dinsdag 9 februari 2021

Esther Ouwehand

 

Dieren kunnen de pest krijgen. En dan?
M.L. Thieme uitgeverij 2021, 127 pagina's  € 9,95

Wikipedia: Esther Ouwehand (1976)

Korte beschrijving
Dieren kunnen ‘de pest’ krijgen, dat hebben de nertsen vorig jaar gemerkt. Er zijn er toen bijna drie miljoen vergast. COVID-19 is een zoönose, een ziekte die van dieren op mensen kan overspringen. Net als de Q-koorts (een geitenziekte) en de vogelgriep. Esther Ouwehand (1976), leider van de Partij voor de Dieren, sinds 2006 Kamerlid, bekijkt de ontwrichting van de maatschappij door COVID-19 van alle kanten. Haar onontkoombare conclusie is dat we in Nederland, met zoveel (pluim)vee en handel in (exotische) dieren, op een tikkende tijdbom leven. De intensieve veehouderij, die complete ecosystemen uit balans brengt, is een ideale kraamkamer voor ziektekiemen. De enige manier om het gevaar te keren, is het halveren of nog verder reduceren van de veestapel. Vele (inter)nationale rapporten en adviezen bevestigen dat. We moeten afkicken van het houden en ‘gebruiken’ van zoveel dieren en de natuur weer leren respecteren. Het vereist moed om wat heel lang als normaal gold als probleem te zien – maar als de politiek nog langer wacht met ingrijpen, is het wachten op de volgende pandemie. Bevat vijf verhelderende cartoons en bronnen in de tekst. In bv. ‘De fundamenten’ (2021)* legt ook Ramsey Nasr het verband tussen corona en veehouderij, maar Ouwehand biedt meer achtergrondinformatie.

Tekst op website uitgever
Toen nog geen enkele minister ooit van ‘zoönosen’ had gehoord, agendeerde Esther Ouwehand deze bedreiging voor de volksgezondheid al. Dat was in 2007, toen zij net een jaar lid was van de Tweede Kamer voor de enige politieke partij die de belangen van andere levende wezens als uitgangspunt kiest. Inmiddels is 75% van de infectieziekten die de mens bedreigen afkomstig uit het dierenrijk. De oorzaken? Menselijk ingrijpen in natuurgebieden, wereldwijde handel in dieren en uiteraard de intensieve veehouderij.

Ouwehand laat zien hoe ons land daarin al jaren een twijfelachtige koppositie inneemt én hoe gevaarlijk dat is. Geen land ter wereld huisvest op zó weinig grond zóveel dieren als Nederland. Jaarlijks worden in ons land 640 miljoen dieren na een kort en miserabel leven gedood. Ons land is daarmee een ware kweekvijver voor zoönosen. Toch weigeren de traditionele partijen in politiek Den Haag al jaren om in te grijpen, ondanks waarschuwingen van virologen. Nu het leven van mensen bedreigd wordt door covid-19, Q-koorts, levensgevaarlijke vormen van vogelgriep en tal van andere virussen en bacteriële infectieziekten, zullen we ons ernstig moeten bezinnen op onze omgang met dieren, natuur en het klimaat. Ouwehand zet in Dieren kunnen de pest krijgen. En dan? de grond­ oorzaken van de huidige pandemie op een rij én laat zien hoe we nieuwe pandemische dreigingen kunnen voorkomen. Oplossingen die niet moeilijk hoeven te zijn, maar die wél politieke moed vereisen. Een zeer actueel schrijversdebuut van de partijleider van de Partij voor de Dieren.

Fragment uit 4. Dood door schuld
Zoönosen. Voor veel mensen moet het lang een exotisch woord zijn geweest. Toen ik er tijdens de eerste coronadebatten over begon, ontstond er enig ongemak in vak K, waar de ministers zitten. Veel epidemieën beginnen als een zoönose. Daar kunnen de dieren niks aan doen. Dierziekten zijn van alle tijden. Maar de echte gevaren ontstaan wanneer mensen dieren fokken, vangen en doden. In de afgelopen twintig jaar zijn er in Europa twee keer gevaarlijke infectieziekten vanuit de intensieve veehouderij overgesprongen op de mens (nog even buiten de nertsenfokkerij gerekend, daarover later meer). Allebei die uitbraken waren hier, in Nederland, het meest veedichte land ter wereld. In 2003 werden duizend mensen ziek door de vogelgriep. Dat jaar overleed dierenarts Jan Bosch aan de gevolgen van een vogelgriepinfectie.

Daarna kwam het volgende grote drama: de Q-koorts. Het was september 2007, de Partij voor de Dieren was na de (historische) verkiezingen van 22 november 2006 de juniorfractie van het parlement. We hadden onze handen vol aan het stellen van Kamervragen, aan het op de agenda zetten van alle genegeerde en weggemoffelde problemen van de omgang met dieren in Nederland, aan het naar boven trekken van onwelgevallige feiten en rapporten die ambtenaren van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) hadden weggestopt in diepe bureaulades, aan het ter verantwoording roepen van de minister van LNV voor de schade die de veehouderij toebrengt aan mens, dier, natuur en milieu. Onze missie was (en is) bloedserieus, maar we hadden er ook lol in om flink aan de boom te schudden bij een ministerie dat zich decennialang heeft kunnen wentelen in de arrogantie van de macht: de agrolobby mocht het beleid bepalen en diezelfde lobby had met het motorblok van conservatieve landbouwpartijen - met woordvoerders uit de veehouderij zelf - een meerderheid in het parlement. De gevarendriehoek van het landbouwbeleid (boerenlobby - boerenpartijen - minister van LNV) leek onaantastbaar, maar serieuze oppositie was er ook nooit geweest. Marianne Thieme en ik waren vastbesloten: wij gaan de boel eens flink op stelten zetten.

Dat lukte goed. (pagina 39-40)

Terug naar Overzicht alle titels



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De redactie behoudt zich het recht voor reacties te verwijderen