maandag 19 augustus 2024

Bert Keizer 2

Het raadsel van de geest : een filosofisch onderzoek
Lemniscaat 2024, 373 pagina's € 29,99 

Wikipedia: Bert Keizer (1947-)

Korte beschrijving
Een filosofisch onderzoek naar het ontstaan van de menselijke geest. Na vele miljarden jaren waarin allerlei levensvormen ontstonden en weer verdwenen, ontstond er een diersoort die in staat was te reflecteren over zichzelf en de wereld om zich heen. Hoe kon er uit levenloze stof iets groeien dat kan voelen, proeven, ruiken, zien, horen, denken? Het zijn vragen waarover filosofen van alle tijden – van Thales tot Descartes, van Plato tot Rorty – zich het hoofd hebben gebroken en waaraan een filosofisch specialisme is gewijd: de filosofie van de geest. In dit boek geeft Bert Keizer zijn visie op het raadselachtige huwelijk tussen geest en lichaam: living apart together. In vaardige en verdiepende stijl, maar ook met enige humor geschreven. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep. Bert Keizer (Amersfoort, 1947) is een bekende Nederlandse filosoof, arts en schrijver. Hij schreef eerder onder meer 'Leven en werk van Ludwig Wittgenstein’ (2022), 'Reis om de dood’ (2019)’ en 'Tumult bij de uitgang’ (2013 . Zijn werk wordt in meerdere landen uitgegeven. 

Tekst op website uitgever
Na vele miljarden jaren waarin allerlei levensvormen ontstonden en weer verdwenen, gebeurde er iets onbegrijpelijks: er ontstond een diersoort die in staat was te reflecteren over zichzelf en de wereld om zich heen. Hoe is het mogelijk dat er uit levenloze stof iets is gegroeid dat kan voelen, proeven, ruiken, zien, horen, denken? Hoe heeft er geest kunnen voortkomen uit stof?

Het zijn vragen waarover filosofen van alle tijden – van Thales tot Descartes, van Plato tot Rorty – zich het hoofd hebben gebroken en waaraan een filosofisch specialisme is gewijd: de philosophy of mind. In de heldere en nuchtere, soms droogkomische stijl die we van hem kennen, geeft Bert Keizer zijn visie op het raadselachtige huwelijk tussen geest en lichaam: living apart together.

Fragment uit 17. Memes
Het begrip 'meme' werd door Richard Dawkins geïntroduceerd in zijn boek The Selfish Gene in 1976. Een meme is een cultureel object als de minirok - de vetkuif - de scooter - een liedje - een slagzin - een manier om plafonds te schragen - het geloof in God - een kerstbroodrecept - een pottenbakmethode - een bepaalde haarstijl, etc. etc.
  Memes springen via imitatie van brein naar brein. Ze worden heel makkelijk doorgegeven. Ze repliceren, en lijken daarmee op biologische replicators. Ze kunnen snel uitsterven (het haarmatje van voetballers) of vele eeuwen blijven hangen (godsgeloof). Een meme is een eenheid van cultureel spul, die via praten, schrijven, zingen, handelen, gebaren, feesten, films, festivals of rituelen wordt doorgegeven.
  Memes zijn het culturele equivalent van biologische genen. Maar ze worden sneller doorgegeven. Een gen voor blauwe ogen gaat van ouder naar kind. Het duurt vele jaren voordat een gen uitdrukking vindt in een actuele eigenschap, die je vervolgens alleen in de nakomelingen van die ouder aantreft. Een meme daarentegen gaat van brein naar brein en kan binnen enkele weken miljoenen manifestaties opleveren.
  Dennett gaat aan de haal met deze culturele objecten die hij beschrijft als informatie-virussen die zich verspreiden onder een groep mensen. Wat mensen nodig hebben is een neuronale basis om zich te kunnen vermenigvuldigen. Vergelijkbaar met virussen die wij kennen en die het kopieermechanisme van een cel naar hun hand zetten voor hun replicatie.

  En memes, virussen van de geest, die alleen maar uit informatie bestaan, moeten geesten binnendringen, en dan moeten ze worden doorgewerkt en doorgewerkt en doorgewerkt, maar ze hoeven dit, of wat dan ook, niet te begrijpen.
  Ik zal meerder hoofdstukken nodig hebben om dit vreemde idee van geestloze informatie-dragende dingen die coalities op gang weten te brengen van opstandige neuronen voor hun ondersteuning - het idee van memes die hersenen infecteren - uit te leggen en te verdedigen.

Coalities van opstandige neuronen? Wat is dit voor rare praat? We belanden weer in de brein/breinverwarring. Neuronen zijn niet opstandig. Maar ook niet meegaand. Ze hebben geen geestelijk leven.
  Het dierlijke brein bestaat waarschijnlijk uit neuronale netwerken die verwachtingen genereren zonder te begrijpen wat ze aan het doen zijn. (pagina 114-115)

Terug naar Overzicht alle titels 

Dylan van Rijsbergen

De net-niet-elite : hoogopgeleiden tussen macht en meritocratie
Mazirel Pers 2024, 216 pagina's € 24,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Korte bio op website van Dylan van Rijsbergen (1975)

