donderdag 23 januari 2025

Jona van Loenen

Waarom de laagsteprijsgarantie ervoor zorgt dat jij te veel betaalt : antwoorden op vragen die economen niet durven te stellen
Spectrum 2025, 224 pagina's  € 23,99

Korte bio van  Jona van Loenen (1994-)

Korte beschrijving
Een verhelderend boek over allerlei toegankelijke economische vragen. Het boek behandelt onderwerpen zoals de reden waarom cafés wel, maar boekenwinkels geen happy hour hebben, en waarom beroemdheden en CEO's zulke hoge inkomens hebben. Ook wordt uitgelegd waarom overheidsfouten soms nuttig kunnen zijn en hoe laagsteprijsgaranties consumenten benadelen. Jona van Loenen ontrafelt economische mythen en biedt inzicht in de werking van de economie, met als doel de lezer een beter begrip te geven van de wereld en hun eigen leven. In korte hoofdstukken aan de hand van verschillende (soms prikkelende) vragen. In vlotte stijl geschreven. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep. Jona van Loenen is een econoom en publicist. Hij schrijft voor o.a. de Volkskrant, Trouw, Het Parool, Het Financieele Dagblad en NRC. Daarnaast heeft hij de Substack ‘De Undercover Econoom’. Hij behaalde de master Finance (summa cum laude) aan de Bocconi University in Milaan. Daarnaast was hij als hoofd onderzoek werkzaam voor een start-up.

Tekst op website uitgever
Dit boek geeft antwoord op de belangrijkste vragen die economen niet durven te stellen:
* Waarom houden cafés elke week, maar boekenwinkels nooit een happy hour?
* Waarom geven kappers altijd, maar slagers nooit studentenkorting?
* Waarom is het juist goed als overheden blunders maken?
* En waarom zorgt de laagsteprijsgarantie ervoor dat jij veel te veel betaalt?

Hoewel de economie ons leven en de maatschappij compleet beheerst, weten de meesten van ons geen antwoord te geven op deze simpele vragen. De dominantie van de economie heeft ons enorme welvaart opgeleverd, maar met de groeiende ongelijkheid en de opwarming van de aarde is hier de laatste decennia een kentering in te zien. We zien allemaal dat het misgaat en dat er iets moet veranderen, maar we weten eigenlijk niet wat we ertegen moeten doen.

Dit komt doordat we een stap volledig hebben weten te negeren. Voordat we tot een nieuw economisch systeem kunnen komen, moeten we namelijk eerst begrijpen wat de economie nou eigenlijk ís. Door antwoord te geven op de vragen die economen niet durven te stellen, zal jij met het lezen van dit boek de economie eindelijk echt begrijpen. En dat dankzij iemand die zijn studie nooit heeft afgemaakt.

Jona van Loenen (1994) heeft zowel de bachelor Bedrijfseconomie als Organisatiewetenschappen cum laude afgerond aan Tilburg University. Daarna heeft hij de Master Finance en Financial Economics gestudeerd aan Bocconi University en Erasmus Universiteit Rotterdam. Jona startte zijn carrière in 2018 als Head of Research, waarmee hij aan de basis stond van Gain.pro, een van de snelst groeiende FinTech start-ups in Europa. In 2022 maakte Jona de overstap naar Level.works, een softwarebedrijf binnen de arbeidsbemiddeling. Sinds 2021 is Jona columnist en publicist voor o.a. de Volkskrant, Trouw, Het Parool, Het Financieele Dagblad en NRC. Daarnaast schrijft Jona in zijn Substack 'De Undercover Econoom' iedere week over de écht belangrijke (en leuke) economische verhalen, die je van economen nooit te horen krijgt.

