Sinds 2012 vindt u hier non-fictie boeken over onze snel en sterk veranderende tijd. Boeken over uiteenlopende, elkaar aanvullende en overlappende gebieden. Boeken die vragen oproepen. Leesbare boeken die allemaal opgenomen zijn in de collectie van de samenwerkende Noord Oost Brabantse Bibliotheken. Een instelling die uiteenlopende activiteiten organiseert over thema's die in deze boeken worden aangesneden. Boeken voor Lezers van Stavast.
woensdag 20 februari 2019
Peter Frankopan 2
De nieuwe zijderoutes : het heden en de toekomst van de wereld
Spectrum 2018, 301 pagina's -
Oorspronkelijke titel: The new silk roads (2018)
Wikipedia: Peter Frankopan (1971) en zijn website
Korte beschrijving
In 2015 schreef de Oxfordse historicus en hoogleraar Peter Frankopan (1971) het veelgeprezen ’De Zijderoutes’* waarin hij een andere, meer Aziatisch georiënteerde wereldgeschiedenis geeft en betoogt dat de belangrijke rol van dit gebied in onze kijk op de geschiedenis wordt weggedrukt. In ‘De Nieuwe Zijderoutes’ geeft de auteur een update van de huidige militaire, politieke en economische ontwikkelingen vanaf 2015 tot medio 2018. Aan bod komen onder meer de opbloeiende centraal Aziatische staten als Kazachstan en Turkmenistan, de almaar groeiende rol van China op het wereldtoneel, de spanningen in de regio en de gevolgen van het isolationistische beleid van de VS onder president Trump. Ook nu weer levert dat een verfrissende en vanuit Westers perspectief soms beklemmende, kijk op de geopolitieke situatie van vandaag en morgen. Met kaarten en een uitgebreid notenapparaat. Zeer actuele aanvulling op het veelgeprezen De Zijderoutes.
Fragment uit De routes naar de toekomst
De mogelijkheden om zich op de toekomst voor te bereiden lijken beperkt te zijn. In Europa zijn de energie, middelen en focus van politici, beleidsmakers en bureaucraten vrijwel exlusief gericht op één vraagstuk: Europa zelf. Het is de ironie van een lange periode van introversie terwijl in de rest van de wereld samenwerkingsverbanden worden gesmeed - een goed voorbeeld van vioolspelen terwijl Rome in brand staat.
In de VS ziet het er niet vele hoopvoller uit. Alleen al in de loop van 2017 verloor de buitenlandse dienst van het Amerikaanse State Department 60 procent van zijn carrièrediplomaten - de ambassadeurs met de meeste ervaring en kennis van landen waar ze waren gestationeerd, en met de beste connecties. Deze kaalslag bereikte zelfs de hoogste echelons. Voordat Tillerson werd ontslagen, waren begin 2018 acht van de tien hoogste posities op het ministerie formeel vacant, evenals 38 ambassadeursposten. Voor de 626 topfuncties in de uitvoerende tak van de Amerikaanse regering als geheel waren in 40 procent van de gevallen een jaar na het aantreden van Trump zelfs geen kandidaten gevonden om dele te nemen aan het benoemingsproces. (pagina 186)
Lees ook: De zijderoutes : een nieuwe wereldgeschiedenis (uit 2016) en Vrede en oorlog : een wereldgeschiedenis van Jonathan Holslag (uit 2018)
Terug naar Overzicht alle titels
zondag 17 februari 2019
Beate Rössler
Autonomie : een essay over het vervulde leven
Boom 2018, 384 pagina's - € 32,50
Oorspronkelijke titel: Autonomie. Ein Versuch über das gelungene Leben (2017)
Wikipedia: Beate Rössler (1958)
Korte beschrijving
De auteur vraagt zich af wat autonomie is, waarom het niet altijd kan worden bereikt en dit toch niets verandert aan de noodzaak ervan. Beate Rössler is vanaf 2009 hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde behalve filosofie en theologie ook Germanistiek in haar geboorteland, Duitsland. Zij neemt telkens een ander gezichtspunt in: conceptueel, de zin van het leven, het Zelf, kiezen, enzovoort. Zij bouwt haar essay, zoals het op het omslag heet, indrukwekkend en organisch op. Hierbij gaat Rössler onder meer te rade bij literatuur (Murdoch, McEwan, Austen, Tóibín en anderen), films, dagboeken en blogs als vorm van zelfobservatie. Deze kunnen volgens haar vaak beter bij interpretatiekwesties helpen dan abstracte filosofie. Het boek is toegankelijk voor een in filosofische vragen geïnteresseerd lezerspubliek, dat enigszins met de basisbegrippen daarvan is vertrouwd. Een belangrijke studie over een actueel onderwerp dat ook aanpalende thema’s bespreekt, zoals enerzijds privacy, vriendschap en intimiteit en anderzijds verplichting, gelijkheid en democratie. Met eindnoten en een literatuurlijst.
Tekst op website uitgever
Wanneer en in hoeverre zijn wij autonoom in ons handelen en de wijze waarop wij leven? Autonomie, het eerste werk van Beate Rössler dat in het Nederlands wordt uitgegeven, is een onderzoek naar ‘het vervulde leven’.
We vinden het vanzelfsprekend dat we autonoom beslissingen nemen en een door onszelf bepaald leven leiden. We denken dat een leven waar we belangrijke beslissingen tegen onze wil in moeten nemen niet geslaagd kan zijn. Toch bepalen we veel dingen in ons leven niet zelf. Dat geldt bijvoorbeeld voor veel sociale relaties, maar ook voor situaties waarin we niet precies weten wat we willen. De alledaagse ervaring laat ons zien dat we wel autonoom willen zijn, maar dat het vaak niet lukt.
Beate Rössler stelt dat we doorgaans uitgaan van een te abstracte opvatting van het begrip autonomie. In dit belangrijke boek onderzoekt ze hoe het in het alledaagse leven mogelijk is om een autonoom en vervuld leven te leiden. In gesprek met filosofen en literaire auteurs als Jane Austen en Franz Kafka komt Rössler tot een wezenlijk nieuwe doordenking van wat autonomie is. Uiteindelijk leidt de vraag naar autonomie tot een van de belangrijkste vragen die we kunnen stellen: wanneer kun je spreken van een vervuld of geslaagd leven?
‘Beate Rössler voelt de tijdgeest haarfijn aan met grote thema's als privacy en autonomie, en doet op toegankelijke wijze wat een filosoof moet doen: voorbij de hype en het gemakkelijke oordeel verder denken.’ - Stine Jensen, filosoof en programmamaker
'Dit boek biedt een geweldige staalkaart van hedendaagse filosofische discussies over autonomie die aan maatschappelijke debatten – zoals die over het boerka-verbod – ten grondslag liggen.’ **** – Maarten Doorman in NRC Handelsblad
Fragment uit 4. Autonomie, zelfkennis en zelfbedrog
1. Zelfkennis en zelfbepaling
Elizabeth Bennett, de hoofdpersoon van de roman Trots en vooroordeel van Jane Austen, is de tweede van vijf dochters, duidelijk de slimste van allemaal, en ze vindt - juist omdat ze weet dat ze slim is - dat ze zichzelf precies kent en begrijpt. Ze weet dat ze jegens Mr Darcy, die ze als trots, verwaand en bevooroordeeld beschouwt, een sterke afkeer koestert; ze weet tevens dat ze Mr Wickham daarentegen als verstandig en vriendelijk beschouwt, en ook als iemand die zwaar benadeeld wordt. Lizzy Bennett gelooft graag alle kwalijke meningen over Mr Darcy - en vooral gelooft ze Mr Wickham graag, die zo schandelijk door deze Mr Darcy behandeld zou zijn.
Maat ongeveer halverwege de roman gebeurt er iets onverwachts: Elizabeth Bennett begint langzaam te beseffen dat ze ernaast zat, dat ze zich net zo volledig heeft vergist in Mr Darcy als in Mr Wickham, dat ze zich heeft laten leiden door haar vooroordelen - en zich wellicht zelfs heeft vergist in haar eigen gevoelens jegens Darcy. Darcy is niet de schoft die ze in hem wilde zien, en hij doet haar ook nog een aanzoek: hij houdt van haar.
