woensdag 19 januari 2022

Jaap Tielbeke 2

We waren gewaarschuwd : over een profetisch milieurapport en wat we er (niet) mee deden
Das Mag 2020, 155 pagina's  - € 17,50

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

De Groene Amsterdammer: Jaap Tielbeke (19)

Korte beschrijving
In deze kritische journalistieke verhandeling onderzoekt auteur Jaap Tielbeke wat de mens (niet) heeft gedaan om klimaatverandering tegen te gaan. De mensheid put de planeet uit en roept zo onvoorstelbaar onheil over zich af. Tot deze conclusie kwam een team wetenschappers vijftig jaar geleden al in het rapport ‘De grenzen aan groei'. Hoe kan dit, en wat kunnen we nu nog doen om het onheil af te wenden?‘ We waren gewaarschuwd’ is in een heldere en overtuigende stijl en met journalistieke diepgang geschreven. Voor iedereen met interesse in de oorzaken en achtergronden van de huidige klimaatproblematiek. Jaap Tielbeke (1989) is journalist bij de Groene Amsterdammer en schrijft sinds 2015 over klimaatverandering. In 2020 publiceerde hij bij Das Mag het boek ‘Een beter milieu begint niet bij jezelf’.

Tekst op website uitgave
De mensheid put de planeet uit en roept zo onvoorstelbare onheil over zich af. Het klinkt als de samenvatting van het laatste klimaatrapport, maar tot deze conclusie kwam een team wetenschappers al in 1972. De uitkomsten van hun computermodellen waren onverbiddelijk: een ongebreidelde groei van de wereldbevolking en -economie leidt tot de ineenstorting van de menselijke beschaving. De enige manier om een catastrofe te voorkomen is het stellen van grenzen aan de groei.

Het eerste rapport van de Club van Rome sloeg begin jaren zeventig in als een bom. Alleen al in Nederland werden meer dan tweehonderdvijftigduizend exemplaren van de pocketeditie verkocht. Voor PvdA-leider Joop den Uyl was het aanleiding om na te denken over een ‘fundamentele verandering van het kapitalistische stelsel’. Samen met D’66 pleitte zijn partij zelfs voor een ‘beheersing van ekonomische groei’. En op de internationale conferentie in Stockholm probeerden wereldleiders afspraken te maken om de natuur te beschermen en vervuiling te stoppen. Voor het eerst stond ‘het milieu’ boven aan de agenda.

Toch zijn de ecologische problemen de afgelopen vijftig jaar later alleen maar groter geworden. De gevreesde olieschaarste bleef weliswaar uit, maar ondertussen raakte het klimaat ontwricht en holde de biodiversiteit achteruit. Hoe kan het dat de adviezen van de Club van Rome in de wind werden geslagen? Waarom zijn er vandaag amper politici die vraagtekens plaatsen bij onze groeizucht? En hoe kunnen we nog binnen de grenzen van de planeet blijven? Vijftig jaar na verschijnen van de oerwaarschuwing blikt Jaap Tielbeke terug op waarom we de grenzen overschreden en kijkt hij wat er nu moet gebeuren.

Jaap Tielbeke (1989) is journalist bij De Groene Amsterdammer en schrijver van Een beter milieu begint niet bij jezelf, dat in 2020 verscheen. De afgelopen zeven jaar heeft hij zich verdiept in de ecologische crisis. Keer op keer stuitte hij daarbij op het Grenzen aan de groei-rapport uit 1972, dat nog steeds geldt als een ankerpunt in het milieudebat. Met het gouden jubileum van deze oerwaarschuwing in aantocht, besloot hij zich vast te bijten in het vraagstuk dat door de Club van Rome op de agenda is gezet en sindsdien alleen maar aan urgentie heeft gewonnen.




Fragment uit 2022 - Voorbij de groei
Het grote publiek mag dan smullen van haar donut, veel academische collega's weten niet goed wat ze aan moeten met Raworths sweeping statements. Ze zou een karikatuur maken van het vakgebied, veel van de ideeën die ze als baanbrekend presenteert worden allang besproken op economiefaculteiten. Vrijwel iedere econoom zal erkennen dat het bbp een onvolmaakte maatstaf is waar we ons niet op moeten blindstaren. Dat het milieu een 'externaliteit' heet en olie een 'hulpbron' betekent niet dat economen geen oog hebben voor de uitputting van de aarde. Toen hoogleraar Bas Jacobs door De Telegraaf naar zijn favoriete boek van 2017 werd gevraagd, gaf hij Donuteconomie als 'anti-tip'. Dat vond hij namelijk 'het intellectueel armoedigste en meest ergerniswekkende economieboek' van het jaar. Sandra Phlippen, hoofdeconoom bij ABN AMRO, werd 'misselijk en verdrietig' van Raworths populistische retoriek, schreef ze in haar column voor het AD.
'Misschien heeft het te maken met de Nederlandse directheid, maar de weerstand was hier nog feller dan elders,' vertelt Raworth. 'Op de universiteit in Tilburg was ik uitgenodigd voor een paneldiscussie. Na mijn presentatie vroeg mijn opponent zich hardop af of ik wel een echte econoom was. Dat vond ik zo'n veelzeggende reactie. Waarom begin je meteen over mijn geloofwaardigheid? Laten we het over de ideeën hebben. En waarom zo defensief? Mijn aanval is niet persoonlijk, ik bevraag enkel een aantal fundamentele aannames.'
  Een van de hoekstenen van de neoklassieke economie is het concept van de homo economicus. De mens zou een calculerend wezen zijn dat constant bezig is zijn eigenbelang te optimaliseren. Hele mathematische modellen zijn rond deze aanname gebouwd, die de economie ene schijn van objectiviteit en zekerheid moeten geven, terwijl psychologen en sociologen er allang op hebben gewezen dat wij in werkelijk(heid) helemaal niet zo in elkaar steken. De homo economicus mag dan een verzinsel zijn, zolang we ingeprent krijgen dat dit onze ware aard is, gaan we ons er op den duur vanzelf naar gedragen. Voor Raworth toont dit de kracht van ideeën. Instemmend citeert ze de econoom Paul Samuelson: 'Het maakt mij niet uit wie de weten van een land schrijft - of wie de verhandelingen voor specialisten vervaardigt - zolang ik maar de economische handboeken kan schrijven.'
  Als Raworth het economiecurriculum een make-over mocht geven, zou het Grenzen aan de groei-rapport een prominente plek krijgen. 'Wat zo krachtig is aan het werk van het MIT-team, is dat het een compleet andere vertrekpunt heeft,' zegt ze. 'Het begint niet met de gangbare rekeneenheden van de economie, maar met de materiële wereld - grondstoffen en afvalstromen. Toen ik het las besefte ik pas hoe vreemd het eigenlijk is dat dit geen centrale variabelen zijn in de economische wetenschap. Terwijl de boodschap zo alarmerend is.'
  De reflex van veel mainstream economen was om die waarschuwing weg te wuiven, zeker nadat het mee bleek te vallen met de gevreesde grondstoffen schaarste. De markt had het probleem opgelost, precies zoals zij hadden voorspeld. Waar deze critici gemakshalve aan voorbijgingen was dat de systeemwetenschappers nog een andere factor aanwezen die kan leiden tot de ondergang: vervuiling. 'Wat het World3-model over vervuiling te melden had bleek zijn tijd ver vooruit te zijn,' schrijft Raworth in Donuteconomie. 'Vandaag de dag kunnen we het probleem echter veel specifieker aanduiden, en onderscheiden we verschillende vormen van ecologische degradatie, van klimaatverandering en chemische vervuiling tot verzuring van de oceanen en afnemende biodiversiteit.' (pagina 117-119)