Fragment uit 1. Hoe de economie onze religie werd
Stel je iemand voor die honderd jaar geleden leefde. Stel je voor dat deze persoon in een diepe slaap terecht zou komen, en wakker werd in de wereld van vandaag. Stel je voor dat diegene, na een paar dagen te hebben rondgelopen, werd gevraagd wat de belangrijkste religie is van onze samenleving. Over dit antwoord zou deze persoon niet lang na hoeven te denken. De belangrijkste religie van onze samenleving? 'Dat is de economie.' Wij zouden in eerste instantie stomverbaasd reageren. 'Hoezo is de econome de belangrijkste religie van de samenleving?' zouden we vragen. 'Nou, kijk daarvoor maar gewoon eens om je heen.' Overal kijk je aan tegen reclame die ons oproept geld uit te geven. Mensen ontlenen hun identiteit aan spullen en kleren. De woningmarkt is zo belangrijk geworden dat wij niet langer bezit van het huis, maar het huis bezit van os is gaan nemen. Het genieten van muziek, het zorgen voor avondeten en het hebben van een fiets is een abonnement geworden. En zelfs van het helpen van mensen in nood door bij te dragen aan goede doelen, wat je van de belasting kan aftrekken, is een economisch spel gemaakt. 'De economie is ook de politiek totaal gaan beheersen,' zou deze persoon vervolgen. Een partijprogramma wordt pas serieus genomen wanneer de effecten hiervan zijn doorberekend. De derde dinsdag van september, waarop de begroting gepresenteerd wordt, is het politieke hoogtepunt van het jaar geworden. Om te zien of een lidmaatschap van de Europese Unie wel 'zin' heeft, wordt er een berekening gemaakt om te zien hoeveel het oplevert. En politici stellen dat het nodig is om steun aan Oekraïne te verlenen, niet omdat dit juist is om na te streven, maar omdat wanneer Rusland ook andere delen van Europa zal innemen, dit schadelijk is voor onze economie. 'Dat het de politiek beheerst kan ik nog wel begrijpen,' zou deze persoon stellen, 'maar wat ik echt nooit had durven denken, is dat de economie ook in jullie persoonlijke levens alles bepaalt.' Studenten kiezen hun studie op basis van wat het beste loopbaanperspectief zal geven. Persoonlijke ontwikkeling is tot het maken van een stap in salaris verheven. Men mediteert niet om tot rust en bezinning te komen, maar om beter te presteren. En zelfs het mooiste moment uit het leven van veel mensen, het krijgen van kinderen, wordt langs de economische meetlat gelegd. Wanneer deze persoon dit zegt, lijken we het onszelf ineens te realiseren. Zonder dat we het door hebben gehad, is de economie alles gaan beheersen. En de belangrijkste religie van onze samenleving? Dat is inderdaad de economie. Ondanks het feit dat we dit allemaal volstrekt normaal zijn gaan vinden, is dit pas een heel recent gegeven. Het was namelijk slechts een paar jaar na de Tweede Wereldoorlog dat de economie allesbepalend werd. 
  Het was de lente van 1947. De Tweede Wereldoorlog was bijna twee jaar geleden ten einde gekomen, maar Europa lag nog altijd volledig in puin. Steden waren verwoest. Wegen, sporen en bruggen waren totaal vernietigd. En industrieterreinen en fabrieken lagen volledig op hun gat. Door de gemeenschapszin die het einde van de Tweede Wereldoorlog creëerde, werkte iedereen zich te pletter om deze schade te herstellen. De meeste mensen hielpen door hun handen uit de mouwen te steken, alleen was er een select gezelschap dat dit achteroverleunend in een comfortabele stoel zou doen. (pagina 11-13)

Tommy Wieringa 2


Optimisme zonder hoop   

Maand van de Filosofie 2025, 94 pagina's € 8,--

Wikipedia: Tommy Wieringa (1967-)

Korte beschrijving
In 'Optimisme zonder hoop' laat Wieringa zien hoe de wereld een onherbergzame plaats is geworden, waarin veel mensen hun vertrouwen in de toekomst hebben verloren. Terwijl het van wijsheid getuigt om je daden af te stemmen op de generaties na jou, handelen onze politieke leiders vooral in de geest van opportunisme en kortetermijndenken. Nu de gevolgen van de klimaatcrisis steeds zichtbaarder worden en de maatschappelijke onrust toeneemt, staan we er grotendeels alleen voor. Hoe in zo’n wereld kinderen groot te brengen en de moed te vinden de goede dingen te blijven doen, vormt het hart van Wieringa’s betoog.

