langer waard is (en zoeken we iemand die dat wel waard is). Bij het vertrouwen in de politiek lijkt deze reflectieve beweging dikwijls afwezig, dat lijkt soms wel immuun voor de werkelijkheid en vertrouwensschendingen die hierin plaatsvinden. Daarom is het belangrijk onze gewoontetrouw te wantrouwen, deze te bevragen, ondervragen. En als dat nodig is moeten we ook hier ontrouw zijn, en een andere partij en andere politici zoeken om trouw aan mij te zijn en ons vertrouwen aan te schenken.


Tegelijkertijd is er onder de stemmers een andere categorie gewoontepsychopaten, zij die hun vertrouwen wel degelijk bewust (in elk geval bewuster) schenken aan politici die ze beter niet kunnen vertrouwen. Hun 'vertrouwen' gaat vrijwel zonder uitzondering naar politici die de door hen gekoesterde gewoonten zeggen te vertegenwoordigen. Die beloven dat als je op hen stemt alles bij het oude blijft. Die zeggen dat 'het wel leuk moet blijven' en dat zij hun stinkende best doen om ervoor te zorgen dat de mensen gewoon van het leven kunnen blijven genieten, dat wil zeggen van hun vliegvakanties, hun dagelijkse bal gehakt, dat zij kunnen blijven boeren en zakendoen zoals zij altijd hebben gedaan, enzovoorts. Politici daarentegen die wijzen op de destructieve kanten van die gewoonten en die pleiten voor andere en betere gewoonten worden door deze gewoontepsychopaten ronduit gewantrouwd. Ze voelen zich zelfs persoonlijk door hen aangevallen. Het bekritiseren van hun gewoonten is voor hen iets existentieels bedreigend. En wie hun gewoonten afwijst, wijst ook de mensen af van wie zij die gewoonten geleerd hebben: kom je aan mijn gewoonten, dan kom je aan mijn familie, dan kom je aan mij. Beide aspecten van gewoontetrouw - trouw uit en trouw aan de gewoonte - komen hier samen in een zich onverzettelijk vastklampen aan en schrap zetten tegen. Een tunnelvisie die ertoe leidt dat mensen met liefde een gehaktbal boven de aardbol verkiezen, dat wat hen betreft de hele wereld mag vergaan zolang zij maar hun gewoonten hebben. Dit verklaart eveneens waarom hun vertrouwen vaak niet te schokken lijkt: ze vertrouwen erop dat de partijen waarop zij stemmen de door hen gekoesterde gewoonten verdedigen en zolang het eventuele wangedrag van politici ergens anders plaatsvindt, niet raakt aan het gebied van hun gewoonten en zij er dus niet de dupe van zijn (denken ze), vinden ze veel, zo niet alles best. (pagina 155-158)

Lees ook: Denken helpt (2015)

Terug naar Overzicht alle titels

Cody Hochstenbach 2

In schaamte kun je niet wonen : een persoonlijk verhaal over het ware gezicht van de wooncrisis
Das Mag 2023, 96 pagina's - € 15,--

Korte bio van Cody Hochstenbach (1989)

Korte beschrijving
Een boek over het fenomeen schaamte binnen de wooncrisis.  Cody Hochstenbach doet onderzoek naar de woningmarkt en publiceerde in 2022 het boek ‘Uitgewoond'. Hij schreef daarin onder andere over zijn vader die tijdelijk dakloos was en de sociale huurwoning van zijn moeder. Na publicatie was zijn moeder boos dat hij de vuile was buiten had gehangen. Dit bracht hem een nieuw inzicht: schaamte is cruciaal om de wooncrisis te begrijpen. Door schaamte centraal te stellen, schijnt Cody een nieuw licht op de impact van het woonbeleid dat stelselmatig levens verwoest. Essayistisch geschreven. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep.  Cody Hochstenbach (1989) is een Nederlandse auteur en stadsgeograaf. Hij doet veelal onderzoek naar de woningmarkt.

Tekst op website uitgever
Cody Hochstenbach doet onderzoek naar de woningmarkt en publiceerde in 2022 het invloedrijke Uitgewoond. Hij schreef daarin onder andere over zijn vader die tijdelijk dakloos was en de sociale huurwoning van zijn moeder.

Na publicatie belde zijn moeder hem boos op: waarom moest hij zo nodig de vuile was buiten hangen?

Dit telefoontje bracht hem een nieuw inzicht: schaamte is cruciaal om de wooncrisis te begrijpen.

Door schaamte centraal te stellen, schijnt Cody met dit vlammende én persoonlijke verhaal een nieuw licht op de impact van het woonbeleid dat stelselmatig levens verwoest.

Cody Hochstenbach (1989) is als stadsgeograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij spreekt zich tegenover een breed publiek fel uit over de wooncrisis. In 2019 ontving hij de prestigieuze NWO Veni-beurs om onderzoek te doen naar beleggers op de Nederlandse woningmarkt. Uitgewoond werd genomineerd voor de PrinsjesBoekenprijs en als NPO Radio 1 non-fictieboek van het jaar.

Fragment uit 2. Wie arm is, schaamt zich
In zijn boek Veranderen: Methode beschrijft Édouard Louis op een moment het huis waar zijn vader kwam te wonen nadat deze door zijn moeder was verlaten. Hij schrijft over 'de armoede waarvan zijn woonruimte tot de laatste centimeter was doortrokken, de frituurlucht, de enorme tv voor de tafel waaraan hij at, zijn lichaam dat kapotgemaakt was door een leven van geldgebrek en uitsluiting'. 
  het is alsof ik over mijn eigen vader en zijn sobere, vettig een karige appartement lees. het gaat hier niet zomaar om individuele ervaringen van uitsluiting, maar om uitingen van systemische klassenongelijkheid. 'Ik had niet een kindertijd gehad maar de kindertijd van een bepaalde klasse,' schrijft Louis dan ook.
  Destijds snapte ik niet waarom mijn vader niet 'gewoon' zorgde voor wat fatsoenlijke meubels, om het appartement op z'n minst wat aangenamer en huiselijker te maken. Natuurlijk had ik toen ook wel door dat hij weinig te besteden had, maar ik had denk ik niet door hóe weinig. De schuldeisers eisten nog steeds een flink deel van zijn salaris op, en voor mijn vader bleef er niet meer dan een wekelijks zakcentje over.
  Maar het was niet alleen een gebrek aan geld, het was ook een gebrek aan mentale rust en ruimte. De dakloosheid had hem permanent veranderd: hij was een ander persoon geworden. Hij bleef een teruggetrokken bestaan leven. Af en toe kwam er iemand van het Leger des Heils langs om te kijken hoe hij het er vanaf bracht in zijn nieuwe appartement. Het was onderdeel van de woonbegeleiding die mijn vader kreeg. Dat was ongeveer het enige bezoek dat hij ontving, verder kwam er praktisch nooit iemand over de vloer.
  Niet alleen leefde hij een veel teruggetrokkener bestaan dan voorheen; mijn vader stond vooral nog steeds in de overlevingsmodus. Wie bezig is met overleven, plant niet vooruit. De toekomst is een zorg voor later. Hij kon zich er niet toe zetten de slaapkamers ook maar een beetje in te richten, het licht in de badkamer te repareren, de keuken netjes te houden. De uitsluiting en ongelijkheid waren in het lichaam en de geest van mijn vader gekropen.
  In mijn tijd in Maastricht bleef ik de woonarmoede waarin hij zich bevond verbergen en nodigde bijvoorbeeld nooit vrienden bij mijn vader uit. Die twee jaar bleef ik bang voor de vernedering die ik zou moeten doorstaan als de realiteit het licht zou zien.  Ik vreesde dat zijn woonsituatie, de armoede die ervan uitging, negatief op mij zou afstralen, alsof het ok mijn persoonlijke tekortkoming was. Guitly by associaltion.
  De woonarmoede, wakkerde mijn klassenschaamte aan, maar die schaamte werd pas echt onvermijdelijk in vergelijking met anderen. Ik herinner mij een van de vele zomerse examenfeesten nadat mijn klasgenoten en ik klaar waren met de middelbare school. We hadden ons diploma binnen en zouden het jaar daarop naar de universiteit gaan; de meesten van ons zouden bovendien het ouderlijk huis verruilen voor een studentenkamer. Het feest was bij een klasgenoot thuis. Ik was er nog nooit geweest maar het bleek een luxe vrijstaande woning aan de rand van Maastricht te zijn. Van het feest kan ik me niets meer herinneren, maar van de woning en vooral de indruk waarmee ik achterbleef wel. De woning en vooral de uitgestrekte tuin waren gigantisch in vergelijking met mijn vaders armoedige, vettige appartement.
  De diepe ongelijkheid in woonomstandigheden voelde confronterend, kleinerend zelfs, hoe aardig de klasgenoot ook was. We hadden jarenlang een klaslokaal gedeeld, maar onze leefwerelden waren mijlenver van elkaar verwijderd!
  Zeker, mensen kunnen zich ook schamen voor hun bevoorrechte woonsituaties. De nooit echt aangeslagen term 'woonschaamte' refereert volgens het Instituut voor de Nederlandse Taal zelfs aan deze 'schaamte' die mensen voelen of sommigen zouden moeten voelen omdat ze zeer gunstige woonomstandigheden hebben in vergelijking met anderen die moeilijk aan een woning kunnen komen. Denk bijvoorbeeld aan jonge starters die enigszins gegeneerd moeten toegeven dat ze hun woning alleen maar dankzij financiële steun van hun ouders konden kopen. Of aan oudere koppels die niet kunnen ontkennen dat hun gezingswoning, na het uitvliegen van hun kinderen, eigenlijk veel te ruim voor ze is geworden. Maar dit soort schaamte is oppervlakkiger, zal zich niet vertalen in onoverkomelijke angst of paniek, zal hun leven niet beheersen, zal hen niet verlammen of tot een pijnlijk stilzwijgen dwingen. (pagina 41-43)
  