Korte beschrijving
Een essayistisch boek over de maatschappelijke positie van de hoger geschoolde middenklasse in Nederland. Het boek onderzoekt de tegenstrijdige belangen, waarden en angsten van hoogopgeleiden in ons land. Deze groep streeft naar goede diploma’s en banen, maar durft vaak niet buiten de gebaande paden te treden uit angst om status en inkomen te verliezen. Aan de hand van het werk van met name Amerikaanse denkers over klassenstrijd en klassenongelijkheid beschouwt het boek de Nederlandse context. Hieruit volgt een kritische analyse van het debat over ongelijkheid in Nederland. De auteur stelt dat de meeste hoogopgeleiden in de schaduw van de echte elite staan en baat hebben bij een rechtvaardigere en gelijkwaardigere samenleving. Scherpzinnig en op heldere toon geschreven. Met name geschikt voor een meer geoefende lezersgroep.  Dylan van Rijsbergen (1975) is een Nederlandse schrijver, publicist en een van de oprichters van Jacobin Nederland. Eerder schreef hij 'Het onbehagen van de man' (2009) over moderne mannelijkheid.

Tekst op website uitgever
Hoogopgeleiden in Nederland zijn bevoorrecht maar ook bang. Ze streven naar goede diploma’s en leuke banen, en veel van hen dragen het liefst ook nog bij aan een betere wereld. Maar buiten de lijntjes kleuren doen ze niet, uit angst om aan status en inkomen te verliezen. In De net-niet elite onderzoekt Dylan van Rijsbergen de tegenstrijdige belangen, waarden en neuroses van deze groep. Hij vertaalt werk van Amerikaanse denkers over klasse naar de Nederlandse context, en kijkt door die bril kritisch naar het Nederlandse debat over ongelijkheid. De conclusie? De meeste hoogopgeleiden staan in de schaduw van de échte elite en hebben baat bij een rechtvaardigere en gelijkwaardigere samenleving.

Fragment uit Ter introductie: klassen in Nederland
Meritocratie

Een opvallende overeenkomst tussen uiteenlopende schrijvers als Luyendijk, Schimmelpenninck en Van Iperen is dat ze in hun kritiek het huidige Nederland afzetten tegen een Nederland - in de twintigste eeuw of in de toekomst - waarin gelijke(re) kansen voor iedereen gerealiseerd zijn (of waren), waarin mensen dus eerlijk beloond worden (of  werden) naar hun verdiensten. We noemen een maatschappij waarin sociaaleconomische verschillen tussen mensen gelegitimeerd worden op basis van hun verdiensten een 'meritocratie'. Waar je wieg ook gestaan heeft, in een functionerende meritocratie bestaan geen belemmeringen om sociaal te stijgen. Het enige wat uitmaakt, is je talent en inzet. Meritocratie is belangrijk voor de hoogopgeleide middenklasse, omdat hun welvaart en status op die legitimatie berust: ze verdienen goed, omdat ze hun best hebben gedaan op school en carrière hebben gemaakt.
  eerdergenoemde schrijvers stellen de meritocratie zélf als ideaal niet echt im Frage. Ze durven scherpe kritiek op de eigen klasse te hebben, maar daarbij ligt de nadruk vooral op het ontmaskeren van het zelfbeeld van de succesvolle, hardwerkende, hoogopgeleide Nederlander die zijn welvarende positie 'verdient'. Als je altijd de wind in de rug hebt gehad, dan verdien je het eigenlijk niet, zo redeneren zij. Maar ze problematiseren bijvoorbeeld niet waarom er onderling zoveel verschil is tussen de waardering van functies, waarom er eigenlijk zoiets als hiërarchie bestaat. Je zou meritocratie ook kunnen zien als een manier om ongelijkheid achteraf goed te praten. Of, zoals de sociologe Mieke van Stigt het tegenover mij verwoordde: als een rechtvaardigheidsdogma.
  Een andere groep Nederlandse auteurs probeert klassenverschillen te verduidelijken via en beroep op persoonlijke ervaringe. Ik erken het belang van de persoonlijke ervaring in het verhelderen van collectieve verschijnselen; om die reden heb ik hiervoor iets verteld over mijn eigen geschiedenis. Er zitten echter nadelen aan deze aanvliegroute. Zo schrijft Sinan Cankaya in een recensie van bovenstaande autobiografische boeken: 'ervaring is per definitie standplaatsgebonden.' Ervaringen van klassenmigranten kunnen heel verschillend zijn en de kruisverbanden met bijvoorbeeld gender en kleur spelen daarbij een belangrijke rol. Dit is de reden waarom ik er in dit boek voor heb gekozen om me zowel te laten inspireren door persoonlijke ervaringen, als kritisch te lezen wat hoofdwerkers in de media schrijven en vertellen over hoe zij de wereld zien. Hoofdwerkers schrijven immers de media vol, dus is er veel materiaal voorhanden. Belangrijk is daarbij niet alleen wát ze zeggen, maar ook wat ze níet zeggen, of niet met zoveel woorden.
  Er kleeft nog een nadeel aan het stellen van de persoonlijke ervaring als uitgangspunt voor het geven van klassenkritiek en dat is dat de macht van de bovenklasse in een kapitalistische samenleving vaak erg abstract is en in de persoonlijke ervaring minder zichtbaar. Stel een Nederlands concern - bijvoorbeeld een winkelketen als de HEMA, of een kinderopvangbedrijf - wordt overgenomen door een 'durfinvesteerder' (in het Engels: private equity) en de eigenaars daarvan besluiten vervolgens om veel mensen te ontslaan: hoe toont de macht van die financiële bovenklasse zich dan in de persoonlijke ervaring van de medewerkers? Misschien als volgt: een witte, hoogopgeleide, mannelijke manager vertelt een vrouw van kleur uit de arbeidersklasse dat ze haar baan kwijt is. Er is dan duidelijk een machtsverschil tussen die twee en waarschijnlijk nemen ze beiden heel verschillende posities in als gevolg van kansenongelijkheid. Maar de grootste macht, de nieuwe eigenaar die het ontslag in gang zet, blijft op de achtergrond: onzichtbaar, abstract en tegelijkertijd allesoverheersend. (pagina 29-32)