Tekst op website uitgever
Lang hadden we de utopische verwachting dat elke generatie het beter zou hebben, nu durven we ons niet eens meer een toekomst voor onze kinderen voor te stellen. In 'Optimisme zonder hoop' betoogt Tommy Wieringa dat de klimaatcrisis ons heeft opgezadeld met een vorm van toekomstloosheid die zonder precedent is in de menselijke geschiedenis. Hoop bewijst haar nut in crises met een natuurlijk einde, zoals oorlogen en pandemieën, in de klimaatcrisis blijkt ze van weinig waarde. Maar geef je de hoop op, stelt Wieringa, dan ontdoe je je ook meteen van de hopeloosheid. Optimisme zonder hoop is een mentaliteit die je in staat stelt een paar snippers leefbare toekomst te verdedigen, ongeacht het resultaat.

Fragment uit 9
Niet alleen oudere individuen registreren achteruitgang en verlies. Sinds het begin van deze eeuw meet onderzoeksbureau Ipsos een wijdverbreid 'verlies van toekomst' onder respondenten in vijftig landen. Achteruitgang van milieu en klimaatverandering worden genoemd als belangrijke oorzaken. Het percentage respondenten dat in 2024 verlies van toekomst ervoer was 75 procent. Al die miljoenen sombere datapunten...
  Hoe te leven met dit fundamentele verlies, welke methoden zijn er te onderscheiden? 
  Voor de zuivere klimaatontkenner van weleer was het gemakkelijk: klimaathysterie, een verzonnen probleem, linkse hobby, enzovoort; alles kon gewoon doorgaan zoals altijd. De klimaatontkenner van toen is de klimaatscepticus van nu. Een zekere erkenning van het probleem is bij hem weliswaar aanwezig, maar de maatregelen vindt hij te duur en te omslachtig, en meer in het algemeen zal de energietransitie mislukken door grondstoffengebrek, afhankelijkheid van fossiel en, o ja, windmolens en zonneparken ontsieren het landschap. 
  Deze methode veronderstelt enig begrip van de realiteit maar staat daar passief tegenover en brengt niets teweeg. In politiek en bedrijfsleven bewijst dit haar nut omdat hiermee het schadelijk handelen kan worden voortgezet als voorheen.

Dan is er de methode die ik provocatief relativisme wil noemen. Ja, het wordt warmer, maar wat geeft het als Stockholm straks het weertype van Amsterdam heeft en Amsterdam dat van Bordeaux? Een Leidse hoogleraar met de raadselachtige leerstoel 'publiek begrip van wetenschap' is hiervan een sprekend voorbeeld. Deze Bas Haring, filosoof-informaticus, ziet net als Annie Dillard hoe de natuur overvloed op verkwisting stapelt, maar waar Dillard in haar werk extase ondergaat over zoveel onwaarschijnlijke variëteit, ziet hij vooral redundantie. Wij kunnen best met minder soorten toe meent hij. Er zijn zoveel soorten vleermuizen en vijgenwespen dat het geen verschil maakt of er daar een paar of zelfs een heleboel van verdwijnen. 