Elizabeth Bennett weet niet meer wat ze van Mr Darcy moet denken, en pas geleidelijk begint ze 'enige duidelijkheid te krijgen over haar eigen gevoelens. Vooral in het tweede deel van de roman laat Austen op voorbeeldige wijze zien hoe Elizabeth Bennett probeert zichzelf te begrijpen, aan de weet te komen wat ze precies denkt en wil, en hoe ze probeert al haar dwalingen over anderen, die ze aan zichzelf te wijten heeft, en ook haar zelfbedrog te overwinnen. En hoe ze door middel van deze bewustwording van wat ze denkt en voelt, ook haar gedrag verandert, zichzelf verandert. (pagina 107-108)
Terug naar Overzicht alle titels
Boom 2018, 384 pagina's - € 32,50
Oorspronkelijke titel: Autonomie. Ein Versuch über das gelungene Leben (2017)
Wikipedia: Beate Rössler (1958)
Korte beschrijving
De auteur vraagt zich af wat autonomie is, waarom het niet altijd kan worden bereikt en dit toch niets verandert aan de noodzaak ervan. Beate Rössler is vanaf 2009 hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde behalve filosofie en theologie ook Germanistiek in haar geboorteland, Duitsland. Zij neemt telkens een ander gezichtspunt in: conceptueel, de zin van het leven, het Zelf, kiezen, enzovoort. Zij bouwt haar essay, zoals het op het omslag heet, indrukwekkend en organisch op. Hierbij gaat Rössler onder meer te rade bij literatuur (Murdoch, McEwan, Austen, Tóibín en anderen), films, dagboeken en blogs als vorm van zelfobservatie. Deze kunnen volgens haar vaak beter bij interpretatiekwesties helpen dan abstracte filosofie. Het boek is toegankelijk voor een in filosofische vragen geïnteresseerd lezerspubliek, dat enigszins met de basisbegrippen daarvan is vertrouwd. Een belangrijke studie over een actueel onderwerp dat ook aanpalende thema’s bespreekt, zoals enerzijds privacy, vriendschap en intimiteit en anderzijds verplichting, gelijkheid en democratie. Met eindnoten en een literatuurlijst.
Tekst op website uitgever
Wanneer en in hoeverre zijn wij autonoom in ons handelen en de wijze waarop wij leven? Autonomie, het eerste werk van Beate Rössler dat in het Nederlands wordt uitgegeven, is een onderzoek naar ‘het vervulde leven’.
We vinden het vanzelfsprekend dat we autonoom beslissingen nemen en een door onszelf bepaald leven leiden. We denken dat een leven waar we belangrijke beslissingen tegen onze wil in moeten nemen niet geslaagd kan zijn. Toch bepalen we veel dingen in ons leven niet zelf. Dat geldt bijvoorbeeld voor veel sociale relaties, maar ook voor situaties waarin we niet precies weten wat we willen. De alledaagse ervaring laat ons zien dat we wel autonoom willen zijn, maar dat het vaak niet lukt.
Beate Rössler stelt dat we doorgaans uitgaan van een te abstracte opvatting van het begrip autonomie. In dit belangrijke boek onderzoekt ze hoe het in het alledaagse leven mogelijk is om een autonoom en vervuld leven te leiden. In gesprek met filosofen en literaire auteurs als Jane Austen en Franz Kafka komt Rössler tot een wezenlijk nieuwe doordenking van wat autonomie is. Uiteindelijk leidt de vraag naar autonomie tot een van de belangrijkste vragen die we kunnen stellen: wanneer kun je spreken van een vervuld of geslaagd leven?
‘Beate Rössler voelt de tijdgeest haarfijn aan met grote thema's als privacy en autonomie, en doet op toegankelijke wijze wat een filosoof moet doen: voorbij de hype en het gemakkelijke oordeel verder denken.’ - Stine Jensen, filosoof en programmamaker
'Dit boek biedt een geweldige staalkaart van hedendaagse filosofische discussies over autonomie die aan maatschappelijke debatten – zoals die over het boerka-verbod – ten grondslag liggen.’ **** – Maarten Doorman in NRC Handelsblad
1. Zelfkennis en zelfbepaling
Elizabeth Bennett, de hoofdpersoon van de roman Trots en vooroordeel van Jane Austen, is de tweede van vijf dochters, duidelijk de slimste van allemaal, en ze vindt - juist omdat ze weet dat ze slim is - dat ze zichzelf precies kent en begrijpt. Ze weet dat ze jegens Mr Darcy, die ze als trots, verwaand en bevooroordeeld beschouwt, een sterke afkeer koestert; ze weet tevens dat ze Mr Wickham daarentegen als verstandig en vriendelijk beschouwt, en ook als iemand die zwaar benadeeld wordt. Lizzy Bennett gelooft graag alle kwalijke meningen over Mr Darcy - en vooral gelooft ze Mr Wickham graag, die zo schandelijk door deze Mr Darcy behandeld zou zijn.
Maat ongeveer halverwege de roman gebeurt er iets onverwachts: Elizabeth Bennett begint langzaam te beseffen dat ze ernaast zat, dat ze zich net zo volledig heeft vergist in Mr Darcy als in Mr Wickham, dat ze zich heeft laten leiden door haar vooroordelen - en zich wellicht zelfs heeft vergist in haar eigen gevoelens jegens Darcy. Darcy is niet de schoft die ze in hem wilde zien, en hij doet haar ook nog een aanzoek: hij houdt van haar.
Elizabeth Bennett weet niet meer wat ze van Mr Darcy moet denken, en pas geleidelijk begint ze 'enige duidelijkheid te krijgen over haar eigen gevoelens. Vooral in het tweede deel van de roman laat Austen op voorbeeldige wijze zien hoe Elizabeth Bennett probeert zichzelf te begrijpen, aan de weet te komen wat ze precies denkt en wil, en hoe ze probeert al haar dwalingen over anderen, die ze aan zichzelf te wijten heeft, en ook haar zelfbedrog te overwinnen. En hoe ze door middel van deze bewustwording van wat ze denkt en voelt, ook haar gedrag verandert, zichzelf verandert. (pagina 107-108)
Terug naar Overzicht alle titels
zaterdag 16 februari 2019
Michael Ende
Momo en de tijdspaarders
Lemniscaat 1976, 265 pagina's - € 16,95
Oorspronkelijke uitgave: Momo, oder: Die seltsame Geschichte von den Zeit-Dieben und von dem Kind, das den Menschen die gestohlene Zeit zurückbrachte (1973)
Wikipedia: Michael Ende (1929-1995) en Momo
Korte beschrijving
Momo leeft zonder vader en moeder in een oude ruïne en helpt veel mensen door naar hen te luisteren, totdat de tijdspaarders komen die de sfeer verzieken en alles regelen naar de eisen van tijd en geld. Vanaf ca. 14 jaar.
Fragment uit 9. Een goede vergadering die niet plaatsvindt, en een kwalijke vergadering die wel plaatsvindt
'Beklaagde!' onderbrak de heer in het midden hem scherp. 'Bent u er zich van bewust waar u zich bevindt?
De agent kromp een beetje in elkaar. 'jawel,' fluisterde hij.
'U bevindt zich,' ging de rechter voort, 'niet voor een mensenrechtbank, maar voor uws gelijken. U weet heel goed dat u ons niet wat voor kunt liegen. Waarom probeert u het dan toch?'
'Het is - beroepsgewoonte,' stamelde de beklaagde.
'Of de onderneming van de kinderen al dan niet ernstig moet worden opgevat.' zei de rechter, 'kunt u gevoeglijk aan het oordeel van het bestuur overlaten. Maar ook gij zelf, beklaagde, weet heel goed dat niets en niemand voor ons werk zo gevaarlijk is als juist de kinderen.'
'Ik weet het,' gaf de beklaagde schuchter toe.
'Kinderen,' verklaarde de rechter, 'zijn onze natuurlijke vijanden,. Wanneer zij er niet waren zou de mensheid al lang geheel in onze macht zijn. Kinderen zijn veel en veel moeilijker tot tijdsparen over te halen dan alle andere mensen. Daarom luidt een van onze strengste wetten: Kinderen komen pas het laatst aan de beurt. Was deze wet u bekend, beklaagde?'
'Zeker wel, hooggerecht.' hijgde hij.
'Toch hebben wij onweerlegbare bewijzen,' antwoordde de rechter, 'dat een van ons, ik herhaal, een van ons met een kind gesproken heeft en dit kind bovendien nog de waarheid over ons verraden moet hebben. Beklaagde, weet u misschien wie deze een van ons was?'
'Ik was het,' antwoordde de agent BLW/553/c verslagen.
