zaterdag 19 september 2020

Jan Blommaert

Wat was er echt belangrijk in mijn academisch leven?
EPO 2020, 60 pagina's € 12,50

Wikipedia: Jan Blommaert (1961)

Tekst op website uitgever
“Twee van mijn maîtres à penser stierven relatief jong. Michel Foucault was 57, Erving Goffman 60. Het is zeer waarschijnlijk dat ook ik relatief jong zal sterven. Ik ben nu 58 en bij mij is medio maart 2020 kankerstadium 4 gediagnosticeerd. Als er plotseling heel weinig toekomst over is om te plannen, over te speculeren of van te dromen, gebruikt men zulke historische momenten vaak als een aansporing om na te denken over het verleden. De leidende vraag hierbij – een nogal voor de hand liggende – is: wat was er belangrijk?”

Zo begint dit essay van Jan Blommaert. Wat was er echt belangrijk in mijn academisch leven?  is de terugblik van een geëngageerde publiek intellectueel die een academische loopbaan op internationaal topniveau uitbouwde. Over de ontwikkeling van de academische industriële cultuur, de groei van een beroemdheidscultuur en de terreur van het publiceren. Maar ook – en vooral – over geven, vormen, inspireren en democratisch zijn.

Zoals Ico Maly in zijn voorwoord schrijft: “Een uitnodiging aan docenten om de rol op te nemen van publiek intellectueel en democratisch

Fragment uit Vooraf
Laat ik voor ik begin eerst op een rijtje zetten wat niet belangrijk was.

Niet belangrijk was: de concurrentie en de daarbij horende competitiviteit in gedrag en in relaties, de wens of de drang om de beste te zijn, wedstrijden te winnen, als kampioen te worden gezien, tactisch te handelen, strategische allianties te smeden en wat al niet. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik deel moest uitmaken van een specifieke kliek of netwerk, en ik denk niet dat ik ooit grote inspanningen heb geleverd om dicht bij mensen te komen die men belangrijk vond. Als ik al lid was van dergelijke netwerken, was het eerder per ongeluk dan met voorbedachten rade – het is me overkomen.

Ik heb mezelf nooit als een genie beschouwd, als individu afgemeten aan anderen, en in mijn eentje verantwoordelijk gevoeld voor de productie van fantastische dingen die iedereen zou moeten lezen, kennen, citeren en aan studenten toewijzen. Integendeel, ik zag mezelf altijd als niet-uitzonderlijk en als iemand die immer een goed team om zich heen nodig had om iets te bereiken. Aangezien het academische leven in mijn geval niet iets was waar ik actief naar verlangde of naar zocht, maar een geschenk dat ik van anderen ontving, voelde ik de plicht om goed te zijn, zo goed als ik kon, en morgen weer beter dan vandaag. Dus werkte ik hard en liet in wezen mijn richting bepalen door anderen – de literatuur natuurlijk (een gemeenschap van anderen die vaak over het hoofd wordt gezien als we het hebben over academische prestaties), maar ook contacten en vrienden waaruit teams konden worden gevormd. 

Discussie en brainstorm waren mijn favoriete bezigheden; ze vormden in de letterlijkste zin de ludieke, leuke en plezierige dimensies van het academische leven. Wat ik meestal alleen deed, was de langzame en zorgvuldige analyse van gegevens. Maar dat was het enige dat echt individueel was in een reeks activiteiten die collectief waren en waarbij intensief delen, uitwisselen en vrijgevigheid een rol speelden. En zelfs dat ene – de data-analyse – werd meestal aan het oordeel van anderen onderworpen voordat het openbaar kon worden gemaakt. Tot zover de enige, unieke en autonome, geniale onderzoeker. (pagina 25-28)

Fragment uit Eeuwige leerling
In zulke contexten van collectief delen, geconditioneerd door maximale vrijgevigheid, is het logisch om van gedachten te veranderen. Het punt van een discussie of brainstorm – een “gedachtewisseling” – is dat ideeën kunnen worden uitgewisseld en veranderen, en dat men de sessie uitkomt met betere dingen in zijn hoofd dan tevoren. Leren is daar de sleutel, en als ik mezelf één label op zou spelden, is dat het label van een eeuwige, onverzadigbare leerling.