Lees ook: Uitgewoond : waarom het hoog tijd is voor een nieuwe woonpolitiek (2022)

Terug naar Overzicht alle titels

Jürgen Osterhammel

De metamorfose van de wereld : een mondiale geschiedenis van de negentiende eeuw
Atlas Contact 2022, 1178 pagina's  € 59,99

Oorspronkelijke titel: Die Verwandlung der Welt : eine Geschichte des 19. Jahrhunderts (2009)

Wikipedia: Jürgen Osterhammel (1952)

Korte beschrijving
De negentiende eeuw mag dan vaak gezien worden als een wat saaie tijd van hoepelrokken en hoge hoeden, waarin na de val van Napoleon tot aan de Eerste Wereldoorlog relatief weinig bloed werd vergoten, toch vonden er veel ontwikkelingen plaats die de basis legden voor onze huidige samenleving. Zoals de omvangrijke migratie tussen continenten, revoluties met nieuwe politieke stromingen, het ontstaan van de hedendaagse natiestaten en de opkomst van de industriële massaproductie. Tot nu toe stonden in de historiografie van deze periode vooral Europa en de Verenigde Staten centraal, maar Jürgen Osterhammel heeft er met dit boek een wereldgeschiedenis van gemaakt. Met tal van voorbeelden illustreert hij dat de landen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika weliswaar gedomineerd of beïnvloed werden door Europa, doch daarnaast eveneens een eigen ontwikkeling doormaakten die tot op de dag van vandaag zijn sporen nalaat. Het zal niet verrassen dat deze brede benadering tot een boek van bijna twaalfhonderd bladzijden heeft geleid, dat ook door het academisch taalgebruik een pittige uitdaging is voor de lezer.

Tekst op website uitgever
De metamorfose van de wereld is een monumentale geschiedenis van de negentiende eeuw. Een standaardwerk over de eeuw die de moderniteit vormgaf.

De metamorfose van de wereld is een monumentale geschiedenis van de negentiende eeuw. Jürgen Osterhammel vertelt een waarlijk mondiale (geen eurocentrische) geschiedenis met een adembenemende reikwijdte en een enorme eruditie. Hij neemt de lezer mee van Londen naar New Delhi, van de Latijns-Amerikaanse revoluties naar de Taipingopstand, van de opera van Parijs naar die van Manaus in Brazilië, van Europese emigranten naar de bedreigde nomadische stammen overal op onze planeet. Hij vertelt over een wereld die steeds meer vervlochten raakt door de telegraaf, het stoomschip en de spoorweg. Hij onderzoekt de veranderende relatie tussen mens en natuur, gaat uitvoerig in op de rol van de slavernij en de afschaffing ervan bij de opkomst van nieuwe naties, en vecht de wijdverbreide overtuiging aan dat in de negentiende eeuw de natiestaat triomfeerde. De metamorfose van de wereld werpt een nieuw en opwindend licht op de eeuw die korte metten maakte met eeuwen stilstand en, ten goede én ten kwade, de fundamenten legde voor onze hedendaagse wereld – de eeuw die de loop van de geschiedenis een geheel nieuwe wending gaf.


Fragment uit (de) Inleiding

Dit boek is een portret van een tijdperk. Het brengt een beschrijving in praktijk zoals die principieel ook op andere tijdperken kan worden toegepast. Zonder de aanmatigende ambitie te hebben een eeuw wereldgeschiedenis volledig en encyclopedisch in kaart te brengen wil het een interpretatie zijn die tegelijkertijd veel informatie bevat. De benadering is dezelfde als die van Christopher Bayly's  The Birth of the Modern World, een oorspronkelijk in 2004 verschenen en terecht zeer geprezen boek, een van de weinige voorbeelden van een geslaagde wereldhistorische synthese op het gebied van de laat-moderne tijd. Mijn boek is geen anti-Bayly, maar een alternatieve wereldgeschiedenis van een verwante geest. Beide boeken zien af van een regionale indeling naar landen, beschavingen of continenten. Beide vinden het kolonialisme en het imperialisme zo belangrijk dat ze er geen speciaal hoofdstuk aan wijden, maar die elementen wel voortdurend laten doorklinken. Beide gaan ook niet uit van een scherpe tegenstelling tussen wat Bayly in zijn Engelse ondertitel global connections and comparisons noemt; die kunnen en moeten met elkaar gecombineerd worden, en niet alle vergelijkingen hoeven volledig gedekt te worden door de strenge historische methodologie. Het gecontroleerde spel met associaties en analogieën levert soms - bepaald niet altijd - meer op dan een vergelijking die frikkerig volledig wil zijn.

In de twee boeken worden andere accenten gelegd: Bayly's specialisme is India, het mijne China; dat zal de lezer merken. Bayly is vooral geïnteresseerd in nationalisme, religie en bodily practices, de thema's van zijn misschien wel beste passages. In mijn boek worden migratie, economie, milieu, internationale politiek en wetenschap ruimer behandeld. Ik ben misschien wat 'eurocentrischer' ingesteld dan Bayly, ik zie de negentiende eeuw nog sterker dan hij als een Europese eeuw en ik kan bovendien niet verhullen dat ik gefascineerd ben door de geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika, een fascinatie die tijdens het schrijven is gegroeid. Wat het theoretisch kader betreft, zal mijn affiniteit met de historische sociologie snel duidelijk worden.

Het belangrijkste verschil tussen Christopher Bayly en mij betreft twee andere punten. In de eerste plaats is het onderhavige boek aan de chronologische uiteinden nog opener dan dat van Bayly. Het is geen afgebakende geschiedenis van een met jaartallen duidelijk te markeren periode. Daarom ontbreken er jaartallen in de titel, en daarom is er een apart hoofdstuk (II) gewijd aan de problemen van periodisering en tijdsstructuur. Het boek verankert de negentiende eeuw op verschillende manieren 'in de geschiedenis', en het permitteert zich vaak bewust een schijnbaar anachronistisch teruggaan naar de tijd vóór 1800 of 1780 en een vooruitlopen op onze tijd. Op die manier moet de betekenis van de negentiende eeuw als het ware in lange uithalen getrianguleerd worden. Soms is die eeuw ons vreemd, soms zeer vertrouwd; vaak is het de voorgeschiedenis van de huidige tijd, af en toe verzonken als Atlantis. Dit moet van geval tot geval bepaald worden. Bij de negentiende eeuw denken we minder aan een scherp afgebakend tijdperk dan aan iets met een eigen zwaartepunt, dat ongeveer in de jaren 1860 tot 1880 ligt, toen zich steeds meer innovaties met een wereldwijd effect voordeden en een aantal zelfstandig verlopende processen leek samen te gaan. Daarom wordt het begin van de Eerste Wereldoorlog in het onderhavige boek ook niet gezien als een onverhoedse en onverwachte gebeurtenis waarbij op het historische toneel het doek valt, zoals Bayly wel doet.