'En waarom hebt u zodoende onze strengste wet overtreden?' ondervroeg de rechter.
'Omdat dit kind,' verdedigde de beklaagde zich, 'door invloed op andere mensen ons werk buitengewoon in de weg staat. Ik heb met de beste bedoelingen voor de Tijd-Spaar-Kas gehandeld.'
'Uw bedoelingen interesseren ons niet,' gaf de rechter op ijskoude toon ten antwoord. 'Ons interesseert uitsluitend het resultaat. En het resultaat in uw geval, beklaagde, was niet alleen geen enkele tijdwinst voor ons, maar bovendien hebt u dit kind ook nog enkele van onze belangrijkste geheimen verraden. Geeft u dat toe, beklaagde?'
'Ik geef het toe,' fluisterde de agent met gebogen hoofd.
'U bekent dus dat u schuldig bent?'
'Jawel, maar ik vraag het hooggerecht toch ook rekening te houden met de verzachtende omstandigheden, dat ik regelrecht behekst werd. Door de manier waarop dit kind naar mij luisterde, ontfutselde het me alles. Ik kan er zelf geen verklaring voor geven hoe het zover gekomen i, maar ik zweer dat het zo was.'
'Uw verontschuldigingen interesseren ons niet. Verzachtende omstandigheden laten wij niet gelden. Onze wet is onschendbaar en duidt geen enkele uitzondering. In elk geval zullen we ons over dit merkwaardige kind ontfermen. Hoe heet het?'
'Momo.'
'Jongen of meisje?'
'Een klein meisje.' (pagina 117-119)
Artikel van Srećko Horvat: The children skipping school aren't ruining the planet – you are (The Guardian, 6 februari 2019)
Lees ook: Neem de tijd : overleven in de to-go maatschappij van Koen Haegens (uit 2012), Leven in tijden van versnelling : een pleidooi voor resonantie van Hartmut Rosa (uit 2016) en Agendahedonisme : hoe onze obsessie met tijdsoptimalisatie leidt tot een dichtgetimmerd bestaan van Tom Grosfeld (uit 2022) en hoofdstukken uit Veroordeeld tot succes : op zoek naar een geslaagd leven van Peter Henk Steenhuis (ook uit 2022).
Artikel: Fomo - Bang om iets te missen (2012)
Terug naar Overzicht alle titels
Rob de Wijk 2
Balans 2019, 284 pagina's - € 23,95
Lenen als E-book via bibliotheek.nl
Wikipedia: Rob de Wijk (1954)
Korte beschrijving
We leven in een overgangsfase van een oude, vertrouwde - door het Westen vormgegeven - internationale orde naar een deels onzekere toekomst. De snelle opkomst van China als wereldmacht illustreert die overgang. Niet langer democratie, vrije markt, internationaal recht en internationale instellingen zullen dominant zijn in de nieuwe orde, maar autoritaire regimes, handelsconflicten, een gebrek aan vrijheid en ontbrekend respect voor mensenrechten. De Wijk, hoogleraar internationale betrekkingen en veelvuldig in de media aanwezig, bouwt zijn analyse op drie thema's. Eerst geeft hij een analyse van de oorzaken van de teloorgang van de bestaande internationale orde, die deels is te wijten aan de vormgevers ervan (de VS onder Trump: protectionisme, handelsoorlog, uitholling van internationale solidariteit). Dan volgt een beschrijving van de snelle economische, militaire en politieke opkomst van China. Tot slot wordt afgesloten met de gevolgen, de mogelijke scenario's en de contouren van een door China gedomineerde wereldorde. Een prikkelende en tot nadenken stemmende analyse. Met eindnoten.
Tekst op website uitgever
De Chinese wereldorde komt eraan. In een drieënhalf uur durende toespraak tijdens het negentiende partijcongres in augustus 2017 stippelde president Xi de route uit. In 2035 moet China een welvarende staat zijn die wereldleider is op het gebied van technologie en innovatie. In de daaropvolgende vijftien jaar moet China worden uitgebouwd tot een wereldmacht. En als in 2049 de Volksrepubliek zijn honderdste verjaardag viert, moet Xi’s ‘Chinese Droom’ zijn uitgekomen: China moet dan de leider van de wereld zijn.
Die droom kan uitkomen als China de koploper van de nieuwe industriële revolutie van Internet of Things, nanotechnologie en Artificial Intelligence wordt. In een fascinerend betoog vol persoonlijke ervaringen betoogt Rob de Wijk dat dit gaat lukken en dat China dan de wereldorde kan gaan bepalen. In de negentiende eeuw deden de Britten dit en in de twintigste eeuw de Amerikanen.
Geholpen door de financiële crisis van 2008, president Trumps protectionisme, de Brexit en opkomend nationalisme in Europa wordt de eenentwintigste eeuw, de eeuw van China. Daardoor gaat de westerse wereldorde met zijn vrijemarkteconomie, internationale recht, internationale instituties, democratie, mensenrechten en burgerlijke vrijheden op de schop. Hoe dit tij te keren wordt het belangrijkste vraagstuk van onze tijd.
Fragment uit 8. China's groeiende assertiviteit
Japan is een van de landen die zich ernstig zorgen maken over de toenemende macht van China. Dat bleek mij tijdens een bezoek aan het Japan Institute of International Affairs in Tokio, eind augustus 2016. Een van de onderzoekers, Tetsuo Kotani, vertelde mij ervan overtuigd te zijn dat China, ter ere van de honderdste verjaardag van de Volksrepubliek, 'verloren gebieden' met het land wilde verenigen: de gehele Zuid-Chinese Zee, Taiwan en de eilanden in de Oost-Chinese Zee. In die volgorde. Ik moest erkennen dat er inderdaad sterke aanwijzingen zijn dat China daarop aanstuurt. Het is in elk geval in lijn met de nieuwe assertiviteit die ook ik bij de Chinese leiders bespeurde en die niet uitzonderlijk is voor een opkomende macht. Opkomende machten krijgen vitale belangen die uitstijgen boven de belangen van kleine landen.
De toenemende Chinese assertiviteit past in een patroon dat al eeuwen in de internationale betrekkingen te zien is. In een belangwekkende studie beschreef Harvard-hoogleraar Graham Allison zestien van dergelijke grote machtsverschuivingen sinds de middeleeuwen. De meeste strijd om de macht vond plaats in wat we nu de westerse wereld noemen. Zo streden aan het einde van de vijftiende eeuw Portugal en Spanje om de macht in; in de zestiende en zeventiende eeuw waren het de Habsburgers die achtereenvolgens met Frankrijk, het Ottomaanse Rijk en Zweden streden; Engeland vocht in de zeventiende en achttiende eeuw met Nederland en Frankrijk; in de negentiende eeuw streed het samen met Frankrijk tegen Rusland en Duitsland, en tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht Engeland zij aan zij met Amerikanen en Canadezen, wederom tegen Duitsland. Tijdens de Koude Oorlog vonden confrontaties plaats tussen het Westen en de Sovjet-Unie, en na de Koude Oorlog streden vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om de macht in Europa. In Azië vond pas tegen het einde van de negentiende eeuw voor het eerst een machtsstrijd plaats, toen China en Rusland tegen Japan streden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerden de Amerikanen oorlog tegen Japan. (pagina 224-225)
Lees ook: 5 over 12 : hoe Nederland toch sterker uit de crisis kan komen (uit 2012) en De nieuwe revolutionaire golf : waarom burgers zich van hun leiders afkeren (uit 2016)
Terug naar Overzicht alle titels
donderdag 14 februari 2019
Marjolein Quené
Voorbij de managementmaatschappij : De invloed van management op werk, democratie en vrijheid
Lemniscaat 2019, pagina's - € 19,95
Website uitgever: Marjolein Quené (1958)
Korte beschrijving
Al jaren slinken de studentenaantallen in de filosofie of geschiedenis terwijl de economische wetenschappen hoogtij vieren. Geen merkwaardige evolutie, want de samenleving organiseert zich tegenwoordig volgens de wetten van de markt. De spelers op die markt hebben managers nodig, geen wijsgeren. Voor Marjolein Quené is de mens meer dan de homo ecomomicus en de maatschappij heeft andere ambities voorop te schuiven dan winstmaximalisatie. In 'Voorbij de managementmaatschappij' schets Quené hoe de maatschappij en de politiek zich sinds de jaren tachtig het vocabularium van de modelmanager eigen heeft gemaakt: hoeveel minuten heeft een zorgkundige nodig om een patiënt te wassen, met welke maatregelen kunnen we bezuinigen in de sociale zekerheid? De burger wordt klant, de mens consument. En terwijl we voelen dat we meer dan dat zijn, grijpen we toch weer terug naar die wijsgeren en komen Hannah Arendt en Susan Neiman ten tonele om Quené bij te staan in het voorstellen van een alternatief. Met eindnoten en registers op namen en onderwerpen. Een waardevolle kritiek op de huidige organisatie van de samenleving.