  In Panama neemt hij waar hoe door het verdwijnen van de ocelot de populatie goudhazen toeneemt, diertjes die driftig zaden van de oliepalm verspreiden, die daardoor dominant wordt in het gebied. Hij haalt zijn schouders op en zegt: 'Als je daar rondloopt, dan ziet het er voor jou gewoon uit als groen en weelderig terrein. In de vakartikelen  wordt dat vervolgens een 'meltdown' genoemd. 
Maar als ik er ben... sorry hoor, ik zie gewoon groen.
  Zelf woont de hoogleraar in landelijk gebied boven Amsterdam. Hij vertelt hoe een bioloog die hem bezoekt opmerkt hoezeer daar in de loop der jaren het aantal insecten en weidvogels is afgenomen. Ook daarvan is hij niet onder de indruk: 'Ik vind het er prachtig, net als de vele fietsers en wandelaars.'
  Sinds 1950 is een derde van onze vogelsoorten en tachtig procent van de gevleugelde insecten verdwenen. Een promovendus van hoogleraar trekvolgelecologie Theunis Piersma deed in 2016 onderzoek naar gruttopopulaties rond Koudum. Hij telde 220 nesten, maar 'we kunnen met redelijke zekerheid zeggen dat er nul exemplaren vliegvlug zijn geworden. We bestuderen eigenlijk alleen nog dood, dood, dood.'
  Tegenover de objectieve achteruitgang van soorten plaatst Haring zijn ode aan het raaigras. Monoculturen zijn goede culture, stelt hij, omdat ze het productiefst zijn. 'Want als het nou echt zo was dat een soortenrijk systeem altijd productiever is, waarom zaaien boeren dan niet een soortenrijk systeem uit op hun land. Precies: omdat het niet productiever is.'
  In Voltaires Candide of het optimisme bejubelt meester Pangloss, ook al filosoof, te pas en te onpas dat deze wereld 'de beste va alle mogelijke werelden is, want aangezien alles is gemaakt met een doel, is alles ook noodzakelijkerwijs gemaakt voor het beste doel.' Ook gedurende stormen, schipbreuken, aardbevingen en allerlei fysiek malheur houdt Pangloss staande dat dit le meilleur des mondes possibles is. 
  Voltaires satire was een venijnig antwoord op Leibniz, die het kwaad in de wereld probeerde te verzoenen met een goede god, die een volmaakte schepping had afgeleverd, want als er een betere denkbaar was, dan had hij die immers wel gemaakt.
  Onze Pangloss in de polder weet dat syntheseonderzoek van de VN waarschuwt dat een miljoen soorten dreigt uit te sterven, maar verkiest relativering boven lijden: 'Dat klinkt als een boel en ik schrik ervan, maar een heel, heel kleine fractie daarvan is op enige wijze betrokken bij voedselproductie, medicijnen of iets anders dat wij nuttig vinden.' 
  Als een selectiearts stelt Haring zich op bij de poort van het leven en scheidt het nutte van het onnutte. Hij verleent soorten bestaansrecht of ontneemt ze dat. Om het verdwijnen van niet-utilitaire soorten hoef je niet te rouwen, ze hebben hun bestaansrecht immers niet bewezen. Niet dat hij begrip heeft van sleutelsoorten, de systemische weerbaarheid van grote biodiversiteit of de eenvoudigweg adembenemende schoonheid van weelderige soortenrijkdom.
  Zijn botheid doet hij voorkomen als objectiviteit, zijn emotionele dissociatie als koele rationaliteit. De hemel boven het weiland is vrij van insecten, de bodem is ontdaan van het meeste bodemleven, maar monoculturen zijn goede culturen, want anders zou het wel anders zijn. We scheuren gras, injecteren drijfmest, sproeien insecticiden, overbemesten de bodem en doden schimmels, wormen en bacteriën, want dat is de gewelddadige methode waarmee je een monocultuur in stand houdt, maar dit alles is volgens meester Pangloss 'zo goed als het maar zijn kan.' (pagina 41-45)

Fragment uit 18
De kan som veranderingen te bewerkstelligen is klein, maar een programma van optimisme zonder hoop kan je weerbaar maken en immuun voor de teleurstellingen die je wachten. Het is een motor van verzet en subversie. Van openheid, spontaniteit en scheppingsdrang in moeilijke tijden, kenmerken van een vrij mens.
En als het allemaal tevergeefs zal blijken, als het tijdperk van de waarheid inderdaad een korte episode is geweest en het recht van de sterkste ook hier de overhand neemt, dan nog zal dit voor altijd hebben bestaan, deze onvolmaakte, glanzende tijduitsnede waarin de meerderheid in principe de minderheid beschermde, iedereen in gelijke gevallen gelijk behandeld werd en waarheid en feiten een algemene geldigheid bezaten die zich uitstrekte van wetenschap tot cultuur en politiek; een tijd waarin wij op schouders van reuzen stonden en niet in de schaduw van dwergen. Ook als dit allemaal is ondergaan zal het voor altijd een verre weerschijn zijn in het donkere, het wenkende lichtschijnsel van een stad in de verte, het Athene van Perikles. Wij hebben het gekend, het heeft bestaan, dit schitterende alles, hoe kort ook, het heeft bestaan. (pagina 89)

Lees ook: Gedachten over onze tijd (uit 2021).