In de tweede plaats kies ik een andere vertelstrategie dan Christopher Bayly. Er bestaat een vorm van wereldgeschiedschrijving die je convergent-tijdsbewust zou kunnen noemen. Op die manier zijn enkele historici met een afgewogen oordeel, een enorme ervaring en veel common sense erin geslaagd hele wereldhistorische tijdperken in hoofd- en bijzaken dynamisch te presenteren. Twentieth Century : the History of the World van J.M. Roberts is er een schoolvoorbeeld van. Roberts verstaat onder wereldgeschiedenis 'het algemene, dat wat het verhaal (the story)  bijeenhoudt'. Het is een wereldgeschiedenis die telkens zoekt naar de belangwekkende en karakteristieke kenmerken van een tijd, die hij zonder een schema vooraf of een groot leidend idee op de achtergrond omvormt tot een continue vertelling. Eric J. Hobsbawn, die over een scheutje marxistische gestrengheid en dus over een kompas beschikt dat ik niet heb, heeft iets soortgelijks gedaan in zijn driedelige geschiedenis van de negentiende eeuw. Elk zijpad keert bij hem uiteindelijk terug naar de hoofdweg van de grote tendensen van het tijdperk. Bayly beoefent een andere methode, die je divergent-ruimtelijk kunt noemen. Dat is een gedecentraliseerd uitgangspunt, waarbij het verhaal niet onbelemmerd door het stromen van de tijd kan worden voortgestuwd. Een dergelijke geschiedschrijving beweegt zich minder lichtvoetig voort. Ze waaiert breed uit als het om gelijktijdigheid en dwarsverbindingen gaat, zoekt naar parallellen en analogieën, maakt vergelijkingen en poort verborgen verbanden op -0 terwijl ze chronologische opzettelijk open en vaag is, met weinig jaartallen toe kan en het verhaal op gang houdt door een niet al te strikte indeling van de hele beschreven periode in fasen. Terwijl Roberts - en hij is wat dit betreft representatief voor oudere wereldgeschiedenissen - dialectisch denkt in hoofd- en nevenontwikkelingen en onophoudelijk zoekt naar wat de geschiedenis - positief of negatief - telkens in beslissende mate heeft voortgestuwd, richt Bayly zich op afzonderlijke fenomenen en onderzoekt ze vanuit wereldwijd perspectief. (pagina 17-18)

Recensie: Anders kijken, meer zien (De Groene Amsterdammer, 16 maart 2022)

Terug naar Overzicht alle titels


maandag 21 augustus 2023

Matthijs de Ridder 2

Paul van Ostaijen : de dichter die de wereld wilde veranderen
Pelckmans 2023, 902 pagina's € 44,50

Korte biografie van Matthijs de Ridder (1979)

Korte beschrijving
Een vuistdikke (902 p.) biografie van Paul van Ostaijen. De Vlaamse dichter werd maar 32 jaar, maar het oeuvre dat hij schreef spreekt nu nog tot de verbeelding. Ieder genre dat hij aanpakte, vond hij opnieuw uit. Hij groeide uit tot een van de meest geliefde dichters uit de Nederlandse letteren. In de loop van zijn leven maakte hij de belegering van Antwerpen als ambtenaar mee. Vier jaar later was hij ooggetuige van de Novemberrevolutie in Berlijn en drukte vervolgens zijn stempel op de internationale avant-garde. Helder en met vaart geschreven. Met zwart-witfoto’s. Voor een brede tot geoefende lezersgroep. Matthijs de Ridder (1979) is de auteur van een oeuvre op het snijvlak van literatuur en geschiedenis zoals o.a. 'Rebelse ritmes' (2012) en 'De eeuw van Charlie Chaplin' (2017). Met 'Boem Paukeslag’, Op strooptocht door Paul van Ostaijens 'Bezette Stad' (2021) zette hij de toon voor deze literaire biografie.

Tekst op website uitgever
Paul van Ostaijens leven was in een flits voorbij. Tweeëndertig was de dichter slechts toen hij in 1928 stierf in een Waals sanatorium. Het oeuvre dat hij in zijn korte bestaan bij elkaar schreef, spreekt een eeuw later nog steeds tot de verbeelding. Van Ostaijen joeg de Nederlandse literatuur haast in zijn eentje de razendsnelle en gewelddadige twintigste eeuw binnen. Ieder genre dat hij aanpakte, probeerde hij opnieuw uit te vinden. Die compromisloze houding maakte zijn leven niet gemakkelijk, maar zorgde er wel voor dat hij uitgroeide tot een van de meest geliefde dichters uit de Nederlandse letteren.

In deze eerste volwaardige biografie van Paul van Ostaijen wekt Matthijs de Ridder ‘zot polleken’ tot leven. De dichter loopt weer rond in Antwerpen, waar hij het al op jonge leeftijd aan de stok kreeg met zijn leraren en niet veel later een trouw bezoeker werd van het bloeiende bioscoopwezen. Hij dwaalt door het Berlijn van de expressionisten en dadaïsten en zwerft door België op zoek naar gezonde lucht voor zijn zieke longen. Met veel enthousiasme en oog voor historisch detail vertelt De Ridder het meeslepende verhaal van een leven dat zich een paar keer in het centrum van de geschiedenis afspeelt.

Als in het najaar van 1914 alle ogen gericht zijn op de belegering van Antwerpen, zit Paul van Ostaijen daar als ambtenaar van de stadsdienst Politie en Militie middenin. Vier jaar later is hij ooggetuige van de novemberrevolutie in Berlijn en drukt hij vervolgens zijn stempel op de internationale avant-garde. Telkens probeert Van Ostaijen zijn beweeglijke tijd met vindingrijke poëzie, scherpe essays en spitsvondig proza tot nog wat extra haast te manen. Want als hij één droom heeft, dan is het dat hij met zijn werk de wereld een klein beetje kan beïnvloeden.


Fragment uit Bob - Het leven door een artistieke bril 1913

  'Vanavond wonen we buiten', zei de moeder in Van Ostaijens verhaal 'Het landhuis in het dorp'. 
 'Van school kom je daarheen'. 
  Zeventien jaar had Pol nooit ergens anders gewoond dan in het huis waarin hij geboren was. Daar kwam in het voorjaar van 1913 - in maart volgens het verhaal, of iets later zoals het bevolkingsregister suggereert - plots een einde aan. Hendrik en Maria van Ostaijen hadden besloten dat ze hard genoeg hadden gewerkt. De rest van hun dagen wilden ze in alle rust doorbrengen in de landelijke omgeving van Hove, een dorpje even ten zuiden van Antwerpen. Ze ruilden het winkelpand in de drukke Lange Leemstraat in voor de parmantige villa Jeanne aan de Lintsesteenweg. 'Men kon feitelijk zeggen dat het landhuis [...] het laatste huis van het dorp was', aldus Van Ostaijen. 'het lag aan de steenweg, reeds te midden van de velden.'
  De verhuizing naar Hove was de kroon op de carrière van Hendrik en Maria. Na veertig jaar hard werken en slim investeren konden ze gaan rentenieren. Weliswaar niet helemaal op stand - een stadspaleis in het oude centrum lag niet meteen binnen handbereik - maar het leven op den buiten was een rijkdom in zichzelf.
  Dat laatste hield vooral Pol - dringend op zoek naar een argument om deze verandering positief te duiden - zichzelf voor. Voor zijn ontwikkeling kwam deze stap namelijk erg ongelegen. Op school maakte hij ogenschijnlijk weinig vorderingen. Het nieuwe jaar was hij weer in de derde Grieks-Latijnse begonnen, terwijl mensen van zijn geboortejaar vaak al uitzicht hadden op een diploma. In de bredere jongerenbeweging leek er echter toch eindelijk iets in beweging te zijn gekomen. Wat precies was nog moeilijk te zeggen. Sinds de Conscience-herdenking en de affaire-Ledegouwer was vooral het besef toegenomen dat deze generatie zélf in actie moest komen, in plaats van te gaan zitten wachten op de veranderingen waar nu al zo lang om werd gevraagd. Sinds De Goedendag zich erg koeltjes had opgesteld tijdens de Conscience-hulde en Ledegouwer zich in zijn debuutbundel totaal leek te hebben losgezongen van de tradities, lag de mogelijkheid van een breuk met het verleden op tafel