Artikel.
Het toeval wil dat ik aanwezig was toen Kate Raworth in Tilburg aantrad voor een gesprek met enkele Tilburgse collega's. Plaatsvervangende schaamte overviel me; hoe die heren met haar omgingen. Ik schreef er een lang stukje over: “dat afbraak van werknemersrechten en het uitkeren van zo veel mogelijk middelen aan de kapitaalbezitters economisch gezien het beste beleid zou zijn” (januari 2018)

Artikel over andere boeken waarin 'het Nieuwe Klimaatregime' als het ware werd aangekondigd: Het is erger dan je denkt, veel erger (mei 2019)

Lees ook: Een beter milieu begint niet bij jezelf (2020)

Een vergelijkbaar boek: Wat we toen al wisten : de vergeten groene geschiedenis van 1972 van Geert Buelens (ook uit 2022). En Jaap Tielbeke verwijst in zijn boek naar: Minder is meer : hoe degrowth de wereld zal redden van Jason Hickel (uit 2021).

Terug naar Overzicht alle titels


zaterdag 8 januari 2022

Alain De Botton 4

Hoe overleef ik de moderne wereld
Atlas Contact 2022, 340 pagina's - € 22,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: (2022)

Wikipedia: Alain De Botton (1969)

Korte beschrijving
‘Hoe overleef ik de moderne wereld’ is een groots opgezette cultuursociologische verhandeling waarin de bekende filosoof Alain de Botton de lezer meeneemt in zijn diagnose van de staat van onze moderne tijd. De Botton schrijft over een scala aan onderwerpen, variërend van de media tot werk, liefde, wetenschap, natuur en democratie. Een boek als gids om op een kalmere, luchtigere manier te leren navigeren door de dwaasheden en obsessies van onze tijd. ‘Hoe overleef ik de moderne wereld’ is geschreven in De Bottons kenmerkende aanstekelijke en doorwrochte stijl, en is verlevendigd met prachtige, sfeervolle foto’s en afbeeldingen van kunstwerken. Geschikt voor een publiek van geoefende lezers met interesse in (cultuur)geschiedenis en filosofie. Alain de Botton (Zürich, 1969) is een wereldberoemde Brits-Zwitserse schrijver, journalist en filosoof. Hij is oprichter van The School of Life. Zijn werk is in meer dan twintig talen vertaald.

Tekst op website uitgever
De moderne wereld heeft ons een reeks buitengewone voordelen en geneugten gebracht, waaronder technologie, medicijnen en entertainment. Maar het kan ook voelen alsof de moderne tijd ons steeds dieper in hebzucht, wanhoop en opwinding dompelt. Zelden heeft de wereld zich meer bevoorrecht gevoeld. Maar tegelijk voelt de mens zich ook bezorgd, woedend en angstig. Hoe overleef ik de moderne wereld is de ultieme gids voor het navigeren door onze ongewone tijden. Het boek behandelt onze relatie met de nieuwsmedia, onze ideeën over liefde en seks, onze veronderstellingen over geld en onze carrières, onze houding ten opzichte van dieren en de natuur, onze bewondering voor wetenschap en technologie, ons geloof in individualisme en secularisme – en onze verhouding tot rust en eenzaamheid. Als de moderne tijd (gedeeltelijk) als een ziekte gezien kan worden, is een juiste diagnose misschien wel de remedie. Het boek helptons om een kalmere, authentiekere, soms luchtigere relatie aan te gaan met de dwaasheden en obsessies van onze tijd.

Fragment uit 11. Individualisme
In de moderne wereld is de levensstandaard in alle lagen van de bevolking gestegen, maar tegelijkertijd zijn de psychologische gevolgen van een gebrek aan succes moeilijker te verdragen. We zijn het gevoel kwijt dat onze identiteit op meer berust dan hoe we presteren op de arbeidsmarkt. Daardoor is het voor onze psychische gezondheid ook onontbeerlijk geworden dat we een manier proberen te vinden om aan ons claustrofobische individualisme te ontsnappen; dat we weer beseffen dat het heel betrekkelijk is wat succes of gebrek aan succes over ons zegt en dat daar geen definitieve conclusies aan kunnen worden verbonden; dat in werkelijkheid niemand ooit een verliezer dan wel een winnaar is; dat we allemaal verbluffende mengelingen vormen van mooi en lelijk, indrukwekkend en middelmatig, dwaas en scherpzinnig. Het zou goed zijn als we, in een bewust verzet tegen de tijdgeest, de mensen met wie we kennismaken voortaan niet meer vragen wat ze doen maar waar ze de laatste tijd zoal aan denken of over dromen. (pagina 208-209)  !!!!