Tekst op website uitgever
De afgelopen jaren heeft management de wereld veroverd. Overal zijn managers te vinden die het werk beter regelen, marktconform maken of de efficiëntie verhogen en zo veel geld uit organisaties weten te halen. Alles wordt tegenwoordig gemanaged – het bedrijfsleven, het onderwijs, de zorg, de overheid, de rechtsspraak, de politiek, de schone lucht, de natuur – waardoor er veel kapot wordt gemaakt. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
In Voorbij de managementmaatschappij onderzoekt Marjolein Quené niet alleen waarom management zo aantrekkelijk is, maar kijkt ook met een kritische blik naar hoe de managementleer onze samenleving, onze manier van werken en denken zo ingrijpend heeft kunnen veranderen. Aan de hand van filosofen als Hannah Arendt en Susan Neiman biedt Quené een hoopvol alternatief. Het ís mogelijk om op een andere manier naar onze maatschappij te kijken en onder het juk van het management vandaan te komen.
Fragment uit 21. Management ontspoord
Sociale ontwrichting ontstaat omdat mensen nu eenmaal de bewegingen van het internationale kapitaal niet kunnen volgen. Individuele personen kunnen de werkgelegenheid niet achterna reizen. En als ze dat wel kunnen doen zijn ze rechteloos, zoals in de Golfstaten Saoedi-Arabië of Qatar, of tweederangs burgers. Meer mensen vallen in toenemende mate buiten elke kring van solidariteit. Zij hebben een verstoord familie- en gezinsleven doordat ze arbeidsmigrant zijn of doordat ze twee banen moeten combineren om rond te komen. Of ze worden eerst naar een land gehaald om er te werken, om daar vervolgens als 'overbodig' te worden beschouwd. Vluchtelingen zijn in toenemende mate ook vluchteling door sociaaleconomische omstandigheden die tot politieke spanningen leiden.
Gezinnen vallen eerder uit elkaar door sociaaleconomische problemen. Mensen worden bijvoorbeeld uit hun huis gezet als ze de hypotheek of hun schulden niet meer kunnen betalen. Door migratie worden families en gezinnen soms jarenlang van elkaar gescheiden. Er zijn tegenwoordig veel mensen werkeloos of 'overbodig' en zo voelen ze zich ook. Zij slagen er dan ook niet meer in om de andere rollen in het leven als familielid, kiezer of burger in de maatschappij te vervullen.
Het liberaliseren van de internationale kapitaalmarkten heeft ook gevolgen voor natuur en milieu. Er is nagenoeg geen internationaal publiekrechtelijk gecontroleerde rem op de aantasting van het ,milieu en uitputting van grondstoffen. Ondanks klimaatbeleid worden er nog steeds op grote schaal fossiele brandstoffen uit de bodem gehaald en opgestookt. Nog steeds wordt kostbare natuur- en landbouwgrond opgeofferd aan sneller gewin - ook in Nederland. Water, lucht en bodem worden nog steeds vervuild, want de vervuiling kan afgekocht worden. Het wordt aan de 'markt', in casu de geldschieters, overgelaten om te beslissen of investeringen in exploitatie en uitputting van bodemschatten mogen plaatsvinden. Een angstaanjagend idee, want geldschieters kiezen voor het behalen van rendement, niet voor de bestaansmogelijkheden van de generaties na hen.
De 'grenzen aan de groei' komen in hoog tempo dichterbij. Het uitsterven van insectensoorten gaat zo snel dat dit een serieuze bedreiging voor voedselsystemen vormt. De werking van de meeste broeikasgassen is cumulatief. De uitstoot van CO2 van de afgelopen eeuwen kan niet ongedaan gemaakt worden en de emissie is de afgelopen vijfenveertig jaar verdubbeld; er zijn vergaande maatregelen nodig terwijl er nog maar kort de tijd is om binnen de 2 graden te blijven die met het klimaatakkoord in Parijs is afgesproken. Al deze risico's worden niet door internationale kapitaalmarkten gedragen. De risico's liggen bij individuele mensen en overheden voor zover die hun burgers willen beschermen. In Nederland is het al nodig om een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie te ontwikkelen.
In het ordeningsdenkbeeld van de modelmanager is en blijft de belangrijkste taak van overheden en markten te faciliteren. Als politici dit ordeningsdenkbeeld delen, dan zien zij over het hoofd dat daardoor de overheid steeds verder buiten spel komt te staan. Want marktpartijen krijgen dan de ruimte hun gang te gaan. Liberalisering van de internationale kapitaalmarkten heeft in elk geval tot effect dat er niemand meer in de cockpit 'zit' zoals Joris Luyendijk het zegt. Zelfs het betalen van belastingen door deze marktpartijen is geen vanzelfsprekendheid meer. (pagina 214-216)
Terug naar Overzicht alle titels
Lemniscaat 2019, pagina's - € 19,95
Website uitgever: Marjolein Quené (1958)
Korte beschrijving
Al jaren slinken de studentenaantallen in de filosofie of geschiedenis terwijl de economische wetenschappen hoogtij vieren. Geen merkwaardige evolutie, want de samenleving organiseert zich tegenwoordig volgens de wetten van de markt. De spelers op die markt hebben managers nodig, geen wijsgeren. Voor Marjolein Quené is de mens meer dan de homo ecomomicus en de maatschappij heeft andere ambities voorop te schuiven dan winstmaximalisatie. In 'Voorbij de managementmaatschappij' schets Quené hoe de maatschappij en de politiek zich sinds de jaren tachtig het vocabularium van de modelmanager eigen heeft gemaakt: hoeveel minuten heeft een zorgkundige nodig om een patiënt te wassen, met welke maatregelen kunnen we bezuinigen in de sociale zekerheid? De burger wordt klant, de mens consument. En terwijl we voelen dat we meer dan dat zijn, grijpen we toch weer terug naar die wijsgeren en komen Hannah Arendt en Susan Neiman ten tonele om Quené bij te staan in het voorstellen van een alternatief. Met eindnoten en registers op namen en onderwerpen. Een waardevolle kritiek op de huidige organisatie van de samenleving.
Tekst op website uitgever
De afgelopen jaren heeft management de wereld veroverd. Overal zijn managers te vinden die het werk beter regelen, marktconform maken of de efficiëntie verhogen en zo veel geld uit organisaties weten te halen. Alles wordt tegenwoordig gemanaged – het bedrijfsleven, het onderwijs, de zorg, de overheid, de rechtsspraak, de politiek, de schone lucht, de natuur – waardoor er veel kapot wordt gemaakt. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
In Voorbij de managementmaatschappij onderzoekt Marjolein Quené niet alleen waarom management zo aantrekkelijk is, maar kijkt ook met een kritische blik naar hoe de managementleer onze samenleving, onze manier van werken en denken zo ingrijpend heeft kunnen veranderen. Aan de hand van filosofen als Hannah Arendt en Susan Neiman biedt Quené een hoopvol alternatief. Het ís mogelijk om op een andere manier naar onze maatschappij te kijken en onder het juk van het management vandaan te komen.
Fragment uit 21. Management ontspoord
Sociale ontwrichting ontstaat omdat mensen nu eenmaal de bewegingen van het internationale kapitaal niet kunnen volgen. Individuele personen kunnen de werkgelegenheid niet achterna reizen. En als ze dat wel kunnen doen zijn ze rechteloos, zoals in de Golfstaten Saoedi-Arabië of Qatar, of tweederangs burgers. Meer mensen vallen in toenemende mate buiten elke kring van solidariteit. Zij hebben een verstoord familie- en gezinsleven doordat ze arbeidsmigrant zijn of doordat ze twee banen moeten combineren om rond te komen. Of ze worden eerst naar een land gehaald om er te werken, om daar vervolgens als 'overbodig' te worden beschouwd. Vluchtelingen zijn in toenemende mate ook vluchteling door sociaaleconomische omstandigheden die tot politieke spanningen leiden.
