De Arbeiderspers 2024, 470 pagina's - € 24,99
Oorspronkelijke titel: Vulture Capitalism: Corporate Crimes, Backdoor Bailouts, and the Death of Freedom (2024)
Wikipedia: Grace Blakeley (1993)
Korte beschrijving
Een omvattende (470 p.) aanklacht tegen het kapitalisme als mondiaal systeem waarvan alleen de superrijken profiteren. Schrijver en journalist Grace Blakely analyseert de huidige mondiale economische situatie en legt het corrupte systeem bloot dat overal om ons heen faalt. Ze neemt de lezer mee op een reis langs honderd jaar bedrijfscriminaliteit en politieke manipulatie, waarmee economische elites een mondiaal systeem van 'aasgierkapitalisme' hebben verankerd waarvan alleen de superrijken profiteren. Het boek stelt dat vrijheid voor iedereen alleen kan worden gegarandeerd door de economie te democratiseren. Helder en bevlogen geschreven. Geschikt voor de meer geoefende lezer. Grace Blakeley (Basingstoke, 1993) studeerde filosofie, economie, politiek en Afrikaanse studies aan de Universiteit van Oxford en is schrijver en journalist. Ze schreef eerder ‘Stolen' en 'The Corona Crash’. Haar werk wordt in meerdere landen uitgegeven.
Tekst op website uitgever
De ‘vrije markt’ is in werkelijkheid een planeconomie van de superrijken
Oorlog, klimaatcrisis, polarisatie en ongelijkheid: kijk naar de wereld en je voelt je al snel machteloos. Zonder kapitalisme geen welvaart, is ons altijd verteld. Maar als de economie wankelt, waarom redden overheden dan grote bedrijven en aandeelhouders, maar laten ze gewone mensen aan hun lot over? Grace Blakeley legt het corrupte systeem bloot dat overal om ons heen faalt. Ze neemt ons mee op een reis langs honderd jaar bedrijfscriminaliteit en politieke manipulatie. Daarmee hebben de economische elites een mondiaal systeem van ‘aasgierkapitalisme’ verankerd waarvan alleen de superrijken profiteren. Alleen door onze economie te democratiseren kunnen we vrijheid voor iedereen garanderen.\
Fragment uit 6. De vriendjes van het kapitaal: hoe staten plannen
Adam Smith, een van de grondleggers van de discipline die bekend kwam te staan als politieke economie, baseerde zich op veel aspecten van het denken van Locke om zijn bekende werk The Wealth of Nations te ontwikkelen, dat nog steeds een basiswerk is in de heersende economie. Als Locke de vader van het liberalisme was, dan was Smith de 'vader van het kapitalisme'.
In de ogen van Smith was het de rol van de overheid om vrije markten en privébezit te beschermen, zowel in eigen land als daarbuiten. Smith geloofde dat de beste manier voor de staat om de vrije handel te beschermen was om overheidsbemoeienis met de markt te beperken, waarbij hij mercantilisten aanviel (een groep die we in het volgende hoofdstuk tegen zullen komen) die op zoek waren naar bescherming door de staat. Monopolies, in- en uitvoerrechten, quota en subsidies waren allemaal vijanden van Smiths onzichtbare hand. Hij was fel gekant tegen 'bijzondere belangen' - van bankiers tot landeigenaren tot vakbonden - die probeerden het staatsbeleid naar hun hand te zetten.
De politieke filosofie van Locke en de politieke economie van Smith zijn beide gebaseerd op twee gemeenschappelijke aannames: het idee dat de staat en de markt gescheiden entiteiten zijn en dat het aan de staat is om ervoor te zorgen dat de markt zo efficiënt mogelijk functioneert.
In deze visie zijn markten 'natuurlijk' - die ontstaan overal waar mensen met elkaar in wisselwerking staan. Een staat, aan de andere kant, moet ergens op gebaseerd zijn - zoals het sociaal contract. Een staat kan de voorwaarden aanpassen waaronder marktuitwisseling plaatsvindt, maar creëert geen markt als zodanig. En deze twee gebieden van menselijke activiteit worden beheerst door verschillende redeneringen: de regels van de markt worden door de economie bepaald, terwijl die van de staatkunde door de politiek worden bepaald.
Voor vroege liberale theoretici als Locke en Smith bestond politieke economie uit het uitwerken van de regels en normen aan de hand waarvan deze staatkunde beoordeeld moest worden: de centrale overweging was of de staat de algemene welvaart maximaliseerde door de natuurlijke 'regels' van de marktuitwisseling te handhaven, zonder inbreuk te maken op de natuurlijke rechten van burgers. De kunst van het regeren is dus om het totale geluk van de samenleving te maximaliseren - om het 'nationale belang' te bevorderen - zonder al te veel in te grijpen in 'de economie' of 'de burgermaatschappij'.
Veel economen stelden van oudsher dat dit respect voor de natuurlijke grenzen tussen staat en markt de kern was van het vroege succes van economieën als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Door vast te houden aan een 'laisser-faire'- beleid dat volop de ruimte gaf aan de vroege kapitalisten, kenden die economieën groeipercentages die ongeëvenaard waren in de wereldgeschiedenis. Zoals Ha-Joon Chang opmerkt in zijn boek Kicking Away the Ladder, gaven de Britse en Amerikaanse staten enorme hoeveelheden steun aan de industrie in de vroegste stadia van hun ontwikkeling. Pasten die staten machtig genoeg waren geworden om de internationale markten te domineren, begonnen ze de voordelen van vrijhandel te prediken, zoals uiteengezet door Adam Smith en David Ricardo. (pagina 210-212)
Terug naar Overzicht alle titels
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
De redactie behoudt zich het recht voor reacties te verwijderen