Fragment uit 12. Een rustig leven
Aks we goede reizigers waren, zouden we van een wandeling naar de winkelstraat nog een bijzonder avontuur weten te maken. Dan zou het bijna zijn alsof we weer nieuwsgierige kleuters waren die om de zoveel passen stil blijven staan om alweer een nieuw buitengewoon schouwspel op zich in te laten werken: wat onkruid dat tussen de straatstenen groeit, een grillige wolk met een zilveren staart, een vliegtuigstreep tussen twee loodsen, een hond die peinzend naar een plukje narcissen zit te staren, graffiti op een lantaarnpaal, de etalage van een vishandel met zeetong en zonnevis op ijs. Aan dat alles zul je niet zo snel aandacht besteden als je grotere ambities hebt. Maar hoezeer het ook tegen alle verwachtingen  ingaat, rustige mensen weten dat dit weleens de spil kan zijn waar het hele bestaan om draait. Het leven is niet elders: dit is wat je zou missen als opeens voorbij was.

Rustige mensen zijn niet altijd alleen maar rustig omdat ze de dingen waarderen, maar ook omdat ze behoedzaam zijn. Ze beseffen dat een rumoerig leven zijn tol eist. Ze weten - misschien wel beter dan mensen met overvolle agenda's - hoe gemakkelijk we bezwijken aan uitputting en overprikkeling. Misschien is het hun zelfs allemaal weleens te veel geworden, toen ze er door iets te veel verantwoordelijkheden en prikkels, korte nachten en emotionele drama's op brute wijze aan werden herinnerd hoe zwak onze greep op ons verstand kan zijn. Ze leven rustig om zich te hoeden voor krankzinnigheid en paranoia, angst en wanhoop. Ze zijn ervan doordrongen hoezeer hun onspectaculaire gewoonten en de vele avonden die ze in hun eentje of met een of twee goede vrienden doorbrengen hen beschermen tegen de terugkeer van de waanzin.


Hoeveel geld we verdienen, is eenvoudig na te gaan. het is veel moeilijker om erachter te komen hoeveel kalmte te kwijt zijn geraakt. De ware prijs die we voor ons rumoerige leven betalen, houden we niet goed in de gaten: we berekenen niet naar behoren wat dat zakenreisje of congres heeft betekend voor onze gemoedsrust en creativiteit of voor onze relatie met degenen die ons werkelijk dierbaar zijn. We merken niet hoe onrustig we worden van elk krantenartikel dat we lezen en hoe mistroostig elke ontmoeting met een zogenaamde vriend. We gedragen ons als die eerste wetenschappers die experimenteerden met uranium zonder de gevaren ervan te kennen. We merken niet hoe ontregelend het is voor onze gevoelige geest om een vertrek vol luidruchtige kennissen binnen te stappen en een paar uur lang ons best te doen om over koetjes en kalfjes te praten met een wolf in schaapskleren. Om daarvan te bekomen moeten we misschien wel een maand lang elke avond rustig thuis zitten. We beseffen niet dat slapeloosheid de wraak van onze geest is voor alle gedachten die we overdag hebben weten te onderdrukken, en dat onze paniek een oproep vormt om ons meer te bekommeren om alle gevoelens die we verwaarlozen. (pagina 216-218)

Rachel Carson

De zee
Athenaeum, Polak & Van Gennep 2022, 277 pagina's  - € 22,99
Reeks: Paradigma

Oorspronkelijke titel: The sea around us (1950)

Wikipedia: Rachel Carson (1907-1964)

Korte beschrijving
De Amerikaanse Rachel Louise Carson (1907-1964), schrijver en mariene bioloog, is bekend van het boek Silent Spring (Dode Lente, 1963). In dit inmiddels legendarische boek stelt ze het gebruik van pesticiden aan de kaak. ‘De Zee’, onderdeel van een trilogie over de oceanen en zeeën, verscheen in 1951 in de Verenigde Staten, werd daar een bestseller en won een jaar later de National Book Award. In ‘De Zee’ schrijft Carson over allerlei aspecten van de grote zoutwateren ter wereld, zoals het ontstaan van leven in zeeën, seizoenen in de zee, oceaanbodems, het ontstaan van eilanden, winden op zee, zeebevingen en de getijden. Het boek geeft de stand van kennis weer van 1961, het jaar waarin Carson het voorwoord schreef, dat in de Nederlandse vertaling is opgenomen. De schrijfster heeft een soepele pen en slaat gemakkelijk een brug tussen mariene wetenschap en het geïnteresseerde leespubliek. Met een voorwoord van Jaap Tielbeke, milieujournalist en redacteur van De Groene Amsterdammer. Met een leestips, biografie, enkele zwart-witfoto’s, en een verantwoording.

Tekst op website uitgever
De zee, oorspronkelijk verschenen in 1951, behoort nog steeds tot de invloedrijkste boeken die ooit over de natuurlijke wereld zijn geschreven. Mariene bioloog Rachel Carson roept de kracht en het belang van de grootste watermassa’s ter wereld op door het kosmisch grote met het microscopisch kleine te combineren en harde wetenschappelijke feiten te vangen in poëtisch taalgebruik. Ze beschrijft de eeuwenlange regenval die de oceanen heeft gecreëerd, reuzeninktvissen die honderden vadems diep in gevecht zijn met potvissen, de kracht van het getij dat miljarden tonnen water in beweging zet, en de verwoesting die een tsunami teweegbrengt. De zeeën houden het menselijk leven in stand én bedreigen het.

Nu de oceanen en zeeën door toedoen van de mens in gevaar zijn, maakt Carsons boek ons onverminderd bewust van de kwetsbaarheid en het belang van de oceaan, inclusief het leven dat erin huist, en van onze verantwoordelijkheid de planeet gezond te houden.