Lees vooral ook: De eeuw van Charlie Chaplin (uit 2017)

Terug naar Overzicht alle titels

zaterdag 19 augustus 2023

Ian Buruma


In de schaduw van het kwaad : Eichmann in Jeruzalem

Prometheus 2023, 94 pagina's € 16,99
Reeks Nieuw licht

Wikipedia: Ian Buruma (1951)

Korte beschrijving
Een politiek-filosofisch essay over het kwaad. Vanaf het moment dat Ian Buruma als dertienjarige over de veroordeling van de beruchte SS-functionaris Adolf Eichmann las, heeft het kwaad als fenomeen hem niet meer losgelaten. Hij duikt in Hannah Arendts analyse van het proces-Eichmann en komt zo via haar ideeën over de banaliteit van het kwaad en over het totalitarisme uit bij het onbarmhartige kwaad zoals we dat in onze tijd aantreffen in vluchtelingencrises, vreemdelingenhaat en complottheorieën. Intelligent en verdiepend geschreven. Geschikt voor een geoefende lezersgroep. Ian Buruma (Den Haag, 1951) is een wereldberoemde Nederlandse schrijver, historicus, columnist en academisch docent. Hij schreef vele boeken. Zijn werk werd in meer dan twintig landen uitgegeven. Het boek maakt deel uit van de serie: ‘Nieuw Licht’.

Tekst op website uitgever
Vanaf het moment dat Ian Buruma als dertienjarige over de veroordeling van de beruchte SS-functionaris Adolf Eichmann las, heeft het kwaad als fenomeen hem niet meer losgelaten. Hoewel het geweld van de Holocaust het ijkpunt is geworden voor ons hedendaagse begrip van het kwade, ziet Buruma dat er nog veel ontbreekt aan onze opvatting van het kwaad. Hij duikt opnieuw in Hannah Arendts analyse van het proces-Eichmann en komt zo via haar ideeën over de banaliteit van het kwaad en over het totalitarisme uit bij het onbarmhartige kwaad zoals we dat in onze tijd aantreffen in vluchtelingencrises, vreemdelingenhaat en complottheorieën. ‘Politieke tegenstanders zijn niet langer mensen met een ander standpunt, of met andere belangen, maar immorele schurken die men het liefst uit de weg zou willen ruimen. Als bange mensen overtuigd zijn dat ze te kampen hebben met boze machten, dan is het hek van de dam, want dan is alles geoorloofd om zich daartegen te verweren.’

Ian Buruma (1951) is journalist en schrijver. Hij schreef vele boeken, onder andere over Aziatische landen, het islamitisch fundamentalisme, de problemen van hedendaagse democratieën en de Tweede Wereldoorlog. Buruma ontving in 2008 de Erasmusprijs en in 2019 werd hem de Gouden Ganzenveer toegekend.

Fragment uit Het pamflet - In de schaduw van het kwaad. Eichmann in Jeruzalem
Tijdens de Auschwitzprocessen in Frankfurt tussen 1963 en 1965 werden de ergste daders over heel Duitsland berucht. Kranten schreven in geuren en kleuren over hun wandaden: Wilhelm Boger met zijn schommel, waaraan mensen ondersteboven werden vastgeketend en afgerost; Oswald Kaduk, die met honden mensen de gaskamers injoeg. De jonge schrijver Martin Walser, die de processen bijwoonde, uitte zich kritisch hierover. Hij vond dat de vaak sensationele aandacht voor de gruwelijke daden van de ploerten het veel te gemakkelijk maakte voor de meeste Duitsers om hun eigen verantwoordelijkheid te ontduiken. De meeste mensen - ook Eichmann niet - waren tenslotte geen brute sadisten zoals Boger of Kaduk.
  Toch is vaak geopperd dat dit soort kwaad sluimert in al onze harten. Onder bepaalde omstandigheden zouden we allemaal in staat zijn om mensen te martelen, verkrachten of te vergassen. Abram de Swaan heeft deze these overtuigend tegengesproken. Niet alles hangt van omstandigheden af. Persoonlijke aard peelt ook een rol. Walser had gelijk: Het is voor de meeste mensen inderdaad lastig voor te stellen dat zij als beesten tekeer zouden gaan in een martelkamer. Maar om macht over leven en dood uit te oefenen van achter een bureau, of als spoorwegambtenaar die gewoon zijn werk doet, dat is niet zo moeilijk voor te stellen.
  Maar het waren de Bogers en de Kaduks, die miezerige navolgers van Richard III, die zich schuldig hadden gemaakt aan 'excessen', die de zwaarste straffen kregen in de Duitse tribunalen. Helpers, die hun plicht deden, ook bij het vergassen en doodschieten, maar zonder zichtbaar plezier of wellust, kregen veel lichtere straffen, en gingen soms zelfs vrijuit. Het uitgangspunt was nog steeds dat een dader bewust kwaad moest doen. Dat was nu precies waar Arendt zich tegen verzette. In de Verbrecher-staat bestaat geen duidelijk verschil tussen daders en helpers. Bijna iedereen was gecorrumpeerd, haast iedereen was schuldig. Maar het was ook door deze gedachtegang dat Arendt in een val trapte, wat haar tot het eind van haar leven kwalijk is genomen. (pagina 34-36)

Terug naar Overzicht alle titels

Hannah Arendt 3

Tussen verleden en toekomst : acht oefeningen in het politieke denken
Octavo 2023, 381 pagina's  - € 29,50

Oorspronkelijke titel: Between Past and Future, Eight Exercises in Political Thought (1961)

Wikipedia: Hannah Arendt (1906-1975)

Korte beschrijving
'Tussen verleden en toekomst' (1968) bevat acht essays van Hannah Arendt (1906-1975): oefeningen in het politieke denken zonder een beroep te doen op de traditionele categorieën van de politieke filosofie. Typerend voor haar werk is de voortdurende verbinding van denken en oordelen. Arendt richt zich daarbij op klassieke begrippen als ‘autoriteit’, ‘vrijheid’ en ‘waarheid’ en brengt de oorspronkelijke geest daarvan weer aan het licht. Bij die opgave is het onderscheid tussen de traditie en het verleden cruciaal. Arendt graaft fragmenten uit het verleden op, onthult de oorsprong van begrippen, maar niet om een brug te slaan tussen het verleden en een utopische toekomst. Ze wil het heden verhelderen. Enkele essays zijn eerder zelfstandig gepubliceerd. In deze uitgave een voorwoord van Arendt waarin ze de samenhang tussen de onderdelen toelicht. Met voorafgaand een mooie inleiding van Jerome Kohn en afgesloten met noten, annotaties en namenregister.

Tekst op website uitgever
Tussen verleden en toekomst (1968) bevat acht essays van Hannah Arendt, die letterlijk essays zijn: oefeningen in het politieke denken zonder een beroep te doen op de traditionele categorieën van de politieke filosofie. Arendt richt zich op klassieke begrippen als ‘autoriteit’, ‘vrijheid’ en ‘waarheid’ – begrippen die in de politieke taal tot lege hulzen zijn verworden – en brengt de oorspronkelijke geest daarvan weer aan het licht. Bij die opgave is het onderscheid tussen de traditie en het verleden cruciaal. De misdaden van de totalitaire regimes in de twintigste eeuw hebben geleid tot een definitieve breuk in de traditie. Arendt graaft fragmenten uit het verleden op, onthult de oorsprong van begrippen, maar niet om een brug te slaan tussen het verleden en een utopische toekomst. Ze wil het heden verhelderen. Arendt denkt op het snijpunt van verleden en toekomst, en nodigt ons uit om met haar mee te denken. Bekende essays als ‘Wat is autoriteit?’, ‘De crisis in de cultuur’ en ‘Waarheid en politiek’ zijn eerder zelfstandig gepubliceerd, maar de bundel is in ons taalgebied nooit in zijn geheel vertaald. In deze uitgave worden de acht essays, met het voorwoord van Arendt waarin ze de samenhang daartussen toelicht, voor het eerst in een Nederlandse editie bijeengebracht. Hannah Arendt (1906-1975) was een Duits-Amerikaanse filosoof en politiek denker. Haar boeken over totalitarisme en revolutie zijn klassiekers in de politieke theorie. Typerend voor haar werk is de voortdurende verbinding van denken en oordelen.