Daarom heb ik mijn hele leven onverzadigbaar gelezen. En terwijl een deel van dat lezen ‘gewoon’ lezen was, was een ander deel studeren. Het grootste deel van mijn carrière was ik wel bezig met enigerlei studie, waarbij ik geschriften verzamelde en selecteerde waaruit ik geavanceerde inzichten wilde halen, nuttig voor de onderzoeksprojecten waaraan ik meewerkte. Ik bestudeerde bijvoorbeeld (en de lijst is niet compleet) het structuralisme, het existentialisme, de fenomenologie, esoterische zaken zoals de werken van Rudy Botha over Chomsky en de functionele grammaticapogingen van Simon Dik, Talmy Givon en MAK Halliday; maar ook het hele oeuvre (of in ieder geval het meeste van wat ik te pakken kon krijgen) van Michel Foucault, Carlo Ginzburg, Bakhtin, Freud, Durkheim, Simmel, Parsons, Eric Hobsbawm, E.P. Thompson, Pierre Bourdieu, Charles Goodwin, Dell Hymes, Michael Silverstein, Erving Goffman, Aaron Cicourel, Harold Garfinkel, Anne Rawls, Fernand Braudel, J.K. Galbraith, Immanuel Wallerstein, Arjun Appadurai en verschillende anderen. Ik heb Marx en het marxisme bestudeerd in zijn zeer diverse verschijningen, Rational Choice, Macchiavelli, Darwin, G.H. Mead’s werk en invloed, Dewey, Paolo Freire, Ngugi wa Thiong’o, Okot p’Bitek, Walter Rodney, Issa Shivji en nogal wat Afrikaanse politieke theorie uit de jaren 1950, 1960 en 1970. Om daar iets van te begrijpen, moest ik de werken van Mao Zedong en de geschiedenis van de culturele revolutie in China bestuderen. Enzovoort.

Als ik nu ergens spijt van heb, dan dat sommige van die studies nog niet af zijn. Ik heb er veel plezier aan beleefd. (pagina 29-30)

Fragment uit Anti-academisch en anti-intellectueel
Ik haatte en haat – innig – de ontwikkeling van de academische industriële cultuur waar ik gedurende mijn hele carrière getuige van ben geweest, met een bijna totale individualisering van academisch werk en prestatiemeting, met constante interindividuele concurrentie die jonge en kwetsbare collega’s naar extreme en gevaarlijke niveaus drijft van stress en investeren in werk in plaats van in het leven, en waarbij managers benadrukken –zonder een spoor van bewijs – dat de ‘single-authored journal paper’ (natuurlijk gepubliceerd achter een enorme betaalmuur) het toppunt is van academische prestatie en de gouden standaard voor het meten van de “kwaliteit” van een individuele onderzoeker. 

aar komt nog de groei bij – en ook daar ben ik getuige van geweest – van een ware beroemdheidscultuur in de academische wereld, waarin megaconferenties de vorm aannemen van popfestivals met kopstukken van rocksterren die hun grootste hits brengen voor een publiek van slecht betaalde, worstelende academici die hun persoonlijke vakantiebudgetten hebben uitgegeven om een ​​kaartje te kopen voor dergelijke evenementen. Daar gebeurt weinig echt waardevol intellectueel werk. En net als bij popfestivals, is de ecologische voetafdruk van dergelijke academische rockconcerten schandalig. (pagina 31-32)

Artikel: Wat was er echt belangrijk in mijn academisch leven? (Science guide, augustus 2020)

Fragment uit

Terug naar Overzicht alle titels 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

De redactie behoudt zich het recht voor reacties te verwijderen