Fragment uit (het) Voorwoord Jaap Tielbeke
Wat zou Carson zeggen als ze vandaag met haar achterneefje bij de branding zou staan? Zou ze hem wijzen op al het moois dat nog steeds te ontdekken valt? of vooral treuren om alles wat verloren dreigt te gaan? In Carsons tijd waren de ecologische problemen nog relatief overzichtelijk: met betere regelgeving voor chemische bestrijdingsmiddelen kunnen de insectenpopulatie en vogelstand zich herstellen. Strenger toezicht op illegale afvallozingen en aangescherpte normen voor de vervuilende stoffen die uit fabrieksschoorstenen komen, zorgden in de jaren zeventig en tachtig voor schonere luchten en rivieren.

De stijgende zeespiegel en het afsterven van koraalriffen kennen gene lokale oplossing. De verzuring van de oceaan valt niet te stoppen met één eenvoudige wet, De 'wereldthermostaat' is op hol geslagen en de fossiele-brandstofbedrijven die daarvoor verantwoordelijk zijn vormen een nog gehaaidere en machtigere tegenstander dan de pesticidefabrikanten ten tijd van Silent Spring.

Op de website van The Guardian is een filmpje te vinden van Naomi Klein, de Canadese publiciste en klimaatactivist, die haar vierjarig zoontje meeneemt naar het groot Barrièrerif. Ze schrikt van wat ze daar aantreft, want na ene paar oceanische hittegolven zijn grote delen van het natuurwonder veranderd in een spookachtig kerkhof van koraalskeletten. 'het verdriet dat ik voelde', vertelt Klein, 'was om ons allemaal, om alles wat we kwijt zijn geraakt en kwijt zullen raken door de klimaatcrisis. Maar het verlies was ook persoonlijk. Het ging over mijn zoon.' Hij zal waarschijnlijk nooit meer met eigen ogen de betoverende schoonheid van het oceaanleven zien die zijn moeder kon bewonderen toen ze jong was.

De woorden waarmee Carson in 1963 de uitzending van CBS-Reports afsloot hebben amper aan relevantie ingeboet: 'We praten nog steeds in termen van verovering. We zijn nog steeds niet volwassen genoeg om onszelf te zien als slechts een heel klein deeltje van een uitgestrekt en ongelooflijk universum. Ik geloof echt dat we in deze generatie in het reine moeten komen met de natuur en ik denk dat we worden uitgedaagd, zoals de mensheid nog nooit is uitgedaagd, om onze volwassenheid en beheersing te bewijzen, niet over de natuur, maar over onszelf.' (pagina 19)


Boeken over onze nieuwe omgang met niet-dieren en dingen

Terug naar Overzicht alle titels

Michael Young

De opkomst van de meritocratie
Athenaeum, Polak & Van Gennep 2022, 188 pagina's - € 21,99
Reeks: Paradigma

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: The rise of the meritocracy (1958)

Wikipedia: Michael Young (1915-2002)

Korte beschrijving
Een boeiend maatschappijkritisch boek over meritocratie. Het boek schetst een beeld van een maatschappij waarin rechten verworven worden op basis van verdiensten, de meritocratie. Het doet dit door te schrijven vanuit een fictieve, hypothetische toekomst, het jaar 2034, wanneer er zogenaamd eerlijke maatschappelijke kansen voor iedereen zijn. Het boek belicht echter zowel positieve als de negatieve kanten van zo’n samenleving. In een talige stijl geschreven. Het boek zal vooral geoefende lezers aanspreken. Michael Young (Glasgow, 1934 - Victoria, 2010) was advocaat en politicus. Zijn werk werd in meerdere landen uitgegeven.'De opkomst van de meritocratie' werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1958.

Tekst op website uitgever
‘De invloedrijkste boeken zijn altijd de boeken die niet gelezen worden,’ schreef Michael Young in 1994 in een nieuwe inleiding op zijn klassieker De opkomst van de meritocratie. Hij publiceerde zijn ironische mix van utopie en dystopie oorspronkelijk in 1958, muntte daarmee de inmiddels veel gebruikte term ‘meritocratie’, maar stelde gaandeweg ook vast dat weinigen zijn boek hadden gelezen en nog minder het hadden begrepen. Ook in Nederland zijn rechten en verworvenheden op basis van verdiensten (merit) gemeengoed geworden. Het zou, in tegenstelling tot geboorterecht, eerlijke maatschappelijke kansen bieden aan allen. Dat bleek een illusie, al is er ruim zeventig jaar na publicatie geen consensus dat de meritocratie een nieuwe klassenscheiding creëert: die tussen degenen met een hoog IQ en de omstandigheden dat te ontwikkelen en te gelde te maken, en zij die daar niet over beschikken.

In De opkomst van de meritocratie laat Young bij monde van een alter ego dat schrijft vanuit het jaar 2034 zowel de voor- als de nadelen zien van een meritocratische samenleving. Het was nooit een eenvoudig pleidooi. En dat was ook nooit zo bedoeld. Tijd voor een grondige (her)lezing.

Fragment uit Voorwoord Ewald Engelen
Dit valsspelen door de welgestelden is een uitwas van het meritocratische denken die Michael Young in zijn essay weliswaar niet heeft voorspeld, maar die hij als socioloog wel degelijk heeft voorzien. Met lede ogen zag hij dat in de jaren na publicatie het door hem gemunte neologisme ‘meritocratie’ steeds vaker positief gewaardeerd werd, en door steeds meer politici werd beschouwd als een nastrevenswaardig ideaal. Juist omdat een meritocratie op papier gebaseerd is op kansengelijkheid en breekt met de verdeling van maatschappelijke posities op basis van geslacht, kleur, etniciteit, status of religie tooien vooral progressieve politieke partijen zich er graag mee om hun emancipatoire geloofsbrieven te overleggen.

Youngs profetische boek beschrijft een wereld die in grote mate op de onze lijkt. Het is geschreven als een fictief essay waarin een personage dat dezelfde naam als de auteur draagt in 2034 terugkijkt hoe de grote opstand waarvan hij getuige is heeft kunnen ontstaan. Want als het essay één boodschap bevat, is het wel dat een gerealiseerde meritocratie een nachtmerrie is. Geen droom.