Fragment uit 3. Wat is autoriteit?
Om elk misverstand voor te zijn: het was misschien verstandiger geweest om in de titel te vragen 'Wat is autoriteit?' en niet 'Wat is autoriteit?' Mijn stelling is namelijk dat we geneigd en gerechtigd zijn om deze kwestie aan de orde te stellen, omdat autoriteit uit de moderne wereld is verdwenen. Aangezien we niet langer kunnen terugvallen op authentieke en onbetwistbare ervaringen die allen gemeen hebben, is de term zelf vertroebeld geraakt door onenigheid en verwarring. Slechts weinig over de aard ervan is vanzelfsprekend of nog begrijpelijk voor iedereen, al herinnert de politieke wetenschapper zich wellicht dat dit begrip ooit fundamenteel was voor de politieke theorie, en zullen de meeste mensen wel beamen dat de ontwikkeling van de moderne wereld in de twintigste eeuw gepaard ging met een voortdurende, zich steeds verder uitbreidende en verdiepende crisis rond autoriteit.

Deze crisis, die al sinds het begin van de twintigstee eeuw waarneembaar is, is wat oorsprong en aard betreft politiek. De opkomst van politieke bewegingen die uit waren op vervanging van het partijstelsel en de ontwikkeling van een nieuwe, totalitaire regeringsvorm, vond plaats tegen de achtergrond van een meer of minder algemeen, meer of minder dramatisch verval van alle traditionele autoriteiten. Dit verval was nergens het directe resultaat van handelen van de regimes of bewegingen zelf; het leek er eerder op dat het totalitarisme in de vorm van bewegingen of regimes het meest geschikt was om gebruik te maken van een algemene politieke en sociale atmosfeer waarin het partijstelsel zijn aanzien had verloren en de autoriteit van de regering niet langer erkend werd. 

Het belangrijkste symptoom van de crisis, waaruit de diepte en de ernst ervan blijken, is dat ze zich heeft uitgebreid tot zulke voorpolitieke terreinen als de opvoeding van kinderen en het onderwijs, waar autoriteit in de breedste zin werd geaccepteerd als een natuurlijke noodzakelijkheid; net zo goed nodig om in een natuurlijke behoefte te voorzien - de hulpeloosheid van het kind - als vereist omwille van een politieke noodzaak, namelijk de continuïteit van een gevestigde beschaving die alleen gewaarborgd kan worden als men de nieuwkomers-op-grond-van-geboorte leidt en begeleidt door een eerder ingerichte wereld, waarin ze als vreemden geboren worden. Vanwege zijn simpele en elementaire karakter heeft deze vorm van autoriteit in de loop van de geschiedenis van het politieke denken als model gediend voor een grote verscheidenheid aan autoritaire bestuursvormen, zodat het feit dat zelfs deze voorpolitieke autoriteit, die de relaties tussen volwassenen en kinderen en tussen docenten en leerlingen beheerste, niet langer vanzelfsprekend is, erop duidt dat alle eeuwenoude metaforen en modellen voor autoritaire betrekkingen hun plausibiliteit hebben verloren. Zowel praktisch als theoretisch zijn we niet meer in een positie om te weten wat autoriteit werkelijk is. (pagina 131-132)

Lees ook: Totalitarisme, gevolgd door Het verval van de nationale staat en het einde van de rechten van de mens (2014) en De vrijheid om te zijn (uit 2019).

Terug naar Overzicht alle titels


dinsdag 8 augustus 2023

Ivan Jablonka

Mannen die deugen : op zoek naar een nieuwe vorm van mannelijkheid
Prometheus 2020, 422 pagina's € 9,90

Oorspronkelijke titel: Des hommes justes (2019)

Wikipedia: Ivan Jablonka (1973)

Korte beschrijving
Het traditionele idee van mannelijkheid staat al geruime tijd ter discussie. De privileges van de man zijn tot op de huidige dag vrijwel onaangetast gebleven. Toch moet dat veranderen. De onrust hierover en het verzet van mannen hiertegen is hoofdzakelijk ingegeven door de vrees om niet langer te domineren. De tijd is rijp voor een nieuw maatschappelijk streven, namelijk naar genderrechtvaardigheid. In de eerste drie hoofstukken van dit cultuurfilosofische boek laat de Franse auteur, historicus en docent Ivan Jablonka (1973) mooi zien hoe de macht van mannen is opgebouwd, functioneert en hoe die vervolgens door de opkomst van het feminisme is omvergeworpen. Het laatste deel gaat over hoe mannelijkheid opnieuw gedefinieerd kan worden. Erudiet, voor een breed publiek toegankelijk en geschreven vanuit een sympathiek gevoel van urgentie en morele noodzakelijkheid. Met noten en een personenregister.

Tekst op website uitgever
Het is hoog tijd dat mannen in de spiegel kijken en zich aanpassen aan een wereld die verandert. Wat moet een man tegenwoordig doen om te deugen? Hoe behoort een man zich te gedragen als hij een goede partner wil zijn, een goede vader, een goede burger? Hoe dient hij om te gaan met vrouwen, privé, op het werk, in de samenleving? Wat kan hij doen en vooral: wat kan hij beter laten? Mannen zijn onzeker. De vele voorrechten die ze sinds jaar en dag genoten verdwijnen in ijltempo. Moeten ze zich krampachtig blijven vastklampen aan hun laatste privileges of de nieuwe vrijheden van de vrouw juist bevorderen en aanmoedigen? Ivan Jablonka roept mannen op zich niet te verschansen in de hoop op een terugkeer van de goede oude tijden. Mannen moeten zich actief inzetten door in hun eigen leven gestalte te geven aan een nieuwe vorm van mannelijkheid. Een mannelijkheid die vrouwen – en mannen die afwijken van de norm – niet langer onderdrukt. Een mannelijkheid waarbij de eigen tekortkomingen eindelijk onder ogen worden gezien: een mannelijkheid die uitdagingen aandurft. Een mannelijkheid met het lef om te deugen. Ivan Jablonka (1973) is historicus en schrijver. Hij doceert in Parijs. Voor zijn boek Laëtitia ou la fin des hommes, over seksueel geweld tegen een jonge vrouw, ontving hij de prestigieuze Prix Médicis. Zijn werk is in twaalf talen vertaald.

Fragment uit 3. Vormen van mannelijke overheersing
Vier triomfen van mannelijkheid

Het belangrijkste blijft echter om in al deze vormen van mannelijke overheersing dagene te doorgronden wat tot stand is gebracht om de macht uit te kunnen oefenen - om het vermogen te scheppen als man gehoorzaamheid af te dwingen.

'Pronkende mannelijkheid' laat zich gelden door vertoon van kracht, begeerte, moed of vrijgevigheid: opschepperij, hard praten, alles tot de laatste cent uitgeven, altijd bereid zijn om te vechten, roekeloze waaghalzerij om te laten blijken uit welk hout men gesneden is. Aan het begin van het naar hem vernoemde epos gedraagt Gilgamesj, de jonge koning van Uruk, zich arrogant: hij is zeker van zichzelf en van zijn kracht, altijd bereid naar de wapens te grijpen en hij ontvoert de dochters van zijn onderdanen.

()

De 'mannelijkheid van zelfbeheersing' drukt de innerlijke kracht uit die de man in staat stelt zijn hartstochten te temmen, zijn eetlust in te tomen, zijn geweldgebruik te temperen. Dit beschavingsproces in de zin van Norbert Elias is het ideaal van talloze filosofieën: het afstand nemen van begeertes van Boeddha, het stoïcijnse zelfbewustzijn van Epictetus en Marcus Aurelius, de bestrijding van wellust in christendom en soefisme, de ingetogenheid van de confuciaanse mandarijn, de stugge onbuigzaamheid van de 'zwarte huzaren' (Franse onderwijzers ten tijde van het doorvoeren van de strikte scheiding tussen kerk en staat) waar een antiklerikale socialist als Charles Séguy zo dol op was, het selfgovernment van de gentleman in het Britse wereldrijk bij Kipling of bij Baden-Powell in de padvindersvariant. Militaire parades vergen lichamelijke discipline en strak afgemeten gebaren, zoals bijvoorbeeld de silent drill in de Verenigde Staten, een heuse choreografie met geweren van een marinierspeloton. 