Terug naar Overzicht alle titels 

vrijdag 16 augustus 2024

Albert Camus

Een hogere liefde : brieven aan een Duitse vriend
Met een inleidend essay van Bas Heijne
Prometheus 2024, 80 pagina's  € 12,50

Wikipedia: Albert Camus (1913-1960) en Bas Heijne (1960)

Opmerkelijk! : Bas Heijne werd vijf dagen na de dood van Albert Camus geboren.

Korte beschrijving
Een verzameling van vier brieven van de Franse schrijver en filosoof Albert Camus (1913-1960) over oorlog, nationalisme en rechtvaardigheid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft Albert Camus vier brieven aan een anonieme Duitse vriend. Inzet was het harde verwijt van de Duitser dat Camus zijn land niet liefheeft, omdat hij zich niet wilde bekeren tot het meedogenloze nationalisme van de nazi's. De brieven vormen een vurige verdediging van zijn persoonlijke liefde voor zijn land en de Europese beschaving, die juist vraagt om debat en kritiek, en streeft naar rechtvaardigheid. Het boek begint met een essay van Bas Heijne, waarin hij de brieven van Camus in de context van het heden plaatst. Betogend en intelligent geschreven. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep. Albert Camus (Dréan, 1913 - Villeblevin, 1960) was o.a. schrijver en dichter. Hij schreef meerdere boeken. Zijn werk wordt in meer dan vijftig landen uitgegeven. De brieven uit 'Een hogere liefde' werden oorspronkelijk gepubliceerd in 1948.

Tekst op website uitgever
‘Het vergt heel veel om te vechten terwijl je oorlog verafschuwt, te accepteren dat je alles kwijtraakt terwijl je liever gelukkig zou zijn, om vernietiging onder ogen te zien terwijl je het idee van een hogere beschaving koestert.’ Midden in de oorlog schreef de grote Franse schrijver Albert Camus (1913-1960) vier brieven aan een naamloze Duitse vriend. Inzet was het harde verwijt van de Duitser dat Camus niet van zijn land zou houden, omdat hij zich niet wilde bekeren tot de nietsontziende vaderlandsliefde van de nazi’s.

Camus’ brieven zijn een vlammende verdediging van zijn persoonlijke liefde voor zijn land en de Europese beschaving, die juist vraagt om debat en kritiek en vasthoudt aan het streven naar rechtvaardigheid.

Juist in een tijd waarin het agressieve nationalisme weer hoogtij viert, hebben de lucide woorden van Camus het effect van een mokerslag. Gelauwerd essayist Bas Heijne schreef een lange inleiding bij deze even krachtige als onbekende tekst van Camus, waarin hij die, zoals hij eerder deed bij het essay van George Orwell over nationalisme, onontkoombaar in ons heden plaatst.

Bas Heijne schrijft naast romans en verhalen spraakmakende essays, waaronder recent een flonkerend essay bij de heruitgave van Menno ter Braaks Het nationaalsocialisme als rancuneleer en een inleiding bij George Orwells Over nationalisme.

Albert Camus was een Frans filosoof, journalist en schrijver van romans, essays en toneelstukken. Hij ontving in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur.

Fragment uit 4 (Bas Heijne)
De noodzaak tot verzet en strijd, ondanks afkeer van pijn en bloedvergieten, precies daar gaat het om in Camus' Brieven aan een Duitse vriend, nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. De 'brieven' zijn geschreven in de eerste fase van zijn schrijverschap, midden in de Tweede Wereldoorlog. De eerste twee verschenen in verschillende verzetsbladen in 1943 en 1944. De twee laatste bleven ongepubliceerd tot na de oorlog, toen ze tezamen verschenen als boekje in een kleine oplage.
  Het is geen bekende tekst in het oeuvre van Camus, maar het is wel een sleuteltekst - zijn hele wereldbeeld vind je erin terug. Het is ook een tekst die zich aan de hedendaagse lezer niet meteen gewonnen geeft. Je moet rustig op zijn gedragen zinnen kauwen. Maar iedere keer dat ik ze herlees, dingen nieuwe inzichten zich op.
  Die relatieve onbekendheid komt vooral door Camus zelf. In zijn voorwoord bij de Italiaanse editie geeft hij blijk van zijn terughoudendheid om de brieven, geschreven tijdens een van de duisterste periodes in de geschiedenis, ná de oorlog alsnog als boek te publiceren. Het nazisme is immers overwonnen. Duitsland is niet langer de vijand. Maar met een typerende zelfverzekerdheid verklaart Camus er geen woord van terug te nemen. Het gaat, zegt hij, in wezen helemaal niet om Frankrijk en Duitsland. Het gaat om twee verschillende levenshoudingen, om twee botsende mentaliteiten, die tijd en plaats ontstijgen. Die zijn na de oorlog niet verdwenen. En hij heeft gelijk, het conflict dat Camus beschrijft is schrijnend actueel - in onze verwarrende tijd zelfs meer dan in de afgelopen decennia. Voor Duitsland zou je nu Rusland, of welke etnische nationalist dan ook, kunnen invullen.
  'U houdt niet van uw land' - het verwijt van die imaginaire Duitse vriend aan het adres van Camus echoot tegenwoordig luid door in de retoriek van de radicaal-rechtse 'patriotten' die zich in grote delen van de wereld keren tegen de elites, de elites die het eigen volk op een fatale manier verraden zouden hebben. Eigen mensen eerst, de Nederlander weer op één, Make America Great Again, ik wil mijn mooie landje terug. Het is het soort nationalisme dat de rechtsstaat als obstakel ziet, empathie als zwakheid, pluriformiteit als fatale ondermijning.
  Uitgedaagd door het nietsontziende nationalisme van de Duitser antwoordt Camus dat hij wel degelijk van zijn land houdt, maar dat zijn liefde niet los kan bestaan van kritiek op wat er niet goed is en ook niet los van het streven naar een rechtvaardige samenleving. Juist die kritische liefde, die Camus een 'hogere liefde' noemt, wordt door de Duitser gezien als zwak en bespottelijk. Voor Camus is zij essentieel. En waard om voor te vechten wanneer dat noodzakelijk wordt.
(pagina 25-27)