Gezinnen vallen eerder uit elkaar door sociaaleconomische problemen. Mensen worden bijvoorbeeld uit hun huis gezet als ze de hypotheek of hun schulden niet meer kunnen betalen. Door migratie worden families en gezinnen soms jarenlang van elkaar gescheiden. Er zijn tegenwoordig veel mensen werkeloos of 'overbodig' en zo voelen ze zich ook. Zij slagen er dan ook niet meer in om de andere rollen in het leven als familielid, kiezer of burger in de maatschappij te vervullen.
Het liberaliseren van de internationale kapitaalmarkten heeft ook gevolgen voor natuur en milieu. Er is nagenoeg geen internationaal publiekrechtelijk gecontroleerde rem op de aantasting van het ,milieu en uitputting van grondstoffen. Ondanks klimaatbeleid worden er nog steeds op grote schaal fossiele brandstoffen uit de bodem gehaald en opgestookt. Nog steeds wordt kostbare natuur- en landbouwgrond opgeofferd aan sneller gewin - ook in Nederland. Water, lucht en bodem worden nog steeds vervuild, want de vervuiling kan afgekocht worden. Het wordt aan de 'markt', in casu de geldschieters, overgelaten om te beslissen of investeringen in exploitatie en uitputting van bodemschatten mogen plaatsvinden. Een angstaanjagend idee, want geldschieters kiezen voor het behalen van rendement, niet voor de bestaansmogelijkheden van de generaties na hen.
De 'grenzen aan de groei' komen in hoog tempo dichterbij. Het uitsterven van insectensoorten gaat zo snel dat dit een serieuze bedreiging voor voedselsystemen vormt. De werking van de meeste broeikasgassen is cumulatief. De uitstoot van CO2 van de afgelopen eeuwen kan niet ongedaan gemaakt worden en de emissie is de afgelopen vijfenveertig jaar verdubbeld; er zijn vergaande maatregelen nodig terwijl er nog maar kort de tijd is om binnen de 2 graden te blijven die met het klimaatakkoord in Parijs is afgesproken. Al deze risico's worden niet door internationale kapitaalmarkten gedragen. De risico's liggen bij individuele mensen en overheden voor zover die hun burgers willen beschermen. In Nederland is het al nodig om een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie te ontwikkelen.
In het ordeningsdenkbeeld van de modelmanager is en blijft de belangrijkste taak van overheden en markten te faciliteren. Als politici dit ordeningsdenkbeeld delen, dan zien zij over het hoofd dat daardoor de overheid steeds verder buiten spel komt te staan. Want marktpartijen krijgen dan de ruimte hun gang te gaan. Liberalisering van de internationale kapitaalmarkten heeft in elk geval tot effect dat er niemand meer in de cockpit 'zit' zoals Joris Luyendijk het zegt. Zelfs het betalen van belastingen door deze marktpartijen is geen vanzelfsprekendheid meer. (pagina 214-216)
Terug naar Overzicht alle titels
Jan Bransen 2
Gevormd of vervormd? : een pleidooi voor ander onderwijs
ISVW 2019, 211 pagina's - € 24,95
Website Jan Bransen (1958)
Korte beschrijving
Dit boek gaat over ons, mensen', aldus Jan Bransen, hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het gaat om mensen die elkaar elke dag en al jaren lang ontmoeten binnen de muren van de school, waar processen van leren, opvoeden, ontwikkeling en toetsing plaatsvinden. Hij laat ons met een filosofische blik kijken naar die processen waarin kinderen en jongeren door het onderwijs gevormd worden. Eigen aan onderwijs is dat het constant in beweging is wat betreft inhoud, structuur en maatschappelijke positionering. Bransen laat ons zien hoe we het onderwijs een menselijker gezicht kunnen geven. In het eerste deel geeft hij een kritische analyse van het huidige bestel. Dat doet hij op een vrijwel unieke manier, waarbij hij ons een spiegel voorhoudt. In deel twee beschrijft hij welke veranderingen nodig zijn om tot een menselijker maat te komen. Het stelsel zou gebouwd moeten worden rondom waarden als zelfvertrouwen in het primair onderwijs, je doet ertoe waar je ook bent in het voortgezet onderwijs en je leert en werkt duaal in het hoger onderwijs. Helaas gaat hij weinig in op actuele vernieuwingen in primair en secundair onderwijs die aansluiten bij zijn aanbevelingen. Inspiratie en stof tot debat en discussie. Nuttig voor leraren (in opleiding) en directeuren.
Tekst op website uitgever
Het onderwijs vormt niet: het vervormt. Dat komt doordat het uitgaat van verkeerde aannames. Neem de aanname dat je eerst jarenlang moet leren voor je kunt meedoen aan het maatschappelijk leven, of de aanname dat kennisverwerving het best in kleine brokjes gebeurt, waarbij je voortdurend toetst. Dit alles leidt tot een cultuur waarin alles meetbaar moet zijn en waarin diploma’s je gevoel van eigenwaarde kunnen maken of breken. Dit zijn ideeën die meer kwaad doen dan goed.
Het onderwijs kan zoveel beter. Het kan vormen, en om dat te bereiken moet het roer om. Primair onderwijs hoort te draaien om de ontwikkeling van het zelfvertrouwen, zodat kinderen hun stemmen durven te verheffen. Het voortgezet onderwijs hoort ervoor te zorgen dat jongeren een positie verwerven waarin ze ertoe doen, op school en op straat. En al het zogenaamde ‘hogere onderwijs’ – wat een term! – organiseren we voortaan in duale trajecten, waarin leren en werken samengaan.
Jan Bransen is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Met Laat je niets wijsmaken (Klement 2013) won hij de Socrates Wisselbeker, de prijs voor het meest prikkelende filosofieboek. Ook zijn Word zelf filosoof, in 2014 heruitgebracht bij ISVW Uitgevers, was genomineerd voor deze prijs. Recentelijk verscheen bij Routledge het Engelstalige Don’t Be Fooled: A Philosophy of Common Sense. Hij is daarnaast oprichter van het tijdschrift Philosophical Explorations. Jan Bransen blogt over het onderwijs op www.pleidooivooranderonderwijs.nl
Fragment uit Inleiding - Het schoolgebouw: hok of ruimte?
Er staan duizenden schoolgebouwen in Nederland. Groot, klein, toegankelijk, gesloten, saai, verrassend, geïntegreerd, geïsoleerd. Heel veel scholen, in alle soorten en maten. Maar ondanks al die verschillen is er ook iets wat al die gebouwen met elkaar gemeen hebben: ze vertegenwoordigen de institutionalisering van Homo educandus. Ze laten ons de muren zien waarbinnen ons bestaan gestalte krijgt die het vandaag de dag toebedeeld wordt.
Institutionalisering is een groot goed. Het versimpelt en stroomlijnt ons leven enorm. Het zorgt voor een in de natuur gebouwd nest, zoals Arnold Gehlen zo mooi heeft geformuleerd. Dankzij die institutionalisering hoeft niemand van ons helemaal van voren aan te beginnen. Wij hoeven het menselijk bestaan niet meer zelf uit te vinden, maar treffen het in allerlei handzame en vooral leefbare vormen aan. Maar die vormen hebben ook iets dwingends. Dat is de keerzijde.
Deze twee kanten van institutionalisering zien we in het schoolgebouw terug, in de oefenruimte die het kan zijn en in het repetitiehok dat het kan worden. Het schoolgebouw kan een fantastische oefenruimte zijn, een beschermde plaats waar wij naar hartenlust kunnen experimenteren en ons leven kunnen uitproberen. Het schoolgebouw kan ons die pedagogische ruimte bieden, waarin wij aangemoedigd, uitgenodigd en verwelkomd worden. In die ruimte worden wij behoed voor gevolgen die ons impulsieve, kinderachtige, primitieve, ondoordachte en verkennende gedrag zou kunnen hebben als wij onmiddellijk de straat op geschopt zouden worden. Voor musici is een oefenruimte een onbegrensde sfeer waarin ze met elkaar iets kunnen uitproberen, zonder publiek, een ruimte waarin ze melodieën, ritmes en arrangementen kunnen verkennen en waarin het er allemaal nog niet echt toe doet.