()

De 'mannelijkheid van zelfopoffering' is even gruwelijk als grandioos en bestaat uit vrijwillige zelfverloochening. En dan gaat het niet zozeer om het verspelen van het leven, maar om het op te offeren aan een bepaald doel, uit trouw aan een transcendente overtuiging. De man is bereid te sterven voor een ander of iets anders: zijn God, zijn koning, zijn vorst, zijn vaderland, zijn dame, zijn familie of de hele mensheid. De man verdwijnt in zijn missie. Dat geldt voor elle vermoorde profeten: Lincoln, Jaurès, Gandhi, Martin Luther King, Yitzhak Rabin. En voor alle soldaten die wilden sterven en dat ook lieten weten: Péguy en Pischari die werden neergemaaid in 1914, Robert Hertz, die de oorlog zag als 'iets verhevens', of John Wheeler, wiens vastberadenheid niet beïnvloed werd door de Vietnamoorlog: 'Sommige zaken zijn het waard om voor te sterven. Dat is een mannelijke uitspraak.'

()


De vierde en laatste vorm van mannelijke overheersing die we onderscheiden, de 'dubbelzinnige mannelijkheid', is een superieure vorm van overheersing vanwege het vermogen ook het vrouwelijke in zich op te nemen. Als vader en moeder van Israël neemt JHWH ook de taken van zijn echtgenote Asjera over. In metaforisch opzicht schenkt hij het leven, zoals in het Bijbelboek Jesaja, waar hij hijgt 'als een barende vrouw'.  De halfgod Gilgamesj beeft in het aangezicht van de reus van Humbaba en beweent zijn vriend Endiku. Ina archaïsch Griekenland schamen de helden zich niet voor de tranen die over hun wangen biggelen: Achilles huilt om de dood van Patroclus, Agamemnon huilt na zijn triomfen bij Troje, Odysseus huilt bij het zien van de zee. Vanaf de eeuw van Pericles blijft huilen voorbehouden aan vrouwen, maar vanaf de Romantiek is er sprake van een terugkeer van de traditie van de 'gevoelige man', van de Schotse schrijver Henry Mackenzie met zijn roman The Man of Feeling (1771) tot de Franse dichter Lamartine.
  Van de Klassieke Oudheid tot de achttiende eeuw hebben hooggeplaatste mannen veel attributen gemeen met vrouwen, zoals gewaden, kniekousen, hakken, pruiken, poeders, diademen en ringen. Sukeroku, een personage in het Japanse kabukitheater, is een opgemaakte samoerai met parasol en paarse haarband (als bij een vrouw vastgeknoopt aan de rechterkant), die bij zijn opkomst een uitgebreid dansje maakt. Met zijn charme, zijn poses, zijn panache, zijn schelmse en dandyeske bravoure ontketent hij bij zijn toeschouwers een uitzinnig enthousiasme. Geisha's krijgen zelfs de raad zich bij hem te laten bijscholen in vrouwelijkheid.

In de tweede helft van de twintigste eeuw spelen de allergrootste mannelijke sterren ook met deze dubbelzinnigheid, van Elvis Presley en Marlon Brando in de Verenigde Staten en Patrick Dewaere en Gérard Depardieu in Frankrijk tot 'metroseksuele' voetballers als David Beckham. Een vrouw blijft geketend aan haar sekse, maar de echte man kan zich alles veroorloven: zachtheid én gewelddadigheid, wapens én juwelen, tranen én hardheid. Je vijanden verpletteren door het lef te hebben om te koketteren met vrouwelijkheid: dat is pas het toppunt van mannelijkheid. (pagina 81-84)

Artikel waarin deze vier 'triomfen' worden meegenomen: Alkibiades, tot slot – een mythe geworden? (oktober 2023)

Lees: Alkibiades van Ilja Leonard Pfeijffer (uit 2023), een voorbeeld van zo'n soort man.

zondag 6 augustus 2023

Richard Powers

Tot in de hemel
Atlas Contact 2018, 602 pagina's € 20,--

Oorspronkelijke titel: The overstory (2018)

Wikipedia: Richard Powers (1957)

Korte beschrijving
Bomen spelen een belangrijke rol in de levens van meerdere personages. Een professor wordt verketterd vanwege haar theorie dat bomen met elkaar kunnen communiceren, een Noorse immigrant maakt jaarlijks een foto van een groeiende kastanjeboom, een verlamde man krijgt inzicht in het groeiproces van bomen en een vrouw wordt ecoterrorist om te voorkomen dat talloze bomen om commercieel gewin worden gekapt. En nog meer personages worden door bomen geïnspireerd. Dat geldt ook voor de schrijver (1957), die in en tussen de regels aangeeft hoe belangrijk bomen zijn voor ons ecosysteem en hoe achteloos wij daarmee omgaan. Hij maakt tegelijkertijd duidelijk hoe weinig een mensenleven eigenlijk voorstelt in vergelijking met de constante boomgroei van honderden jaren of meer. Uiteraard komen in de loop van de roman personages met elkaar in contact. Essentiëler is het gevoel dat elke boom een eigen roman verdient en dat de uitroeiing van bomen een onomkeerbare stap in de uitputting van de aarde zal zijn. Zeer indrukwekkend.

Tekst op website uitgever
Een monumentale roman over bomen en mensen. Een meeslepende vertelling over activisme en verzet, en tegelijkertijd een loflied op een wereld naast de onze.

‘Tot in de hemel’ van Richard Powers is het verhaal van negen mensen die de wereld van de bomen leren zien – en horen. Een laadmeester bij de Amerikaanse luchtmacht die tijdens de Vietnamoorlog gered wordt door een bodhiboom, een verguisde wetenschapster die bomen met elkaar hoort communiceren, een kunstenaar met een bijzondere verzameling foto’s van een bedreigde kastanje soort: deze drie, en nog zes anderen, allen onbekenden van elkaar, zullen op verschillende manieren betrokken raken bij een laatste, heftige verzetsdaad om de resterende paar hectare oerwoud van het Noord-Amerikaanse continent van de ondergang te redden. ‘Tot in de hemel’ is Powers ten voeten uit: een verrassende fusie van natuurwetenschap en literatuur, een monumentale roman over bomen en mensen. Het is een meeslepende vertelling over activisme en verzet, en tegelijkertijd een loflied op een wereld naast de onze.

Fragment uit Patricia Westerford
Bill Westerford neemt Patricia op zijn werkbezoeken als landbouwadviseur mee naar boerderijen in Zuidwest-Ohio. Ze zit als bijrijder in de gebutste Packard met zijn grenen zijpanelen. De oorlog is voorbij, de wereld is aan de beterende hand, het land is in de ban van de wetenschap, de sleutel tot een beter bestaan, en Bill Westerford laat zijn dochter de wereld zien.
  Patty's moeder heeft bezwaar tegen deze tochten. Het meisje moet naar school. Maar het zachte gezag van haar vader wint het uiteindelijk. 'Ze zal nergens zoveel leren als bij mij.'
  Rijdend langs mijlen omgeploegd akkerland houden ze hun mobiele privéles. Hij zit met zijn gezicht naar haar toe, zodat ze zijn bewegende lippen kan lezen. Ze lacht om zijn verhalen - laag, traag gebulder - en gist enthousiaste antwoorden op al zijn vragen. Waarvan zijn er meer: sterren in de Melkweg of bladgroenkorrels in een enkel blad of graantje. Welke bomen bloeien voordat ze bladeren hebben, en welke daarna? Waarom zijn de bladeren boven in een boom vaak kleiner dan die onderaan? Als je op de hoogte van vier voet je naam in de schors van een beuk kerft, op welke hoogte zou je hem dan na een halve eeuw terugvinden?
  Het antwoord op die laatste vraag vindt ze prachtig: op vier voet. Nog steeds vier voet. Altijd vier voet, hoe hoog de beuk ook wordt. Een halve eeuw later zal ze dat nog steeds een prachtig antwoord vinden.
  Het logische gevolg van dit alles is dat haar eikeltjesanimisme langzaam maar zeker verandert in botanische belangstelling. Ze wordt haar vaders beste en enige leerling, om de eenvoudige reden dat niemand anders in het gezin ziet wat hij weet: planten zijn eigenzinnig en gewiekst en ergens op uit, net als mensen. Op hun autotochten vertelt hij haar alles over alle indirecte wonderen die door de groene wereld kunnen worden bewerkstelligd. De mens heeft niet het monopolie op merkwaardig gedrag. Andere wezens - grotere, tragere, oudere, bestendigere - hebben het voor het zeggen, zijn verantwoordelijk voor het weer, voeden de schepping en scheppen zelfs de lucht.
 