Fragment uit (de) Derde brief (Albert Camus
Jullie spreken over Europa, maar het verschil is dat Europa voor jullie een bezit is, terwijl wij ons van haar afhankelijk voelen. Jullie hebben pas vanaf het moment dat jullie Afrika verloren, op deze manier over Europa gesproken. Dat is niet de goede manier om lief te hebben. Deze aarde, waarop zovele eeuwen hun stempel hebben gedrukt, is voor jullie niets meer dan een gedwongen oponthoud, terwijl het onze grootste hoop is. Jullie te plotselinge hartstocht bestaat uit wrok en noodzakelijkheid. Het is een sentiment dat niemand eert en misschien begrijpt u nu waarom geen Europeaan die deze naam waardig is, er iets van wil weten.
  Jullie zeggen Europa, maar jullie bedoelen grondtroepen, graanschuren, dienstbare industrieën en een overheerste geest. Ga ik te ver? Ik weet tenminste dat als jullie over Europa spreken, zelfs als jullie het oprecht menen en jullie jezelf laten misleiden door jullie eigen leugens, jullie er niet omheen kunnen aan een schare volgzame naties te denken die door een Duitsland van heersers een fabelachtige en bloederige toekomst in wordt geleid. Ik zou willen dat jullie dit verschil goed voelen: Europa is voor jullie die door zeeën en bergen omcirkelde ruimte, door dammen doorsneden, door mijnen ondergraven en met oogsten bedekt, waarin Duitsland een spel speelt waarin alleen het eigen lot op het spel staat. Voor ons is zij echter de aarde waarop zicht sinds twintig eeuwen het verbazingwekkende avontuur van de menselijke geest afspeelt. Het is die eigenaardige arena waarin de strijd van de westerse mens tegen de wereld, de goden en zichzelf vandaag de dag zijn hoogtepunt bereikt. U ziet: er is geen gemeenschappelijke betekenis (pagina 60-61)

Lees ook:  Het nationaal-socialisme als rancuneleer van Menno ter Braak (uit 1937/2019) en Over nationalisme van George Orwell (uit 1945/2023)

Terug naar Overzicht alle titels


donderdag 15 augustus 2024

William MacAskill

Omkijken naar de toekomst
Blossom books 2024, 424 pagina's € 24,99

Oorspronkelijke titel: What we owe the future (2024)

Wikipedia: William MacAskill (1987)

Korte beschrijving
Een moraalfilosofisch pleidooi voor een levensopvatting die uitgaat van de vooronderstelling dat toekomstige generaties ertoe doen en streeft naar het op lange termijn positief beïnvloeden van de toekomst. Filosoof William MacAskill introduceert in dit boek de term 'langetermijnisme', waarbij hij het belang van toekomstige generaties centraal stelt. Hij bevraagt hoe we blijvende positieve verandering kunnen bewerkstelligen voor de mensheid en welke toekomstkwesties we mogelijk over het hoofd zien naast klimaatverandering. Intelligent en relatief toegankelijk geschreven voor de complexiteit van het onderwerp. Met enkele zwart-witillustraties en een auteursportret. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep.  William MacAskill (Glasgow, 1987) is een Britse filosoof, ethicus en schrijver. Hij is universitair hoofddocent filosofie en senior research fellow aan het Global Priorities Institute van de Universiteit van Oxford. Zijn onderzoek richt zich op morele onzekerheid, effectief altruïsme en toekomstige generaties. Zijn werk wordt in meerdere landen uitgegeven.

Tekst op website uitgever
Na het lezen van dit indrukwekkende en inspirerende boek, voelt het achterlaten van de aarde in een zo goed mogelijke staat niet alleen als een morele plicht, maar ook als volstrekt logisch.

In 'Omkijken naar de toekomst' pleit wereldberoemd filosoof William MacAskill voor een levensopvatting die uitgaat van een eenvoudige vooronderstelling, namelijk dat toekomstige generaties ertoe doen. Kunnen we een werkelijke blijvende verandering tot stand brengen en zo ja, hoe? De meeste mensen zijn op de hoogte van de langetermijngevolgen van de opwarming van de aarde, maar welke andere kwesties verwaarlozen we? En wat is belangrijker: de koers van de toekomst verbeteren of ervoor zorgen dat we überhaupt een toekomst hebben?