Terug naar Overzicht alle titels


Th.C.W. Oudemans

Verre van evenwichtig

Prometheus 2024, 200 pagina's € 23,99

Wikipedia: Th.C.W. Oudemans (1951-2024)

Korte beschrijving

Tekst op website uitgever
Soms merken filosofen opeens dat het gangbare denken niet meer voldoet, zij verlaten het vertrouwde spoor en worden ‘buitensporig’. Een beproefde betekeniswereld implodeert en iets geheel nieuws dient zich aan. Dat was in de Oudheid de ervaring van Heraclitus; Descartes overkwam vele eeuwen later iets soortgelijks. Sindsdien leefde de mens in een eeuwige universalistische betekeniswereld. Totdat darwinisme en thermodynamica die wereld doen ineenstorten.

Voor de orde en regelmaat van het universalisme kan dan het buitensporig besef in de plaats komen dat de mens, net zoals alle andere levende wezens, moet worden begrepen als een energieverwerkend organisme, waarvoor harmonie de dood betekent. Is het de filosofie gegeven bij deze omwenteling, die ook haarzelf treft, na te denken? En kan de mens zo’n onevenwichtige wereld bewonen? Dit alles bespreekt Oudemans indringend in zijn laatste, postuum verschijnende boek, waarin de periodieke buitensporigheid van het denken wordt aangewezen als bij uitstek karakteristiek voor Europa.

Over Echte filosofie:
‘Oudemans heeft een onnavolgbaar mooi boek geschreven dat in het verveelde landschap van “filo-tainment” een absolute aanrader is. Want een boek dat zijn eigen vooronderstellingen continu durft te bevragen is “echte” filosofie.’ - De Groene Amsterdammer

‘Oudemans wil (...) tonen (en niet vertellen) wat “echte” filosofie is: “een gesprek van de ziel met zichzelf”, in plaats van het conform academische criteria oplepelen van commentaar op andermans ideeën. Hij zet zich af tegen elke populariserende filosofie en wil trouw zijn aaneen filosofie, zegt hij, “die niet van de mensen is, maar dat denken is dat het menselijk denken tekent zonder hierdoor te kunnen worden ingehaald”.’ - Sjoerd de Jong, NRC

Th.C.W. Oudemans (1951-2024) was een van de origineelste filosofen van Nederland. Hij was jarenlang verbonden aan de Universiteit Leiden en publiceerde diverse boeken, waaronder De verdeelde mens, Echte filosofie, In natura en Omerta. In 2014 verscheen het succesvolle Plantaardig, over de overeenkomst tussen planten en mensen, gevolgd door Moeder Natuur. De plaats van de mens in de kosmos (2020), Europa, Europa. Humanisme als racisme (2021) en Om de tuin geleid. Natuur en horticultuur in Europa (2024). In Wedde (Groningen) stichtte hij op zijn landgoed Tenaxx een uniek arboretum, dat jaarlijks vele bezoekers trekt.

Fragment uit

Terug naar Overzicht alle titels


Stine Jensen 2

Goddeloos : waarom we atheïsme nodig hebben
Prometheus 2024, 92 pagina's  € 14,99
Reeks Nieuw licht

Wikipedia: Stine Jensen (1972)

Korte beschrijving
Een beknopte (92 p.) filosofische beschouwing van het belang van atheïsme en secularisme voor de vrijheid van zowel geloof als ongeloof. Het boek onderzoekt waarom, ondanks het feit dat Nietzsche God reeds in de negentiende eeuw doodverklaarde, het merendeel van de wereldbevolking nog steeds gelovig is en er in naam van het geloof gruweldaden worden gepleegd. De auteur pleit voor een radicaal en teder atheïsme dat zich uitspreekt over controversiële onderwerpen, variërend van kledingvoorschriften tot seksuele voorlichting en weigerambtenaren. Ze stelt dat alleen in een seculiere samenleving de vrijheid van geloof en ongeloof kan worden gegarandeerd. Prettig leesbaar, met diepgang en met persoonlijke passages geschreven. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep.  Stine Jensen (Hillerød, 1972) is een bekende Deens-Nederlandse auteur en filosofe. Ze is hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en columnist voor NRC. Ze schreef vele non-fictieboeken en won eerder de prestigieuze Zilveren Griffel.