'Bomen zijn een fantastisch idee. Zo fantastisch dat de evolutie ze keer op keer opnieuw uitvindt.'
  Hij leert haar een gladbladige van een witte bitternoot te onderscheiden. Niemand bij haar op school kent zelfs maar het verschil tussen een bitternoot en een hopbeuk. Dat vindt ze bizar. 'Kinderen in mijn klas vinden dat een zwarte walnoot er hetzelfde uitziet als een Amerikaanse es. Zijn ze blind of zo?'
  'Ze zijn plantenblind. Adams vloek. We zien alleen de dingen die op ons lijken. Treurig verhaal, hè, meissie?'
  Haar vader heeft de zelf ook de nodige moeite met de homo sapiens. Hij zit klem tussen brave lieden met familiebedrijven die er niet in slagen de aarde naar hun hand te zetten en grote ondernemingen die hun een compleet arsenaal aan producten willen verkopen om volledige onderwerping van diezelfde aarde af te dwingen. Wanneer de dagelijkse frustraties hem te veel worden, slaakt hij een zucht en zegt iets wat alleen bestemd is voor Patty's gebrekkige oren. 'Ach, doe mij maar een heuvel met een helling die wegleidt van de stad.'
  Ze rijden door een gebied dat ooit overdekt was met een donker beukenwoud. 'De beste boom die je je maar kunt wensen.' Sterk en breed, en toch zo sierlijk, met een statig uitlopende basis die zijn eigen voetstuk vormt. Kwistig met noten voor wie maar wil. Zijn gladde, witgrijze schors lijkt meer op steen dan op hout. De perkamentkleurige bladeren die de winter doorstaan - marescent, vertelt hij haar - en afsteken tegen het kale hardhout waardoor ze worden omringd. Elegant, met robuuste takken, die zoveel weg hebben van mensenarmen en waarvan de uiteinden omhoogstaan, als handen die iets aanreiken. In het voorjaar is hij bleek en schimmig, maar in de herfst verspreiden zijn vlakke, uitwaaierende twijgen een gouden gloed.
  'Waardoor zijn ze verdwenen?' De woorden van het meisje klonteren samen onder het gewicht van haar verdriet.
  'Door ons.' Zee heeft het idee dat ze haar vader hoort zuchten, al heeft hij zijn bliek niet van de weg afgekeerd. (pagina 144-146)



Lees ook: De boom van Govert Derix (uit 2021)

Boeken over onze nieuwe omgang met niet-dieren en dingen

Terug naar Overzicht alle titels

Amitav Ghosh 2

Te groot om ons voor te stellen
EPO 2022, 270 pagina's € 24,90

Oorspronkelijke titel: The great derangement : climate change and the unthinkable (2016)

Wikipedia: Amitav Ghosh (1956)

Korte beschrijving
Een kritisch essay van Amitav Ghosh over het onvermogen van kunst en literatuur maar ook van geschiedschrijving en politiek om de schaal en het geweld van de klimaatverandering te vatten. Science fiction en non-fictie te over wat betreft klimaatverandering en haar apocalyptische vooruitzichten, maar, vraagt Amitav Ghosh zich af: waar zijn de Guernica, Apocalypse Now of ‘Oorlog en vrede’ voor het klimaat? In zijn essay beschrijft hij de klimaatcrisis als een crisis van de cultuur en van de verbeelding, en doet een oproep om de meest urgente taak van onze tijd onder ogen te zien.’Te groot om ons voor te stellen’ is in een scherpzinnige en overtuigende stijl geschreven. Geschikt voor een geoefend lezerspubliek. Met een voorwoord van Dirk Holemans, coördinator van Belgische denktank Oikos. Amitav Ghosh (1956) debuteerde in 1986 met 'The Circle of Reason'. Ondertussen is hij een van de toonaangevendste schrijvers in India. Zijn werk verschijnt in meer dan dertig talen.

Tekst op website uitgever
In dit bejubelde essay onderzoekt Amitav Ghosh het onvermogen van kunst en literatuur maar ook van geschiedschrijving en politiek om de schaal en het geweld van de klimaatverandering te vatten.Wat zeiden kunst en literatuur begin 21ste eeuw over het vooruitzicht dat de zee op een dag steden als New York en Bangkok zou verzwelgen? Als toekomstige generaties ooit antwoorden op die vraag zoeken, zullen ze snel rond zijn. Sciencefiction, non-fictie en documentaires bij de vleet, jazeker. Maar voor het klimaat geen Guernica, Apocalypse Now of Oorlog en vrede. Misschien besluiten onze nazaten wel dat kunst-van-toen mensen ervan weerhield hun benarde situatie te herkennen. En heel misschien dopen ze dit tijdgewricht dan De Grote Verwarring. In dit bejubeld essay onderzoekt Amitav Ghosh, samen met Salman Rushdie een van de reuzen van de Indiase letteren, het onvermogen van kunst en literatuur maar ook van geschiedschrijving en politiek om de schaal en het geweld van de klimaatverandering te vatten. Omgekeerd, merkt hij op, is de klimaatcrisis ook een crisis van de cultuur en dus van de verbeelding. Een oproep om de meest urgente taak van onze tijd onder ogen te zien. In samenwerking met Oikos. Met een voorwoord van Dirk Holemans.

Fragment uit (het) Voorwoord bij de Nederlandse uitgave
'Bomen waren mijn leraars', schreef de Duitse dichter Friedrich Hölderlin, en als er op aarde één plek is die hetzelfde van zichzelf zou kunnen zeggen, dan is dat Ternate. Dat piepkleine eiland in de archipel die men vroeger de Molukken placht te noemen, maakt nu deel uit van de provincie Noord-Maluku, helemaal in het oosten van Indonesië. De zee is er bezaaid met vulkanische eilanden en een daarvan is Ternate; het oppervlak van het eiland is niets anders dan de zacht hellende kegel van de vulkaan Gamalama, die 1715 meter uit de zee steekt.


Ternate is een plek waarvan je niet zou denken dat de paden van de geschiedenis er dicht in de buurt komen. Maar in feite is dit eiland eeuwenlang een motor van de wereldgeschiedenis geweest, zoals duidelijk wordt voor iedereen die de ontelbare koloniale forten op de kusten ziet. De reden daarvoor was dat een boom van unieke waarde toevallig op Ternate en de eiland errond groeide: Szygium aromaticum, de boom die kruidnagel produceert. Deze specerij was ooit buitengewoon waardevol en leverde Ternate honderden jaren welvaart en macht op. Maar in de zestiende eeuw, bij het begin van de Europese kolonisatieperiode, bracht de 'levensboom' van Ternate ook rampspoed voor de eilandbewoners. Voor allerlei groepen Europese kolonisten waren Ternate en de eiland errond de inzet van een bloedige strijd om het monopolie van de handel in kruidnagel. De Nederlanders haalden het uiteindelijk en in de zeventiende eeuw maakten zij van het eiland een kolonie, waarna zij uitvaardigden dat de kruidnagel voortaan alleen zou worden gewonnen op een ander eiland, in de zuidelijke Molukken. De inwoners van Ternate werden krachtens een door de Nederlanders opgelegd verdrag gedwongen elke kruidnagelboom op het eiland met wortel en al te verwijderen. De boom die de leraar van Ternate was geweest, zou pas de eeuw nadien terugkeren naar de hellingen van de Gamalama, maar toen werd kruidnagel al elders geteeld en was de waarde van de specerij drastisch afgenomen. (pagina 13-14)


Fragment uit Deel 3. Politiek, hoofdstuk 5
In dit licht bezien is de klimaatverandering geen gevaar op zich; ze wordt veeleer gezien als een 'versterker van bedreigingen' die de reeds bestaande verdeeldheid nog zal uitdiepen en zal leiden tot de verscherping van een reeks conflicten. Hoe zullen de veiligheidsinstanties van het Westen reageren op die dreigingsperceptie? Naar alle waarschijnlijkheid zullen ze hun toevlucht nemen tot de strategie die Christian Parenti de 'politiek van de bewapende reddingsboot' noemt, een combinatie van 'voorbereidingen op een tegenrevolutie met een open einde, gemilitariseerde grenzen [en]  een agressief anti-immigratiebeleid.'