MacAskill noemt deze levensopvatting ‘langetermijnisme’: het idee dat de toekomst op lange termijn positief beïnvloeden een belangrijke morele prioriteit van onze tijd is. Door verstandig te kiezen, kunnen we een belangrijke rol spelen in het op juiste koers zetten van de mensheid, en een wereld van vrijheid, vreugde en schoonheid nalaten aan onze kleinkinderen, hun kleinkinderen, en alle volgende generaties.

‘Een buitengewoon boek. Ik heb nog nooit iets gelezen wat zo diep en fundamenteel is, en tegelijkertijd zo toegankelijk. William MacAskill is een van de belangrijkste filosofen van vandaag, en dit is zijn magnum opus.’ Rutger Bregman
‘Dit is een boek van grote durf, scherpte, inzicht en verbeeldingskracht. Een wonder waarvoor MacAskill zeer moet worden toegejuicht.’ Stephen Fry
‘Dit is het meest inspirerende boek over ethisch leven dat ik ooit heb gelezen.’ The Guardian

Fragment uit hoofdstuk 1. Pleidooi voor langetermijnisme
De zwijgende miljarden

Toekomstige mensen tellen mee. Het zouden er veel kunnen zijn. We kunnen hun leven beter laten verlopen.
  Dit is het pleidooi voor langetermijnisme in een notendop. De premissen zijn eenvoudig en ik denk niet dat ze bijzonder controversieel zijn. Maar als we ze serieus nemen, komt het neer op een morele revolutie - een revolutie met verstrekkende gevolgen voor hoe activisten, onderzoekers, beleidsmakers en eigenlijk wij allemaal moeten denken en handelen.
  Toekomstige mensen tellen mee, maar we tellen ze zelden mee. Ze kunnen niet stemmen, lobbyen of zich verkiesbaar stellen, dus politici worden nauwelijks gestimuleerd om over ze na te denken. Ze kunnen dus niet met ons onderhandelen of handelen, dus zijn ze nauwelijks vertegenwoordigd op de markt. En ze kunnen hun mening niet rechtstreeks laten horen: ze kunnen niet x'en, of artikelen schrijven in kranten of de straat op gaan. Ze zijn volkomen rechteloos.
  Vroegere sociale bewegingen, zoals die voor burgerrechten en vrouwenkiesrecht, hebben vaak geprobeerd om minder bevoorrechte leden van de samenleving meer erkenning en invloed te geven. Ik zie langetermijnisme als een uitbreiding van die idealen. Hoewel we toekomstige mensen geen echte politieke macht kunnen geven, kunnen we op zijn minst rekening met ze houden. Door afstand te doen van de tirannie van het heden over de toekomst, kunnen we optreden als trustee - en helpen om een bloeiende wereld te creëren voor de generaties na ons. Dat is van het grootste belang. Laat me uitleggen waarom.

Toekomstige mensen tellen mee
Het idee dat toekomstige mensen meetellen is gezond verstand. Toekomstige mensen zijn tenslotte mensen. Ze zullen bestaan. Ze zullen hoop, vreugde, pijn en spijt hebben, net als wij. Ze bestaan alleen niet, nóg niet.
  Stel nu eens, om te zien hoe gevoelsmatig dit is, dat ik tijdens een wandeling een glazen fles op het pad laat vallen en dat die kapotgaat. Een stel dat als ik hem niet opruim, een kind zich later ernstig aan de scherven kan bezeren. Maakt het bij die beslissing om het glas op te ruimen dan uit wanneer het kind zich snijdt? Moet het mij iets uitmaken of dat over een week is, of over tien jaar, of over een eeuw? Letsel is letsel, wanneer het zich ook voordoet. (pagina 25-26)

Opmerking 1
Bovenstaande zin (Hoewel we toekomstige mensen geen echte politieke macht kunnen geven, kunnen we op zijn minst rekening met ze houden.) doet meteen denken aan een andere, al langere tijd lopende discussie over de vraag waarom we dieren en andere 'wezens' geen of meer rechten zouden moeten geven. Klik hier voor een pagina waarop ruim honderd titels staan die op dít blog staan.

Opmerking 2
Het boek zit tjokvol noten, bijlagen e.d. (van pagina 337 t/m 424). Bijzonder is dat de schrijver veel noten uitvoerig toelicht. Het doet denken aan een boek uit 2017 van Raol Martinez:  Hoe vrij zijn wij? de machinaties van macht en de strijd voor onze toekomst. Dat trouwens qua thema enigszins tegen dit boek aanschuurt.

Lees vooral ook: De goede voorouder : langetermijndenken voor een kortetermijn wereld van Roman Krznaric (uit 2021) en/of Effectief altruïsme : 1. Ontdek hoe je het meeste goed kunt doen in de wereld. 2. Doe het! van Peter Singer (uit 1997).