Terugblikkend vooruitkijken is een beproefde techniek in het genre van de utopische dan wel dystopische roman. Edward Bellamy paste hem toe in Terugkijken, waarin hij vanuit het destijds ver in de toekomst liggende jaar 2000 reflecteert op zijn eigen tijd, het jaar 1877. Ook in George Orwells 1984 wordt in de verleden tijd door de alwetende verteller gesproken over een verre toekomst als was het reeds gesedimenteerde geschiedenis. Dat geeft deze romans hun onontkoombaarheid, en daarmee hun dramatische kracht. De geschiedenis is niet open en contingent, maar leidt onherroepelijk tot een hel van eigen makelij.

In 2034 komt het in Youngs dystopie dan eindelijk tot een botsing tussen de verdienstelijken en de onverdienstelijken. De eerste zinnen geven een opsomming van leden van de verschillende beroepsgroepen die deelnemen aan een algemene staking en daarmee het dagelijks leven willen platleggen. Young beschrijft vervolgens droogjes, als betrof het een academische verhandeling, hoe in het naoorlogse Engeland de bevrijding uit de feodale ‘upstairs-downstairs’-samenleving gestalte kreeg via de ontwikkeling van uiterst secure IQ-tests, die steeds vaker en steeds breder werden toegepast om de getalenteerden te identificeren en selecteren en de talentlozen te isoleren en uit te sluiten. Beginnend in het onderwijs maar uiteindelijk ook doordringend in alle andere maatschappelijke domeinen.

Om ‘foutieve’ toewijzingen te corrigeren, sociale mobiliteit te bevorderen en het beschikbare ‘menselijk kapitaal’ maatschappelijk zo veel mogelijk te laten renderen, kregen burgers in het begin nog periodiek de mogelijkheid zich te laten ‘hertesten’ – om daarmee de rang van uitvoerder te kunnen verlaten en die van beslisser te kunnen verkrijgen. Maar omdat IQ en inspanningen een genetische en dus erfelijke component hebben, kwamen toewijzingsfouten al doende steeds minder vaak voor, stokte de sociale mobiliteit en ontstond geleidelijk een kastensamenleving met harde, ondoordringbare scheidslijnen tussen groepen mensen op basis van steeds preciezer gemeten gradaties van ‘verdienstelijkheid’.

Young vertelt dat verhaal aan de hand van verwijzingen naar en citaten uit fictieve wetsartikelen, memories van toelichting, interviews, rapporten en studies die, en dat is belangrijk, bol staan van de goede bedoelingen. De wetenschappers, hervormers en politici die in Youngs essay verantwoordelijk zijn voor de constructie van een meritocratische samenleving hadden daar namelijk goede morele en prudentiële redenen voor. Ze hebben de kastentirannie die desondanks was ontstaan dus nooit bewust nagestreefd, laat staan voorzien.

Meritocratie is bovenal economisch wenselijk: ieder talent wordt zo, conform de talentenparabel uit het Nieuwe Testament, ter meerdere eer en glorie van het bruto binnenlands product optimaal benut. En het is ook om redenen van rechtvaardigheid wenselijk. Een meritocratische samenleving is namelijk de belichaming van het klassiek-liberale beginsel dat alle maatschappelijke posities open behoren te zijn voor iedereen – mits deze mensen over de juiste kwalificaties beschikken uiteraard. En die laatste kwalificatie is cruciaal: deskundigheid (als eindproduct van IQ en inzet) is in een meritocratie nu eenmaal het voornaamste verdelingsprincipe. En omdat deskundigheid voor buitenstaanders lastig waarneembaar is, gelden diploma’s en dus het genoten onderwijs als de uiterlijke kenmerken ervan.

Daarmee is de maatschappelijke tweedeling tussen theoretisch en praktisch geschoolden een feit, die ook in Nederland niet toevallig losjes wordt aangeduid met ‘hoger’ en ‘lager’, waarmee ze achteloos in een hiërarchische relatie worden geplaatst. Hoger is beter dan lager, en dus zijn theoretisch geschoolden verdienstelijker dan praktisch geschoolden, en voor een kenniseconomie moet daarom een steeds groter deel van ieder leeftijdscohort door het hoger onderwijs worden geperst. Met de snel teruglopende kwaliteit van het hoger onderwijs, de teloorgang van het vormingsideaal en de armoedige financiering en maatschappelijke onderwaardering van het beroepsvoorbereidend onderwijs als (wederom) onbedoeld neveneffect. (pagina 11-13)

Terug naar Overzicht alle titels

F.A. Hayek

De weg naar slavernij
Athenaeum, Polak & Van Gennep 2022, 271 pagina's - € 24,99
Reeks: Paradigma

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: The road to serfdom (1944/2001)

Wikipedia: F.A. Hayek (1899-1992)

Korte beschrijving
‘De weg naar slavernij’ is een klassieker van Friedrich Hayek (1899-1992). Hij zet uiteen hoe volgens hem een krachtige centrale overheid met economische controle heeft geleid tot de verschrikkingen van nazi-Duitsland en fascistisch Italië. Hij wijst naar de socialistische wortels van deze regimes en pleit tegen een centrale planning van de economie. Zeer intelligent geschreven. Uitsluitend geschikt voor een geoefende lezersgroep. F.A. Hayek (Wenen, 1899 - Freiburg im Breisgau, 1992) was een wereldberoemde Brits-Oostenrijks-Duits-Amerikaans-Norfolkeilandse econoom, historicus, politicoloog en academisch docent. Zijn werk werd in meer dan veertig landen uitgegeven. ‘De weg naar slavernij’ verscheen oorspronkelijk in 1944.

Tekst op website uitgever
De weg naar slavernij heeft velen geïnspireerd, maar minstens even zoveel mensen tot woede gedreven: politici, filosofen, economen, gewone lezers; niemand blijft onberoerd onder Hayeks klassieker. Het boek verscheen oorspronkelijk in 1944 en bevat een vurige waarschuwing tegen de gevaren van een overheid die de productiemiddelen in handen heeft. Volgens Hayek leidde het model van een krachtige centrale overheid met grote economische controle naar de verschrikkingen van nazi-Duitsland en fascistisch Italië en niet, zoals velen dachten, naar een utopische samenleving waarin de lasten worden verdeeld.