Als schrijver herken ik die ruimte. De tekst die jij nu leest, heb ik keer op keer geformuleerd, herschreven, geknipt en geplakt, verwijderd en verplaatst. Al die tijd was ik alleen, was ik mijn eigen lezer, de enige lezer. Want schrijven is vooral lezen, woorden proeven, zinswendingen volgen, dan weer schrappen en opnieuw beginnen. Jij leest dit nu - de definitieve tekst - maar je hebt geen idee hoeveel woorden en zinnen hier eerder gestaan hebben, hoe ik in mijn eigen werkkamer naar het scherm heb gestaard, heb getwijfeld, in een flow ben geraakt om pas vele zinnen later weer terug te kijken en om dan die hele alinea toch met één klik weer in het niets te laten verdwijnen. Als schrijven heb ik die oefenruimte nodig, zodat ik zonder publiek, met alleen mijn eigen, welwillende maar ook kritisch oordeelsvermogen, de tekst heb kunnen vormen die dit boek tot dit boek heeft gemaakt. Musici doen tussendoor try-outs. Ik heb iets vergelijkbaars gedaan en mijn manuscript aan meelezers voorgelegd.
Een schoolgebouw is zo'n oefenruimte, een beschermde, pedagogische plek waar wij kunnen uitproberen hoe het is om mens te zijn, waar wij kunnen oefenen met schrijven en rekenen, met lezen, zingen en tekenen, met al die vaardigheden die we nodig hebben om als mensen ons leven te kunnen leven. Wij doen dat als het ware zonder publiek, niet in de openbare ruimte, niet op straat. Wij doen dat onder begeleiding van een aanmoedigende, welwillende , eerlijke en kritisch opbouwende leerkracht, die het ons voordoet en nog eens voordoet, en die ons niet afrekent, maar aanleert. Dat is de mooie, verrijkende, vormende kracht van instituties; ze helpen ons bestaan zo te ontwikkelen dat het een florerend, gezond, gelukkig menselijk bestaan zal kunnen zijn.
Maar er is ook die keerzijde. Instituties kunnen knellen. Het schoolgebouw kan ook een verstikkend repetitiehol worden, een bedompte plek waar onze spontaniteit gedisciplineerd wordt, waar we te weinig zuurstof krijgen en alleen nog maar snakken naar ruimte, naar ontsnapping, naar wegwezen, in een repetitiehok vindt immers geen vernieuwing plaats, maar wordt herhaald en nog eens herhaald. Daar wordt geleerd voor de toets. Daar heerst een geestdodend klimaat.
Dat hoeft niet, natuurlijk. Musici hebben hun repetitiehok nodig. Want als je eenmaal op het podium staat en je publiek hebt, dan heb je ook nummers nodig die je kunt spelen, die je ingestudeerd hebt, die je als het ware kunt dromen, die je goed op elkaar afgestemd ten gehore kunt brengen. Daar komt heel wat repeteren bij kijken, zwetend in een hok, herhaling na herhaling. Als het mooie nummers zijn, als het muziek naar je hart is, dan zul je ook in het repetitiehok de geest moeten kunnen krijgen, in een flow raken, opgaan in het spel. Ik herinner mij dat van het voetbal dat ik ooit speelde, waar de oefenpartijen tijdens de training soms mooier, en beter liepen dan de wedstrijden. Maar ik herken ook de verstikkende, geestdodende kant van het repetitiehok, waar je precies en alleen mag mag doen wat je hoort te doen en een kritische, onderzoekende houding veroordeeld wordt. Ik herken de disciplinerende dwang die van instituties uitgaat, de stupide mantra's die herhaald moeten worden.
Over deze verstikkende kant van ons onderwijsbestel gaat deel I. Wat dat betreft vertelt dit boek een klassiek emancipatoir verhaal: de institutie die wij met elkaar gevormd en bekrachtigd hebben zit onszelf in de weg. Die institutie maakt niet waar wat zij belooft. Vorming is veranderd in vervorming. Het schoolgebouw is een repetitiehok geworden, in de slechte betekenis van het woord. Het is de hoogste tijd om onze oefenruimte terug te eisen, te herwinnen, te herscheppen. (pagina 11-13)
ISVW 2019, 211 pagina's - € 24,95
Website Jan Bransen (1958)
Korte beschrijving
Dit boek gaat over ons, mensen', aldus Jan Bransen, hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het gaat om mensen die elkaar elke dag en al jaren lang ontmoeten binnen de muren van de school, waar processen van leren, opvoeden, ontwikkeling en toetsing plaatsvinden. Hij laat ons met een filosofische blik kijken naar die processen waarin kinderen en jongeren door het onderwijs gevormd worden. Eigen aan onderwijs is dat het constant in beweging is wat betreft inhoud, structuur en maatschappelijke positionering. Bransen laat ons zien hoe we het onderwijs een menselijker gezicht kunnen geven. In het eerste deel geeft hij een kritische analyse van het huidige bestel. Dat doet hij op een vrijwel unieke manier, waarbij hij ons een spiegel voorhoudt. In deel twee beschrijft hij welke veranderingen nodig zijn om tot een menselijker maat te komen. Het stelsel zou gebouwd moeten worden rondom waarden als zelfvertrouwen in het primair onderwijs, je doet ertoe waar je ook bent in het voortgezet onderwijs en je leert en werkt duaal in het hoger onderwijs. Helaas gaat hij weinig in op actuele vernieuwingen in primair en secundair onderwijs die aansluiten bij zijn aanbevelingen. Inspiratie en stof tot debat en discussie. Nuttig voor leraren (in opleiding) en directeuren.
Tekst op website uitgever
Het onderwijs vormt niet: het vervormt. Dat komt doordat het uitgaat van verkeerde aannames. Neem de aanname dat je eerst jarenlang moet leren voor je kunt meedoen aan het maatschappelijk leven, of de aanname dat kennisverwerving het best in kleine brokjes gebeurt, waarbij je voortdurend toetst. Dit alles leidt tot een cultuur waarin alles meetbaar moet zijn en waarin diploma’s je gevoel van eigenwaarde kunnen maken of breken. Dit zijn ideeën die meer kwaad doen dan goed.
Het onderwijs kan zoveel beter. Het kan vormen, en om dat te bereiken moet het roer om. Primair onderwijs hoort te draaien om de ontwikkeling van het zelfvertrouwen, zodat kinderen hun stemmen durven te verheffen. Het voortgezet onderwijs hoort ervoor te zorgen dat jongeren een positie verwerven waarin ze ertoe doen, op school en op straat. En al het zogenaamde ‘hogere onderwijs’ – wat een term! – organiseren we voortaan in duale trajecten, waarin leren en werken samengaan.
Jan Bransen is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Met Laat je niets wijsmaken (Klement 2013) won hij de Socrates Wisselbeker, de prijs voor het meest prikkelende filosofieboek. Ook zijn Word zelf filosoof, in 2014 heruitgebracht bij ISVW Uitgevers, was genomineerd voor deze prijs. Recentelijk verscheen bij Routledge het Engelstalige Don’t Be Fooled: A Philosophy of Common Sense. Hij is daarnaast oprichter van het tijdschrift Philosophical Explorations. Jan Bransen blogt over het onderwijs op www.pleidooivooranderonderwijs.nl
Fragment uit Inleiding - Het schoolgebouw: hok of ruimte?
Er staan duizenden schoolgebouwen in Nederland. Groot, klein, toegankelijk, gesloten, saai, verrassend, geïntegreerd, geïsoleerd. Heel veel scholen, in alle soorten en maten. Maar ondanks al die verschillen is er ook iets wat al die gebouwen met elkaar gemeen hebben: ze vertegenwoordigen de institutionalisering van Homo educandus. Ze laten ons de muren zien waarbinnen ons bestaan gestalte krijgt die het vandaag de dag toebedeeld wordt.
Institutionalisering is een groot goed. Het versimpelt en stroomlijnt ons leven enorm. Het zorgt voor een in de natuur gebouwd nest, zoals Arnold Gehlen zo mooi heeft geformuleerd. Dankzij die institutionalisering hoeft niemand van ons helemaal van voren aan te beginnen. Wij hoeven het menselijk bestaan niet meer zelf uit te vinden, maar treffen het in allerlei handzame en vooral leefbare vormen aan. Maar die vormen hebben ook iets dwingends. Dat is de keerzijde.