De taken van de natiestaat zullen in deze omstandigheden neerkomen op het buiten houden van hele golven klimaatvluchtelingen en het beschermen van de eigen middelen: 'In dit wereldbeeld heeft de mensheid niet alleen zichzelf de oorlog verklaard, maar zit ze ook vast in een gevecht op leven en dood met de aarde.'

De contouren van een scenario met 'bewapende reddingsboot' zijn al te onderscheiden in de reactie van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië op de Syrische vluchtelingencrisis: zij hebben maar heel weinig vluchtelingen opgenomen, hoewel het probleem deels door hen is veroorzaakt. Het toepassen van deze strategie zou zelfs het logische culminatiepunt kunnen zijn van de biopolitieke missie van de moderne natiestaat, want het is een strategie die het behoud van het 'lichaam van de natie' in de letterlijke betekenis opvat: door het versterken van grenzen die bedreigd lijken door het insijpelen van pathologisch 'naakt leven' dat uit andere naties wegstroomt.

Het probleem is evenwel dat de besmetting al heeft plaatsgevonden, overal: de veranderingen die zich in het klimaat voordoen en de verstoringen die ze binnen naties zullen veroorzaken, kunnen niet buiten worden gehouden door het versterken van door de mens gemaakte grenzen. We leven in een tijdperk waarin het lichaam van de natie niet langer kan worden opgevat als louter bestaande uit een menselijke bevolking op een grondgebied: de steunpilaren ervan blijken nu vervlochten te zijn met krachten die niet door grenzen kunnen worden ingeperkt. (pagina 214-215)

Lees ook: De vloek van de nootmuskaat : boodschap aan een planeet in crisis (2023)

Terug naar Overzicht alle titels

Karen Armstrong

De heilige natuur : het herstel van de relatie met onze natuurlijke omgeving
De Bezige bij 2022,  256 pagina's € 20,99

Oorspronkelijke titel: Sacred nature : how we can recover our bond with natural world (2022)

Wikipedia: Karen Armstrong (1944)

Korte beschrijving
Een boek over natuurbescherming en milieubeheer vanuit een door wereldreligies geïnformeerde, spirituele benadering. De auteur pleit voor het opnieuw heilig beschouwen van de natuur en betoogt dat naast een ander gedrag, ook een ander gedachtengoed nodig is om dreigende milieurampen af te wenden. 'De heilige natuur’ is opgebouwd uit hoofdstukken die natuur- en klimaatthema’s behandelen die in de wereldgodsdiensten centraal staan, zoals dankbaarheid, compassie, opoffering en geweldloosheid. Informatief maar prettig en onderhoudend geschreven. Het boek is vooral geschikt voor geoefende lezers met speciale interesse in het onderwerp. Karen Armstrong (Worcestershire, 1944) is een wereldberoemde Britse schrijver, theoloog, academisch docent en islamoloog. Haar werk werd in meer dan dertig landen uitgegeven en won meerdere literaire prijzen, zoals de Dr. Leopold Lucas Prize en de TED Prize.

Tekst op website uitgever
Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis werd de natuur als heilig beschouwd en geloofde men dat God of de goden in de natuur alomtegenwoordig waren. Dat gold voor bijna alle culturen en religieuze tradities ter wereld. Toen de westerse mens in de zeventiende eeuw God en de natuur van elkaar scheidde, was dat méér dan een breuk met duizenden jaren van verworven wijsheid en ervaring: we zagen er de legitimatie in om onze omgeving te plunderen en onszelf op een destructieve manier boven de natuur te plaatsen.

Karen Armstrong stelt dat het niet genoeg is om ons gedrag te veranderen als we de dreigende milieuramp willen afwenden: we moeten leren anders te denken en te voelen over onze natuurlijke omgeving. Ze is ervan overtuigd dat ons religieus erfgoed ons kan leren hoe we de spirituele band met de natuur kunnen herstellen. In elk hoofdstuk van De heilige natuur behandelt ze een thema dat centraal staat in de wereldgodsdiensten – van dankbaarheid en compassie tot opoffering en geweldloosheid – en laat ze zien hoe we een andere manier van denken en voelen kunnen ontwikkelen om opnieuw contact te maken met de natuur.

De heilige natuur is een boek over deep ecology: het gaat over de wezenlijke verbinding tussen mens en natuur. Het is bedoeld voor iedereen die geïnteresseerd is in onze relatie met de natuurlijke wereld, zich zorgen maakt over de klimaatcrisis en beseft dat actievoeren niet genoeg is: we moeten op zoek naar nieuwe manieren om de aarde te behouden voor de generaties die na ons komen.


Fragment uit 9. Ahimsa

De Mahabharata, het grote epos van India, is ontstaan na een eeuwenlang ontwikkelingsproces (ca. 400 v.Chr. tot ca. 400 n.Chr.), waarin elke generatie haar eigen inzichten bijdroeg. Het schijnt te zijn begonnen als een sage van krijgers (kshatriya's) en werd voltooid door priesters (brahmanen). Het verhaal geeft een beeld van een wereld van geweld, waarin de moord op koningen voor lief wordt genomen, uitroeiing een doodnormale zaak is en dharma - de plichten die vanouds aan elke maatschappelijke klasse zijn opgelegd - niet meer dan een dode letter is. We lezen over afschuwelijke veldslagen en gruwelijke bloedbaden. De zogenaamde helden liegen vaak schaamteloos, terwijl hun tegenstanders, die als schurken worden bestempeld, zich edelmoedig gedragen. In de rampzalige oorlog tussen de twee partijen sneuvelen 1.660.020 krijgers, waardoor er ten slotte aan beide zijden nog maar een handvol overlevenden is. Maar tegen het einde van het epos vraagt Yudishthira, de vrome koning die niet vrij van smet was, om onderricht van zijn oude leermeester Bhishma, die dicht bij zijn dood is. In een wereld die wordt verwoest door geweld, egoïsme en wreedheid, spreekt Bhishma over de deugd van ahimsa, die duidelijk een belangrijke leer was geworden in de kringen van hindoepriesters:

Degene, die verlangend naar de vreugde van het zelf,
afziet van het doden van hulpeloze dieren met een stok
zal geluk bereiken.

De persoon die wezens ziet als zijn eigen ik,
die de stok wegwerpt en zijn woede overwint,
zal tot gelukslagen in het komende leven.

Zelfs de goden staan versteld van het pad
van wie overgave van bezitsdrang zoekt,
die alle wezens ziet
met het zijn van zichzelf.

In niet vasthouden aan de ander
als tegengesteld aan zichzelf,
daar is de essentie van dharma;
de ander gaat voort [als andere]  door begeerte.

In afwijzen en geven, in vreugde en pijn,
in het aangename en het onaangename
gaat wie alle dingen ziet als het zelf
naar samadhi.

Als de ander tussen anderen loopt,
dan loopt de ander in de ander.
Laten zij hen navolgen in de wereld van de levenden
Door deze vaardigheid wordt alle dharma geleerd.


Aan het eind van het epos toont de Mahabharata het onvermijdelijke resultaat van het 'als anders zien', met een slagveld dat bezaaid ligt met meer dan een miljoen stinkende, verminkte lijken. Het vertelt ons dat we ons destructieve egoïsme en onze zelfzuchtigheid moeten opgeven, en in plaats daarvan een houding moeten cultiveren die 'alle dingen ziet als het zelf',  waarin niets alleen 'van mij' is. En in plaats van anderen in een andere categorie onder te brengen, moeten we de barrières afbreken die ons scheiden van alle andere wezens. (pagina 187-190)

Boeken over onze nieuwe omgang met niet-dieren en dingen

Terug naar Overzicht alle titels