Tekst op website uitgever
Hoewel Friedrich Nietzsche God in de negentiende eeuw al doodverklaarde, is nog steeds het grootste deel van de wereldbevolking gelovig en worden nog steeds uit naam van het geloof vreselijke dingen gedaan. Toch lijkt het strijdbare atheïsme van weleer verdwenen. Stine Jensen houdt een vurig pleidooi voor een radicaal, maar ook teder atheïsme, dat vrijmoedig van zich laat horen wanneer het gaat om hete hangijzers: van boa tot boerka, van slachten tot seksuele voorlichting, van gebedsruimte tot modest fashion en weigerambtenaren. Alleen in een seculiere samenleving is de mogelijkheid tot vrijheid van geloof én ongeloof gegarandeerd.

Stine Jensen is hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, columnist voor NRC en auteur van vele non-fictieboeken.

Fragment uit Naar een cultuuratheïsme
Of het niet allemaal wat kaal was als atheïst, wilde een bevriende collega weten. Zelf was hij blij met de katholieke traditie die hij vanaf zijn geboorte meekreeg, dan had je toch wat om je aan te laven qua rituelen, plekken, feesten en een gemeenschap. Je hoefde het ook heus niet allemaal te geloven, maar het kón wel, gewoon omdat het prettig is om je individuele leven te plaatsen in een geschiedenis, zodat je je gedragen voelt door een traditie.
  De collega drukt goed uit waardoor het 'cultuurchristendom' in de afgelopen jaren vermoedelijk aan populariteit heeft gewonnen: mét cultuur en tradities is het leven leuker. Denk aan kerst vieren, Pasen (een palmpaasstok knutselen), kerken bezoeken of naar The Passion kijken. De cultuurchristen hoeft niet per se een actieve gelovige te zijn, maar vindt het fijn om deel uit te maken van een (esthetische) traditie, een gemeenschap en rituelen. Het 'zware' is van het geloof afgehaald (minder zondebesefgedoe, eerder en liefdevolle en vergevende God dan een toornende God), de nadruk ligt op het culturele plezier en vormingsaspect. Yvonne Zonderop beschrijft in Ongelooflijk : de comeback van de christelijke cultuur (2017) hoe zij als jong meisje met enige afschuw de katholieke kerk verliet, en hoe ze, jaren later, de vorming herwaardeert en koestert. Zij ziet religieuze kunst als een bron van rijkdom, een erfenis waardoor zij ook weer contact maakt met het geloof, zonder dat ze zelf gelovig hoeft te zijn. Iets soortgelijks tref je bij zogenaamde cultuurmoslims: niet-praktiserende moslims die zich wel identificeren met hun achtergrond en daar hun culturele wortels en rituelen vinden. Eerder dan een religieuze geloofsbeleving wordt de term 'christen' of 'moslim' vooral een kwestie van culturele gewoonten en tradities.
  Maar hoe zit het met de atheïst die opgroeit in het noorden van Europa? Heeft die ook een dergelijke culturele traditie om uit te putten als het gaat om zingeving?  Of is het inderdaad, zoals de collega stelde, allemaal wat 'kaal'?  Bestaat er eigenlijk zoiets als 'cultuuratheïsme'?  Ik vind die term nergens terug, en ik denk dat het hoog tijd is om die tet introduceren, want er bestaat een rijke traditie van atheïstische denkers, dichters, filmmakers en schrijvers die troostend en zingevend zijn als het gaat om grote vraagstukken over het goede leven, leven, lijden en het kwaad. Het stemt me dan ook vrolijk dat The Oxford Handbook of Atheism een sectie wijdt aan 'Atheism and the Arts', die bestaat uit drie hoofdstukken over respectievelijk atheïstische tradities in de literatuur, muziek en film. De hoofdstukken hebben overwegend een Angelsaksische insteek, een enkel Russisch atheïstisch hoofdpersonage uit Dostojevski's De gebroeders Karamazov daargelaten. In het hoofdstuk over literatuur passeren enkele bekende atheïstische personages de revue, onder meer uit het werk van Jonathan Swift, William Blake en Thomas Hardy; ook is er aandacht voor de literaire traditie van het absurdisme en het existentialisme (Camus, Beckett). Als hedendaagse schrijvers worden Salman Rushdie en Ian McEwan kort genoemd. Het hoofdstuk gaat vooral over de abstracte vraag of Plato's  grotvergelijking van toepassing is op film en of de projectie op het witte doek de regisseur tot plaatsvervanger van God heeft gemaakt. Het hoofdstuk over muziek legt de nadruk op de abstracte rationele moderne traditie, heel kort worden rock en popmuziek aangestipt als de 'goddeloze' en antiklerikale ruimte. Steeds wordt gezegd: dit is tentatief, er moet nog veel meer onderzoek worden verricht. Toegegeven, voor een literatuurwetenschapper en filmliefhebber stellen de hoofdstukken over kunst en cultuur inderdaad zeer teleur. Ze zijn te grofmazig - misschien kan dat ook niet anders in een breed handboek. Tegelijkertijd is het opbeurend dat hier evident een gigantisch onderzoeksveld braak ligt: hoe ziet cultuuratheïsme er in al zijn gedaanten uit? (pagina 53-56)