In de afgelopen zeventig jaar heeft De weg naar slavernij zich bewezen als een tijdloos werk dat nog steeds van invloed is op het politieke, filosofische en economische discours en de discussie over de relatie tussen individuele vrijheid en overheidsbemoeienis blijft voeden.

Fragment uit (het) Voorwoord (door Merijn Oudenampsen & Bram Mellink - auteurs van Neoliberalisme : een Nederlandse geschiedenis , uit 2022)
In de aanloop naar de vorige Tweede Kamerverkiezingen kondigden politici van links tot rechts het einde van het neoliberalisme aan. Hugo de Jonge voorspelde dat het betreffende verkiezingsjaar de geschiedenisboeken in zou gaan als 'het einde van het neoliberalisme', Lodewijk Asscher verklaarde de gewraakte ideologie 'technisch en moreel failliet' en Gert-Jan Segers dacht dat 'de neoliberale machine aan het einde van zijn levensduur' was gekomen.


Dat riep onmiddellijk de stekelige reacties van journalisten op. Politici stonden in de rij om het neoliberalisme 'tot nieuwe staatsvijand te verklaren', aldus NRC-columnist Maarten Schinkel. Volgens hem leidde dat tot weinig verheffende analyses: 'Het comfortabele van het containerbegrip "neoliberalisme" is dat ieder ervan kan maken wat hij wil. Het wachten is op de eerste peuter die spartelend op de grond van de Albert Heijn het neoliberalisme overal de schuld van geeft.' De Nieuwsuur-econoom Matthijs Bouman stelde op zijn beurt dat hij nog steeds niet wist wat het neoliberalisme precies betekent en beschreef het als 'fake history' en 'totale onzin'. 

Het is de typische polemische discussie die nooit een stap verder lijkt te komen. More heat than light, zoals de Britten zeggen. Opvallend is het gebrek aan intellectuele referenties. Niemand lijkt op het idee te zijn gekomen een klassieker uit de neoliberale canon uit de boekenkast te pakken om elf eens te kijken wat dat vrijemarktdenken nu precies behelst. Zo bezien komt de nieuwe Nederlandse vertaling van Friedrich Hayeks klassieker 'The Road ot Serfdom' (1944) als geroepen. Het geldt nog steeds als de stichtingstekst van de beweging die indertijd door haar aanhangers 'het neoliberalisme' werd genoemd.

Na publicatie werd het boek onmiddellijk een groot publicitair succes. Vooral in de Verenigde Staten vond het gretig aftrek. Het blad Reader's Digest maakte een samenvatting en verspreidde daar maar liefst 600 000 exemplaren van onder zijn lezers. Het Amerikaanse autobedrijf General Motors liet er zelf een stripversie van maken, waarin met enigszins koddige plaatjes de dreigende 'plandictatuur' treffend werd uitgebeeld. Uiteindelijk werden er meer dan twee miljoen exemplaren van The Road to Serfdom verkocht, in meer dan twintig talen. In 1948 kwam de eerste Nederlandse vertaling uit, getiteld De weg naar slavernij.

De weg naar slavernij werd een van de invloedrijkste boeken van de twintigste eeuw. Winston Churchill liep ermee weg. Margaret Thatcher noemde het boek een 'ongeëvenaarde analyse van de gevaren van de planeconomie',  Ronald Reagan citeerde het in zijn toespraken en Frits Bolkestein prees Hayek als 'misschien wel de belangrijkste liberale politieke filosoof van de twintigste eeuw'.  Na publicatie van het boek groeide Hayek uit tot een intellectuele beroemdheid. Hij gebruikte zijn nieuwverworven aanzien voor de uitbouw van wat hij 'de neoliberale beweging' noemde. Voor wie wil weten wat het neoliberalisme is en waar het vandaan komt, is het een boek een onmisbaar referentiepunt. Hayeks filosofie van individuele vrijheid en verantwoordelijkheid werkt nog altijd door in onze politiek. (pagina 9-10)

Terug naar Overzicht alle titels

Edward W. Said

Oriëntalisme
Athenaeum, Polak & Van Gennep 2022, 517 pagina's - € 27,50
Reeks: Paradigma (oorspronkelijke Nederlandse uitgave 2005)
De oorspronkelijke editie bevat een nawoord van Sjoerd de Jong; de herdruk uit 2022 bevat een voorwoord van Sinan Çankaya

Oorspronkelijke titel: Orientalism (1978)

Wikipedia: Edward W. Said (1935-2003)

Korte beschrijving
Het beroemde en geruchtmakende boek van deze Palestijnse literatuurcriticus, die in 2003 overleed, verschijnt voor het eerst in het Nederlands. Het is belangrijk en leerzaam dat zowel het nawoord uit 1994 als het uitgebreide woord vooraf uit 2003 zijn opgenomen. Want dit boek, dat in 1978 verscheen, heeft vele tongen en pennen losgemaakt en heeft na de elfde september 2001 alleen maar meer en nieuwe actualiteit gekregen. Edward Said verweert zich in die toevoegingen o.m. tegen verkeerde interpretaties van zijn werk. Hij schrijft indringend over vooraanstaande kenners van het Oosten en de voorstellingen die zij ervan gemaakt hebben en doet dat vanuit een enorme persoonlijke betrokkenheid en weergaloze eruditie. Het lezen en bestuderen van dit werk blijft een 'must'.

Tekst op website uitgever
Oriëntalisme zorgde bij verschijnen in 1978 voor een grote omslag in de Midden-Oostenstudies en had een blijvend effect op postkoloniale en culturele studies. Met de term, gemunt door Said, wordt de ‘westerse’ kijk op het Oosten gedefinieerd, een invloedrijke Europees-ideologi¬sche schepping die het mogelijk maakte om te gaan met het ‘andere’ van de oosterse cultuur. Oriëntalisme maakt het Oosten ondergeschikt aan het Westen.