Deze twee kanten van institutionalisering zien we in het schoolgebouw terug, in de oefenruimte die het kan zijn en in het repetitiehok dat het kan worden. Het schoolgebouw kan een fantastische oefenruimte zijn, een beschermde plaats waar wij naar hartenlust kunnen experimenteren en ons leven kunnen uitproberen. Het schoolgebouw kan ons die pedagogische ruimte bieden, waarin wij aangemoedigd, uitgenodigd en verwelkomd worden. In die ruimte worden wij behoed voor gevolgen die ons impulsieve, kinderachtige, primitieve, ondoordachte en verkennende gedrag zou kunnen hebben als wij onmiddellijk de straat op geschopt zouden worden. Voor musici is een oefenruimte een onbegrensde sfeer waarin ze met elkaar iets kunnen uitproberen, zonder publiek, een ruimte waarin ze melodieën, ritmes en arrangementen kunnen verkennen en waarin het er allemaal nog niet echt toe doet.
Als schrijver herken ik die ruimte. De tekst die jij nu leest, heb ik keer op keer geformuleerd, herschreven, geknipt en geplakt, verwijderd en verplaatst. Al die tijd was ik alleen, was ik mijn eigen lezer, de enige lezer. Want schrijven is vooral lezen, woorden proeven, zinswendingen volgen, dan weer schrappen en opnieuw beginnen. Jij leest dit nu - de definitieve tekst - maar je hebt geen idee hoeveel woorden en zinnen hier eerder gestaan hebben, hoe ik in mijn eigen werkkamer naar het scherm heb gestaard, heb getwijfeld, in een flow ben geraakt om pas vele zinnen later weer terug te kijken en om dan die hele alinea toch met één klik weer in het niets te laten verdwijnen. Als schrijven heb ik die oefenruimte nodig, zodat ik zonder publiek, met alleen mijn eigen, welwillende maar ook kritisch oordeelsvermogen, de tekst heb kunnen vormen die dit boek tot dit boek heeft gemaakt. Musici doen tussendoor try-outs. Ik heb iets vergelijkbaars gedaan en mijn manuscript aan meelezers voorgelegd.
Een schoolgebouw is zo'n oefenruimte, een beschermde, pedagogische plek waar wij kunnen uitproberen hoe het is om mens te zijn, waar wij kunnen oefenen met schrijven en rekenen, met lezen, zingen en tekenen, met al die vaardigheden die we nodig hebben om als mensen ons leven te kunnen leven. Wij doen dat als het ware zonder publiek, niet in de openbare ruimte, niet op straat. Wij doen dat onder begeleiding van een aanmoedigende, welwillende , eerlijke en kritisch opbouwende leerkracht, die het ons voordoet en nog eens voordoet, en die ons niet afrekent, maar aanleert. Dat is de mooie, verrijkende, vormende kracht van instituties; ze helpen ons bestaan zo te ontwikkelen dat het een florerend, gezond, gelukkig menselijk bestaan zal kunnen zijn.
Maar er is ook die keerzijde. Instituties kunnen knellen. Het schoolgebouw kan ook een verstikkend repetitiehol worden, een bedompte plek waar onze spontaniteit gedisciplineerd wordt, waar we te weinig zuurstof krijgen en alleen nog maar snakken naar ruimte, naar ontsnapping, naar wegwezen, in een repetitiehok vindt immers geen vernieuwing plaats, maar wordt herhaald en nog eens herhaald. Daar wordt geleerd voor de toets. Daar heerst een geestdodend klimaat.
Dat hoeft niet, natuurlijk. Musici hebben hun repetitiehok nodig. Want als je eenmaal op het podium staat en je publiek hebt, dan heb je ook nummers nodig die je kunt spelen, die je ingestudeerd hebt, die je als het ware kunt dromen, die je goed op elkaar afgestemd ten gehore kunt brengen. Daar komt heel wat repeteren bij kijken, zwetend in een hok, herhaling na herhaling. Als het mooie nummers zijn, als het muziek naar je hart is, dan zul je ook in het repetitiehok de geest moeten kunnen krijgen, in een flow raken, opgaan in het spel. Ik herinner mij dat van het voetbal dat ik ooit speelde, waar de oefenpartijen tijdens de training soms mooier, en beter liepen dan de wedstrijden. Maar ik herken ook de verstikkende, geestdodende kant van het repetitiehok, waar je precies en alleen mag mag doen wat je hoort te doen en een kritische, onderzoekende houding veroordeeld wordt. Ik herken de disciplinerende dwang die van instituties uitgaat, de stupide mantra's die herhaald moeten worden.
Over deze verstikkende kant van ons onderwijsbestel gaat deel I. Wat dat betreft vertelt dit boek een klassiek emancipatoir verhaal: de institutie die wij met elkaar gevormd en bekrachtigd hebben zit onszelf in de weg. Die institutie maakt niet waar wat zij belooft. Vorming is veranderd in vervorming. Het schoolgebouw is een repetitiehok geworden, in de slechte betekenis van het woord. Het is de hoogste tijd om onze oefenruimte terug te eisen, te herwinnen, te herscheppen. (pagina 11-13)
zaterdag 2 februari 2019
Carl Cederström
Ons geluksideaal : een nieuwe blik op een versleten idee
Ten Have 2019, 175 pagina's - € 18,50
Oorspronkelijke titel: The happiness fantasy (2018)
Stockholm University: Carl Cederström (1980)
Korte beschrijving
Het geluksideaal van Donald Trump wordt gebruikt om uitbuiting en aperte ongelijkheid te normaliseren, aldus Carl Cederström. Het Westerse idee van zelfontplooiing en 'alles uit jezelf halen' startte in de jaren twintig van de vorige eeuw en had zijn hoogtepunt in de tegencultuur van de jaren zestig. Dit levensideaal stierf een abrupte dood tijdens de verkiezingsrede van Trump op 9 november 2016. Via historisch besef van Geluk maakt de auteur een reis langs psychoanalyticus Reich en het hedonisme. Hij onderzoekt hoe dit geluksideaal vanaf de jaren zeventig werd opgenomen in de economie, de psychotherapie en de farmaceutische wereld. Optimistisch eindigt Cederström met de gedachte dat dit ideaal opnieuw uitgevonden kan worden. In zijn conclusie, 'Geluk na Trump', geeft Cederström niet alleen drie trefwoorden (liefde, vriendelijkheid en solidariteit) maar ook verrassende andere mogelijkheden voor een ommezwaai. De auteur is verbonden aan de Stockholm Business School. Met inleiding, eindnoten, verantwoording en register op persoonsnamen. Een objectieve onderbouwing en benadering van geluk.
Tekst op website uitgever
In ‘Ons geluksideaal’ pleit Carl Cederström voor een nieuw geluksideaal. Hij toont aan dat ons huidige ideaal, dat gebaseerd is op een idee van vrijheid en zelfontplooiing, ons gijzelt en beperkt. Bepaalde factoren hebben bijgedragen aan ons huidige idee van geluk, zoals de flowerpower-beweging, de psychoanalyse, de consumptiemaatschappij en de Amerikaanse president Donald Trump. Volgens Carl Cederström is het hoog tijd dat we met onze verbeelding een nieuw ideaal ontwerpen en realiseren.
'Als analyse van onze moderne optimaliseringscultuur is dit boek scherp en bondig; en dat is geen verrassing voor lezers van Cederströms excellente vorige boek, The Welness Syndrome.’ – The Guardian
Carl Cederström is als onderzoeker verbonden aan de Stockholm Business School, en schrijft voor The Guardian. Hij schreef eerder The Wellness Syndrome, Dead Man Working en Desperately Seeking Self-Improvement.
Fragment uit 2. Gedwongen narcisme
Ik deelde fotokopieën uit en vroeg of zij vonden of de omslag een goed beeld gaf van hun situatie. Ik had verwacht dat de cover weerstand zou oproepen, maar in plaats daarvan reageerden de studenten opmerkelijk laconiek.
'Het klopt wel zo'n beetje, denk ik", zei een student.
'Tja, we zijn narcisten', voegde een ander toe.
'Weet je', begon een derde, 'toen we opgroeiden, kregen we allemaal te horen hoe geweldig en speciaal we waren.'
Veel studenten in de zaal knikten. Ze hadden dezelfde ervaring. En ze wisten ook allemaal dat het een leugen was. Een van de studenten legde uit dat het tegenwoordig bijna geboden leek om beroemd te worden, zoals Sheila Heti ook zegt in het opschrift van dit hoofdstuk (Wat moet je zijn als mens. Ik vraag het me weleens af en denk dan steeds: een beroemdheid). Maar ze waren niet zo dom om echt te geloven dat ze beroemdheden zouden worden zoals de Kardashians, Justin Bieber of Paris Hilton.