Terug naar Overzicht alle titels


Pascal Bruckner 2

Gij zult rijk worden! : misère van de economische mens
Boom 2002, 206 pagina's

Oorspronkelijke titel: Misère de la prospérité (2002)

Wikipedia: Pascal Bruckner (1948)

Korte beschrijving
Pascal Bruckner, onder meer bekend van zijn boek 'Gij zult gelukkig zijn' (2002)*, trekt in dit boek ten strijde tegen onze nieuwe religie: de economie. Hij illustreert aan de hand van diverse praktijkvoorbeelden de teloorgang van de mens als individu. Alles staat in het teken van rijkdom en het vergaren van status. Pascal ontrafelt de psychologie van de mens omtrent dit soort kuddegedrag en toont aan dat het leven uit veel meer bestaat dan uit de eeuwige vicieuze cirkel waar menigeen in verwikkeld raakt tijdens zijn/haar leven. Dit boek is bijzonder geschikt voor iedereen die worstelt met zijn eigen identiteit en die het gevoel heeft onderdeel te zijn van een keiharde consumptiemaatschappij waar hij het liefst uit wil stappen.

Tekst op website uitgever
Na het succes van Gij zult gelukkig zijn! (Boom 2001) schittert Pascal Bruckner opnieuw met zijn heldere eenvoud en zet hij vraagtekens achter onze uitroeptekens. Nu geloof en ideologie teloorgegaan lijken, rest ons nog één religie: de economie. Bruckner trekt tegen deze ontwikkeling in onze 'postmoderne' cultuur ten strijde en zoekt een uitweg uit het 'economisme'.

Volgens Bruckner overwoekert een economische manier van denken langzamerhand ons hele bestaan en maakt ze 'rendementsdieren' van ons; we zien zelfs ons eigen leven als een product dat gefabriceerd en geconsumeerd moet worden. De economische taal is uitgegroeid tot een economische levenservaring.

Zo heet een goed leven in onze tijd een 'geslaagd' leven, alsof we met succes een of ander karwei hebben opgeknapt. Bij alles wat we willen doen bedenken we eerst wat de 'meerwaarde' ervan zou kunnen zijn. Materieel bezit is steeds meer de graadmeter van geluk, en om die welstand te garanderen moeten we elk jaar 'doorgroeien' in onze baan.

Bruckner pleit ervoor de economie weer haar plaats te wijzen, want het is een vergissing ons leven tot een project te herleiden.

Fragment uit (intermezzo) Armoede, rijkdom, soberheid
De rijken zijn niet zomaar armen die succesvol zijn. Door hun rijkdom veranderen ze ook in kwalitatief opzicht en worden ze in de richting gedreven van een andere mensensoort, met zijn eigen gewoontes, volksstammen en taal. Het is een manier van leven, een manier om geld met een zekere waardigheid en verfijning te bekleden. Rijk worden moet men leren, het vergt evenveel toewijding als wiskunde of muziek: veel hebben is niet genoeg, men moet ook anders leven. Het kan soms enkele generaties duren voordat men toegelaten wordt tot de wereld van de hoogste kringen en vertrouwd raakt met namen en families, terwijl men binnen de kortste keren tot armoede kan vervallen. Binnen de wereld van de overvloed bestaan hiërarchieën en clans die de onmetelijke rijken van de gewone bemiddelden scheiden. Daarom houden de rijken zich achter de hoge muren van hun clubs en paleizen meer bezig met het verdedigen van hun status dan met het genieten van hun bezittingen. Het geld, om met de calvinisten te spreken, biedt hun een subjectieve garantie op verlossing. Of ze nu sympathie of woede wekken, ze willen een vaste plaats veroveren in een genealogie om duidelijk te maken dat wat ze hebben bereikt niet het resultaat is van noeste arbeid - geld mag niet naar zweet ruiken - of een gunstig gesternte, maar het gevolg van een authentiek aristocratisch voorgeslacht.

De eindeloze voortplanting van de armen daarentegen heeft iets treurigs. Op zwart zaad zitten betekent afhankelijkheid van de dingen die men niet kan weggooien of verspillen en die men moet verstellen, oplappen en repareren, het betekent elk dubbeltje moeten omdraaien. Het is een combinatie van vernedering en belemmering. 'De arme is gedwongen te beknibbelen op zijn ellende. De rijke draagt de zijne in vol ornaat' (Baudelaire). Waar nog eens het vernederende aspect van de behoeftigheid als overblijfsel bovenop komt: terwijl de arme gisteren nog als proletariër of verworpene der aarde voorbestemd was om de mensheid te verlossen, is hij nu een overblijfsel dat alle welvaartsgolven heeft overleefd. Wie zo volhardt in de armoede, moet wel van kwade wil zijn. Hij is een luiaard die ondanks alle vooruitgang hardnekkig vasthoudt aan de berooidheid, een hinderlijk restant, een stuk uitschot dat sociale diensten en instellingen elkaar jaar in jaar uit toespelen met het voornemen hem weg te werken. Het sociale vraagstuk sluit hier aan bij het ecologische probleem van de vuilverwerking, het beheer van menselijke en materiële overschotten. Poverty sucks, zei men in Amerika onder Reagan: armoede is klote. Het is vooral treurig omdat het ons confronteert met de mislukking van ons optimisme, we worden in de tijd teruggeworpen en eraan herinnerd dat niet iedereen wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de prettige dingen in het leven, en dat het waarschijnlijk ook nooit zal gebeuren.