Die simplificatie gaat terug tot op de oude Grieken en is in de eeu¬wen daarna in de literatuur, schilderkunst, geschiedschrijving, we¬tenschap en de politiek verder verdiept. Het legde de basis voor het westerse kolonialisme én, stelt Said, het Westen verschafte zich er een eigen identiteit mee door zich te profileren als ‘verheven’.

Said onderzoekt klassieke Europese werken die een groot aandeel hebben in het exotische beeld dat het Westen schiep van het Oosten en beschrijft hoe oriëntalistische beeldvorming een reflectie kan zijn van imperialisme en racisme.

Fragment uit hoofdstuk 1. Ken de oosterling
Culturele kracht is geen makkelijk te bespreken onderwerp, en een van de oogmerken van dit werk is het illustreren, analyseren en overdenken van het oriëntalisme als een uiting van culturele kracht. Met andere woorden, het is beter zich niet te wagen aan generalisaties over een zo vaag en toch zo belangrijk begrip als culturele kracht voordat eerst een belangrijk deel van het materiaal is geanalyseerd. Om te beginnen gold in het Westen in de negentiende en twintigste eeuw het uitgangspunt dat het Oosten en alles wat dat omvatte, als het al niet overduidelijk inferieur was, in elk geval behoefte had aan corrigerende besturing door het Westen. Het Oosten werd gezien als iets wat werd vastgesteld in klaslokaal, strafrechtbank, gevangenis of geïllustreerd handboek. Het oriëntalisme is dus kennis van de Oriënt die de dingen des Oriënts situeert in klaslokaal, rechtbank, gevangenis of handboek voor onderzoek, studie, rechtsspraak, tucht of bestuur. 
Gedurende de eerste jaren van de twintigste eeuw konden mannen als Balfour en Cromer zeggen wat en hoe zij het wilden omdat een nog vroegere vorm van oriëntalisme dan die van de negentiende eeuw hun de woorden, beelden, retoriek en vooroordelen had nagelaten waarmee ze het konden zeggen. Ook versterkte het oriëntalisme het besef, dat haar op zijn beurt ook zelf weer versterkte, dat Europa of het Westen letterlijk vanuit het grootste deel van het aardoppervlak beheerste. De periode van onmetelijke vooruitgang in de instellingen en inhoud van het oriëntalisme komt precies overeen met de periode van ongeëvenaarde Europese expansie; van 1815 tot 1914 breidde de rechtstreekse Europese koloniale overheersing zich uit van ongeveer 35 procent van het aardoppervlak tot ongeveer 85 procent. Elk continent was erbij betrokken, vooral Afrika en Azië. De twee grootste rijken waren het Britse ne het Franse; bondgenoten en partners in sommige opzichten, in andere vijandige rivalen. In de Oriënt, van de oostelijke kusten van de Middellandse Zee tot Indo-China en Malakka, grensden hun koloniale bezittingen en imperiale invloedssferen aan elkaar; regelmatig overlapten ze elkaar en vaak werd erom gevochten. maar het was in de Nabije Oriënt, in de landen van het Arabische Nabije Oosten, waar de islam werd geacht de culturele en raciale kenmerken te bepalen, dat de Britten den Fransen met elkaar en 'de Oriënt' op de meest intense en ingewikkelde manier met elkaar te maken kregen. Tijdens een groot deel van de negentiende eeuw was, zoals minister van Buitenlandse Zaken lord Salisbury het in 1881 formuleerde, hun gezamenlijke visie op de Oriënt uiterst problematisch: 'Wanneer je [...] een trouwe bondgenoot hebt die ertoe neigt zich te bemoeien met een land waarin je diep geïnteresseerd bent, dan staan je drie wegen open. Je kunt je afwenden, je kunt monopoliseren of je kunt delen. Ons afwenden zou betekenen dat de Fransen ons pad zouden kruisen in India. Monopoliseren zou ons heel dicht bij een oorlog brengen. Dus besloten we te delen.' (pagina 70-71 - editie uit 2005) (pagina 91-92 - editie 2022)

Fragment uit (het) Voorwoord (door Sinan Çankaya - november 2021)
Kritieken
Oriëntalisme is een hoogst origineel, zoals gezegd welbespraakt, doorwrochte en tegelijk slordig en imperfect boek. Sommige recensenten waren bij voorbaat vijandig gezind, maar ook politieke bondgenoten hadden moeite met zijn boek.
  Het retorische arsenaal dat Said geduldig had vervaardigd werd tegen hem in stelling gebracht. Said, die het Westen bekritiseerde om haar sweeping statements. kreeg ervan langs vanwege zijn eigen sweeping statements over het Westen, die te weinig nuance zag in de westerse kijk op de Oriënt, werd te weinig nuance over het Westen verweten. Het Westen maakte zich schuldig aan essentialisme, verweet Said, maar deed hij niet min of meer hetzelfde door het Westen als een onbeweeglijk ding voor te stellen en het vast te zetten in de tijd? De Syrische filosoof Sadiq Jalal al-Azm noemde Said een orientalist-in-reverse.
  Ook methodisch was er kritiek. Zijn raamwerk zou piepen en kraken en uit zijn voegen barsten, omdat Said oriëntalistische voorbeelden er met de haren bij had gesleept. Door een bonte verzameling wetenschappers en schrijvers aaneen te rijgen zou hij een te coherente en generaliserend beeld hebben geschetst. De voorbeelden die niet binnen zijn raamwerk pasten, zoals de niet-koloniale Duitse oriëntalistiek, zou hij hebben verzwegen. Said werd ook aangevallen omdat hij niet bij zijn wetenschappelijke leest was gebleven. Hij was een literatuurwetenschapper, geen Midden-Oostendeskundige, en ook zeker geen historicus. In zijn lange carrière aan Columbia University zou jij nooit een college over het Midden-Oosten geven. 
  Linkse denkers vroegen zich af waar het verhaal over gevestigde belangen en kapitaal was gebleven. Voor marxisten was deze toevoeging van wezensbelang. Ze wilden voorkomen dat de discussie over oriëntalisme louter over vooroordelen, representaties en culturele strubbelingen zou gaan. Antropologen schreven al langer over etnocentrisme, de neiging om de eigen groep als centrum van alles te beschouwen, en als maatstaf van het gewone, het goede en het schone. Het Oosten was toch ook vooringenomen ten opzichte van het Westen? Dus wat maakte Oriëntalisme anders? Was Edward Said, lang voordat de politicoloog Samuel Huntington over de botsing der beschavingen zou schrijven, zijn progressieve versie? (pagina 15-16)