Een van de studenten protesteerde. Ze legde uit dat ook haar was verteld dat ze speciala was. Maar ze had ook te horen gekregen dat ze geen kans zou maken om te concurreren met de Chinezen als ze niet keihard zou werken en geweldige cijfers zou halen. Die opmerking had een onaangenaam effect, want er zaten ook Chinese studenten in de zaal. Ik keek hun kant op. Ze lachten stoïcijns.
In The Culture of Narcissism uit 1979 schrijft Christopher Lasch dat 'de narcist zichzelf bewondert en zichzelf identificeert met 'winnaars'"
Maar mijn studenten waren helemaal niet bezig met eigenliefde of auto-erotiek. Ze zagen zichzelf niet als winnaars. Zelfs toen ze zichzelf narcisten noemden, zeiden ze dat op een fatalistische toon. Ze zagen narcisme niet als een persoonlijkheidskenmerk, maar als een verzameling culturele kenmerken waaraan ze moesten voldoen. Hun narcisme was geen vrije keuze, maar noodzaak. Sinds dat gesprek zie ik deze jongeren als een generatie waaraan het narcisme is opgedrongen. Aan de ene kant wordt er van hen verwacht dat ze zichzelf zo goed mogelijk presenteren. Ze moeten aan de buitenwereld laten zien dat ze ambitieus en bijzonder zijn, dat ze naar de sterren willen reiken, alsof ze een soort beroemdheid zijn. Aan de andere kant worden ze er voortdurend aan herinnerd dat de wereld waarin ze leven hard is en dat ze een sterk concurrerende mentaliteit moeten ontwikkelen. (pagina 74-75)
Fragment uit interview/artikel
Vanaf de jaren zeventig verdween dat politieke doel langzaam. Zelfverwerkelijking draaide steeds meer om individueel welzijn. het was de start van 'The Me Decade', zoals gemunt door de journalist Tom Wolfe. Midden jaren zeventig sloegen zelfontwikkelingscursussen aan bij het grote publiek omdat de cursussen steeds praktischer werden: je kwam er niet alleen maar om je als individu te ontwikkelen, maar ook om efficiënter en succesvoller te worden, en daarmee beter afgestemd te zijn op de markt. De volgende stap is uitbuiting door de markt.
Artikel: 'Zelfhulp maakt ongelukkig' (Filosofie Magazine, februari 2019)
Terug naar Overzicht alle titels
Ten Have 2019, 175 pagina's - € 18,50
Oorspronkelijke titel: The happiness fantasy (2018)
Stockholm University: Carl Cederström (1980)
Korte beschrijving
Het geluksideaal van Donald Trump wordt gebruikt om uitbuiting en aperte ongelijkheid te normaliseren, aldus Carl Cederström. Het Westerse idee van zelfontplooiing en 'alles uit jezelf halen' startte in de jaren twintig van de vorige eeuw en had zijn hoogtepunt in de tegencultuur van de jaren zestig. Dit levensideaal stierf een abrupte dood tijdens de verkiezingsrede van Trump op 9 november 2016. Via historisch besef van Geluk maakt de auteur een reis langs psychoanalyticus Reich en het hedonisme. Hij onderzoekt hoe dit geluksideaal vanaf de jaren zeventig werd opgenomen in de economie, de psychotherapie en de farmaceutische wereld. Optimistisch eindigt Cederström met de gedachte dat dit ideaal opnieuw uitgevonden kan worden. In zijn conclusie, 'Geluk na Trump', geeft Cederström niet alleen drie trefwoorden (liefde, vriendelijkheid en solidariteit) maar ook verrassende andere mogelijkheden voor een ommezwaai. De auteur is verbonden aan de Stockholm Business School. Met inleiding, eindnoten, verantwoording en register op persoonsnamen. Een objectieve onderbouwing en benadering van geluk.
Tekst op website uitgever
In ‘Ons geluksideaal’ pleit Carl Cederström voor een nieuw geluksideaal. Hij toont aan dat ons huidige ideaal, dat gebaseerd is op een idee van vrijheid en zelfontplooiing, ons gijzelt en beperkt. Bepaalde factoren hebben bijgedragen aan ons huidige idee van geluk, zoals de flowerpower-beweging, de psychoanalyse, de consumptiemaatschappij en de Amerikaanse president Donald Trump. Volgens Carl Cederström is het hoog tijd dat we met onze verbeelding een nieuw ideaal ontwerpen en realiseren.
'Als analyse van onze moderne optimaliseringscultuur is dit boek scherp en bondig; en dat is geen verrassing voor lezers van Cederströms excellente vorige boek, The Welness Syndrome.’ – The Guardian
Carl Cederström is als onderzoeker verbonden aan de Stockholm Business School, en schrijft voor The Guardian. Hij schreef eerder The Wellness Syndrome, Dead Man Working en Desperately Seeking Self-Improvement.
Fragment uit 2. Gedwongen narcisme
Ik deelde fotokopieën uit en vroeg of zij vonden of de omslag een goed beeld gaf van hun situatie. Ik had verwacht dat de cover weerstand zou oproepen, maar in plaats daarvan reageerden de studenten opmerkelijk laconiek.
'Het klopt wel zo'n beetje, denk ik", zei een student.
'Tja, we zijn narcisten', voegde een ander toe.
'Weet je', begon een derde, 'toen we opgroeiden, kregen we allemaal te horen hoe geweldig en speciaal we waren.'
Veel studenten in de zaal knikten. Ze hadden dezelfde ervaring. En ze wisten ook allemaal dat het een leugen was. Een van de studenten legde uit dat het tegenwoordig bijna geboden leek om beroemd te worden, zoals Sheila Heti ook zegt in het opschrift van dit hoofdstuk (Wat moet je zijn als mens. Ik vraag het me weleens af en denk dan steeds: een beroemdheid). Maar ze waren niet zo dom om echt te geloven dat ze beroemdheden zouden worden zoals de Kardashians, Justin Bieber of Paris Hilton.
Een van de studenten protesteerde. Ze legde uit dat ook haar was verteld dat ze speciala was. Maar ze had ook te horen gekregen dat ze geen kans zou maken om te concurreren met de Chinezen als ze niet keihard zou werken en geweldige cijfers zou halen. Die opmerking had een onaangenaam effect, want er zaten ook Chinese studenten in de zaal. Ik keek hun kant op. Ze lachten stoïcijns.
In The Culture of Narcissism uit 1979 schrijft Christopher Lasch dat 'de narcist zichzelf bewondert en zichzelf identificeert met 'winnaars'"
Maar mijn studenten waren helemaal niet bezig met eigenliefde of auto-erotiek. Ze zagen zichzelf niet als winnaars. Zelfs toen ze zichzelf narcisten noemden, zeiden ze dat op een fatalistische toon. Ze zagen narcisme niet als een persoonlijkheidskenmerk, maar als een verzameling culturele kenmerken waaraan ze moesten voldoen. Hun narcisme was geen vrije keuze, maar noodzaak. Sinds dat gesprek zie ik deze jongeren als een generatie waaraan het narcisme is opgedrongen. Aan de ene kant wordt er van hen verwacht dat ze zichzelf zo goed mogelijk presenteren. Ze moeten aan de buitenwereld laten zien dat ze ambitieus en bijzonder zijn, dat ze naar de sterren willen reiken, alsof ze een soort beroemdheid zijn. Aan de andere kant worden ze er voortdurend aan herinnerd dat de wereld waarin ze leven hard is en dat ze een sterk concurrerende mentaliteit moeten ontwikkelen. (pagina 74-75)
Fragment uit interview/artikel
Vanaf de jaren zeventig verdween dat politieke doel langzaam. Zelfverwerkelijking draaide steeds meer om individueel welzijn. het was de start van 'The Me Decade', zoals gemunt door de journalist Tom Wolfe. Midden jaren zeventig sloegen zelfontwikkelingscursussen aan bij het grote publiek omdat de cursussen steeds praktischer werden: je kwam er niet alleen maar om je als individu te ontwikkelen, maar ook om efficiënter en succesvoller te worden, en daarmee beter afgestemd te zijn op de markt. De volgende stap is uitbuiting door de markt.
Artikel: 'Zelfhulp maakt ongelukkig' (Filosofie Magazine, februari 2019)
Terug naar Overzicht alle titels
Abonneren op:
Posts (Atom)