Kan soberheid als iets anders worden beschouwd dan een herleving van de christelijke ascese of een dieet van verzadigde mensen die terugverlangen naar de grote eenvoud? De wereld behoort toe aan degenen die haar verzaken, zeggen de franciscanen. In de schaarste vindt men de overvloed, in de leegte de ware volheid van het bestaan. Wie nooit neemt, zal nooit pakken, hij bezit de essentiële dingen omdat hij ze niet nodig heeft om te genieten. Deze onthechting is het tegendeel van de inhaligheid, ze is even onverzettelijk in het niet kiezen als de begeerte in het niet kunnen weigeren. Misschien moet de matigheid los gezien worden van het nare idee van onthouding: ze is geen aftrek, maar een bonus, een opening naar andere dimensies van het bestaan. Niet in de val trappen van een druk bestaan en vruchteloze verplichtingen, zich ontdoen van alle modieuze commerciële hebbedingetjes, de grenzen tussen het noodzakelijke en het overbodige verleggen, de schoonheid ervaren van dingen die de meerderheid onbeduidend vindt, de ellende zien waar de meesten over luxe spreken. Kortom, zelfbeheersing tonen, niet om zichzelf van alles te ontzeggen, maar om te genieten van allerlei dingen die niet door iedereen worden aanvaard. Want zonder dat zou de soberheid de ecologische tegenhanger zijn van de religieuze armoede, de moderne variant van zwartbrood en waterkruik, een karikatuur van de terugkeer naar de natuur in de trant van Henry David Thoreau, de Amerikaanse Rousseau-volgeling die zo graag in de bossen leefde. Dat het allemaal een beetje vaag is en naar heiligheid en snobisme riekt, verhindert niet dat dat het iedereen vrij staat om te beslissen welke sociale valstrikken hij wil ontlopen en welke valse schijn hij kan missen. Als de angst van onze tijd die voor de vluchtigheid is, wil dat zeggen dat de verandering die zich aankondigt nieuwe rijkdommen met zich mee zal brengen waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken. Daardoor zullen de huidige rijkdommen niet verouderen, maar slechts een andere plaats krijgen. En vergeleken met wat er komen gaat zou de pracht van tegenwoordig wel eens niet veel meer kunnen blijken dan een aardig prul. (pagina 108-110)

Lees ook: Gij zult gelukkig zijn! (2002)

Terug naar Overzicht alle titels


David McRaney

 Hoe verander je van mening : de praktische wetenschap achter het vormen van overtuigingen en opinies
Maven 2022, 335 pagina's  € 22,50

Oorspronkelijke titel: How minds change : the surprising science of believe, opinion and persuasion (2022)

Website David McRaney (1977)

Korte beschrijving
Een verhandeling over het veranderen van andermans mening. Het boek deelt wetenschappelijke inzichten in meningsvorming en leert de lezer zo om betere gesprekken te voeren om iemand of zichzelf van mening te laten veranderen. Helder, toegankelijk en onderhoudend geschreven, met persoonlijke passages. Met illustraties en praktische tips. David McRaney is schrijver en podcaster. Zijn werk werd in meerdere landen uitgegeven.

Tekst op website uitgever
Na het lezen van dit boek weet je: met alleen argumenten verander je niet iemands mening. Zeker in gesprekken over grote onderwerpen waarin twee kampen lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan – denk aan klimaat, corona of stikstof.

Het goede nieuws: mensen veranderen wel degelijk van mening en doen dat ook voortdurend, hun hele leven lang. En als je de wetenschap daarachter begrijpt, kun je betere gesprekken voeren om iemand (of jezelf) van mening te laten veranderen.

In de sociologie, psychologie en neurowetenschappen vond de laatste jaren een revolutie plaats, met veel nieuwe inzichten over hoe meningen worden gevormd en hoe je ze kunt veranderen. In dit boek brengt wetenschapsjournalist David McRaney deze kennis voor het eerst samen, op een toegankelijke en praktische manier.

Je krijgt inzicht in waaróm iemand iets vindt en concrete gesprekstechnieken om die mening te bevragen. In een tijd waarin polarisatie toeneemt en ieder debat kan worden afgedaan met 'ja, maar dat is jouw mening' levert dit boek je cruciale kennis op om de uitdagingen van nu het hoofd te bieden.