Terug naar Overzicht alle titels

Dave Goulson

Stille aarde : hoe we de insecten van de ondergang kunnen redden
Atlas Contact 2021, 497 pagina's  - € 24,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl 

Oorspronkelijke titel: Silent Earth : averting the insect apocalypse (2021)

Wikipedia: Dave Goulson (1965)

Korte beschrijving
Nieuwste boek van de Engelse bioloog Goulson (1965), waarin hij op boeiende manier ingaat op het belang  en nut van insecten. Hij geeft bewijzen van hun achteruitgang, schildert in duidelijke taal de oorzaken van deze achteruitgang en wat wij mensen kunnen doen om het insectenleven te redden van de ondergang. Want insecten zijn van wezenlijk belang voor onze voedselvoorziening. In dit boek luidt de auteur de alarmklok en wil hij komen tot een algeheel verbod op het gebruik van pesticiden. Goulson, hoogleraar biologie en gespecialiseerd in de hommel, laat zien dat zelfs eenvoudige maatregelen al kunnen leiden tot effectieve stappen om insecten te helpen. Een actueel en prettig geschreven boek. Een aanrader.

Tekst op website uitgever
Stille aarde is een liefdesverklaring aan de insectenwereld én een manifest voor een groenere planeet. De tijd dringt, maar het is nog niet te laat voor insectenpopulaties om te herstellen.

Stille aarde’ is het nieuwste boek van Dave Goulson. Insecten zijn essentieel voor het leven zoals wij dat kennen. Wereldwijd dalen hun aantallen snel en één ding is zeker: zonder insecten stort alles in. Ruim driekwart van onze belangrijkste voedselgewassen wordt bestoven door wilde insecten. En talloze dieren (die weer als voedsel dienen voor talloze andere dieren) zijn voor hun voedsel afhankelijk van insecten. Kortom: hun uitsterven heeft desastreuze gevolgen voor de hele voedselketen. ‘Stille aarde’ is een liefdesverklaring aan de insectenwereld, maar ook een opzwepend manifest voor een groenere planeet en een oproep tot ingrijpende verandering op elk niveau – in het overheidsbeleid, de landbouw, de industrie en in onze eigen huizen en tuinen. Hoewel de tijd dringt, is het nog niet te laat voor insectenpopulaties om te herstellen. We voelen ons misschien machteloos bij veel van de milieuproblemen die aan onze horizon opdoemen, maar Goulson laat in dit boek zien hoe we allemaal eenvoudige stappen kunnen zetten om insecten te helpen hun (en onze) vernietiging tegen te gaan.

Fragment uit 16. Een toekomstbeeld
Mijn vader zei altijd dat het zo ironisch was dat juist de nuttige en mooie dieren verdwenen, terwijl de plaagdieren in aantal toenamen. Huisvliegen zijn elke zomer weer een plaag nu er geen huis- en boerenzwaluwen meer zijn om ze op te eten. Er zijn meer naaktslakken dan ooit, want de hazelwormen, egels en grondkevers die korte metten met ze maakten zijn er allemaal niet meer. In de zomer zitten er hele zwermen bladluizen in onze groenten en fruitbomen, die soms alle bonenplanten opeten en ervoor zorgen dat onrijp fruit van de bomen valt. Toen ik nog klein was, werden dat soort plaagdieren opgegeten door lieveheersbeestjes, zweefvliegen, echte weekschildkevers en oorwormen. De dieren hoger in de voedselketen verdwijnen altijd het eerst, want die zijn met minder en planten zich langzamer voort. Tijgers, wasberen en harpijen verdwenen lang voor de herten, de zeehonden en de apen waar ze op joegen. Plaagdieren als bladluizen, witte vliegen, naaktslakken, muggen en huisvliegen planten zich snel voort en kunnen dus snel evolueren, waardoor ze reistent worden tegen bestrijdingsmiddelen en zich kunnen aanpassen aan het veranderende klimaat. Helaas konden de bijen en de lieveheersbeestjes het tempo niet bijbenen.
  Ik kijk nog eens op mijn horloge. De tijd lijkt bijna stil te staan. Mijn zoon neemt het om vier uur van me over, dus ik hoef niet lang meer.
 Wat heb ík een veranderingen meegemaakt. Als tiener had ik zoveel. We hadden allemáál zoveel, tenminste, in het Westen. Ik weet nog dat de supermarkten vol lagen met voedsel. Exotisch fruit, zoveel passievruchten, ananassen, mango's, avocado's en zelfs kumquats en lychees, werd van over de hee wereld ingevlogen en was het hele jaar verkrijgbaar. Dat lijkt nu gekkenwerk. Voor ons sprak het vanzelf. Eten was zo goedkoop dat we er meer van kochten dan we op konden, zodat we veel weggooiden omdat het begon te beschimmelen in de koelkast. Plastic puilde uit de vuilnisbakken en werd samen met bergen vieze luiers en kapot plastic speelgoed onder de grond verstopt, waar het een eeuwigheid lag te broeien. Ananassen mis ik het meest: van die goudgele, rijpe uit Brazilië waar het zoete sap uit droop als je ze doorsneed. En chocola natuurlijk, ach, wat mis ik chocola. Ik heb mijn kleinkinderen geprobeerd uit te leggen hoe het smaakte, maar dat is natuurlijk onmogelijk. De mensen aten zulk energierijk voedsel dat er een obesitasepidemie was en een wereldwijde golf van diabetes, die de mensen zelf hadden veroorzaakt. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig dikke mensen. (pagina 253-254)

Boeken over onze nieuwe omgang met niet-dieren en dingen

Terug naar Overzicht alle titels