Fragment uit (de) Inleiding
Als we ons gaan verdiepen in de techniek voel je misschien bezwaren tegen de ethische kant van het geheel. Zelfs als we vinden dat onze bedoelingen goed zijn of dat de feiten ons gelijk bevestigen, kan overtuigen een vorm van manipulatie lijken. Maar het is wellicht geruststellend om te weten dat overtuigen volgens de wetenschappelijke definitie een vorm van meningsverandering is zónder dwang. Zoals hoogleraar communicatie Daniel O'Keefe het definieert, is overtuigen 'een geslaagde opzettelijke poging de geestesgesteldheid van iemand anders te beïnvloeden door middel van communicatie onder omstandigheden waarin de te overtuigen persoon een bepaalde mate van vrijheid heeft.'
  Meer specifiek, zoals psycholoog Richard Perloff jaren geleden in zijn boek Dynamics of persuasion uitlegde, kunnen we dwang vermijden door ons te houden aan symbolische communicatie - in de vorm van berichten die bedoeld zijn om andermans standpunten, overtuigingen, of beide, te veranderen door de 'vrijwillige aanname' van die berichten. Volgens Perloff kun je dwang van overtuigen onderscheiden als er ; hardhandige technieken' worden toegepast om iemand aan te moedigen te handelen 'omdat degene die overtuigt dat wil, waarschijnlijk tegen de zin van de nader in'.  Hij voegt daaraan toe dat wanneer mensen geloven dat ze vrij zijn om de communicator af te wijzen, er sprake is van 'ethisch overtuigen'.  Alleen 'wanneer individuen beseffen dat ze geen andere keuze hebben dan toe te geven, moet de poging tot beïnvloeding gezien worden als dwang.'
  Overtuigen is niet dwingen. Het is ook geen poging onze intellectuele opponent te verslaan met feiten of morele superioriteit, noch is het een debat met een winnaar of een verliezer. Overtuigen betekent dat je iemand begeleidt in etappes en hem helpt zijn eigen denkwijze beter te leren begrijpen en hem leert hoe hij die denkwijze in overeenstemming kan brengen met de betreffende boodschap. Je kunt een ander niet overtuigen zijn mening te veranderen als diegene dat niet wil. Zoals je zult zien, focussen de succesvolste technieken meer op de motivatie van die persoon dan op zijn conclusies.
  We zullen zien dat overtuigen in veel opzichten vooral een kwestie is van mensen aanmoedigen om zich te realiseren dat verandering mogelijk is. Elke vorm van overtuiging is zelfovertuiging. Mensen veranderen, of weigeren dat, op basis van hun eigen verlangens, motivaie en interne bezwaren. Door te focussen op deze factoren heb je met een argument meer kans om eningen te veranderen. Zoals psycholoog Joel Whalen het ooit verwoordde: 'Je kunt een touwtje niet in beweging krijgen door ertegen te duwen, je zult eraan moeten trekken.'
  Daarom is het zo belangrijk om je bedoelingen vooraf duidelijk te maken. Niet alleen blijf je dan ethisch gezien sterk verankerd, maar het vergoot ook je kans op succes. Als je dat niet doet gaan mensen raden naar je bedoelingen. En wat ze ook raden, het zal zich als je 'eigenlijke' uitgangspositie in hun geest vastzetten, waardoor je het risico loopt een ander gesprek te krijgen dan je voor ogen had. Als ze geloven dat jouw uitgangspositie is dat zij lichtgelovig of dom of gefrustreerd zijn, in de verkeerde groep verkeren of een slecht mens zijn, dan zullen ze zich uiteraard gaan verzetten. De feiten zullen dan irrelevant zijn. 
  In het begin van het onderzoek paste ik een aantal elementen hiervan toe op mijn vader, tijdens een discussie over een complottheorie die zijn politieke standpunt was geen beïnvloeden. We bespraken de feiten, alsmaar opnieuw. Toen ik even op adem probeerde te komen vroeg ik mezelf af wat ik eigenlijk wilde. Waarom wilde ik dat mijn vader zijn mening veranderde?
  Ik zei: 'Ik hou van je, en ik maak me zorgen dat je je laat misleiden.' Aan ons geruzie kwam abrupt een einde. We praatten verder over wie er te vertrouwen is op het internet. Hij werd milder en gaf toe dat hij bereid was van mening te veranderen over de feiten, maar dat hij heel behoedzaam was over waar die vandaan kwamen.
  Toen ik mezelf afvroeg waarom ik wilde dat hij van mening veranderde, was mijn antwoord: 'Ik vertrouw zijn bronnen niet en ik wil dat hij ze ook niet vertrouwt.' Waarom? 'Omdat ik andere bronnen vertrouw die zijn standpunten weerleggen, en ik wil dat hij dat ook doet.' Waarom? 'Ik wil dat wij aan dezelfde kant staan.' Waarom? Je kunt blijven doorvragen totdat je bij de quarks en gluons bent aangekomen, maar het is van cruciaal belang dat je op z'n minst je bedoelingen duidelijk maakt en vertelt waarom je de ideeën van een ander betwist. Anders neem je allebei dezelfde positie in: 'Ik heb gelijk en ik vind dat jij ongelijk hebt.'
  Ik hoop dat die vraag - waarom wil ik hen van mening laten veranderen?  - in je mentale rugzak hebt terwijl je met mij van hoofdstuk naar hoofdstuk reist. En ik hoop dat die vraag zal uitgroeien, zoals bij mij gebeurde, tot een hele reeks vragen.(pagina 13-15)


donderdag 1 augustus 2024

Haroon Sheikh

Atlas van de digitale wereld : richting Europese digitale soevereiniteit
Boom 2024, 96 pagina's € 14,90

Korte bio van: Haroon Sheikh (1980)

Korte beschrijving

Tekst op website uitgever
Er zijn groeiende zorgen over de risico’s van digitalisering, en daarom probeert de Europese Unie digitaal soeverein te worden. In Atlas van de digitale wereld brengt Haroon Sheikh in kaart hoe Nederland en de EU er in dit opzicht voorstaan.

Om de digitale wereld helder voor ogen te krijgen, introduceert Sheikh het verticale model van de ‘stack’. Deze benadering, die het mogelijk maakt om de verschillende lagen van de digitale wereld te analyseren, laat zien hoe revolutionair digitalisering is en hoe die samenhangt met vraagstukken van macht en soevereiniteit.

Haroon Sheikh (1980) is bijzonder hoogleraar Strategic Governance of Global Technologies aan de Vrije Universiteit Amsterdam en senior onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Hij schrijft columns, wetenschappelijke artikelen en publieksboeken over digitalisering en geopolitiek.

Fragment uit

Terug naar Overzicht alle titels