Terug naar Overzicht alle titels


Robert O. Paxton

De anatomie van het fascisme

Prometheus 2025, 351 pagina's € 27,50

Oorspronkelijke titel: The anatomy of fascism (2005)

Wikipedia: Robert O. Paxton (1932)

Korte beschrijving
De Amerikaanse politicoloog Robert Paxton behandelt de oorsprong, de aard en de vele verschijningsvormen van het fenomeen fascisme. Hij legt de nadruk niet op de theoretische grondslag, maar op de praktijk die de aard van het fascisme bepaalt. Centraal staan het Italiaanse model van Mussolini en Hitlers nationaal-socialisme. Paxton vergelijkt die met bewegingen elders in Europa en legt ze naast politieke fenomenen na 1945, zoals Vlaams Blok, Le Pen en het Argentijnse peronisme. Fascistische kenmerken komen voort uit hartstochten zoals een crisisgevoel, een groepsgevoel, een vijanddenken, het zoeken naar een gemeenschapsbesef, de behoefte aan sterk gezag van charismatische leiders, een cultivatie van geweld, en het idee van een uitverkoren volk dat anderen moet domineren. Typerend is de problematische verhouding tot de conservatieve elite en de mix van dynamiek en traditionele waarden. Paxton leidt de lezer door een woud van interpretaties. Hij voegt ook een uitgebreid bibliografisch essay toe. Een doorwrochte analyse, niet te populair geschreven, wel lezenswaard voor de fijnproevers.

Tekst op website uitgever
Dertig jaar geleden gold het als een woord uit het verleden, vandaag de dag duikt het bijna elke dag wel op in een krant, talkshow of kroeg: fascisme. Maar wat is fascisme eigenlijk, en glijden we er inderdaad weer naartoe? Twintig jaar geleden publiceerde Robert O. Paxton het meest baanbrekende boek over het onderwerp, door zich te concentreren op wat de fascisten van een eeuw geleden deden, niet op wat ze zeiden. Hij beschrijft de eerste geüniformeerde bendes die na 1918 vijanden van de staat aanvielen, de opkomst van Mussolini en het steeds radicalere Duitse fascisme in de Tweede Wereldoorlog. Paxton laat duidelijk zien waarom fascisten in sommige landen wel aan de macht kwamen en in andere niet. En hij toont aan dat fascisten alleen dan hun doel konden bereiken als conservatieve partijen bereid waren hen daarin bij te staan, door rechtszekerheid in te ruilen voor zogenaamde veiligheid. Hetgeen vanzelfsprekend leidt tot zijn vraag of het fascisme vandaag de dag opnieuw kan ontstaan.

Robert O. Paxton (1932) is een Amerikaanse politicoloog en historicus gespecialiseerd in het fascisme en Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd bekend door zijn boek Vichy France. Old Guard and New Order, 1940-1944. De anatomie van het fascisme wordt wereldwijd beschouwd als een van de beste boeken over het fascisme.

‘Huiveringwekkend. Dit boek laat zien hoe fascisten steeds weer op semidemocratische wijze aan de macht komen om de democratie vervolgens af te schaffen. Verplichte leeskost voor wie de huidige tijd wil begrijpen.’ - Lieke Marsman

‘De anatomie van het fascisme is de definitieve studie van het onderwerp. Een magnifiek boek.’ - The New York Times Book Review

‘Over het fascisme zijn bibliotheken vol geschreven, maar Paxton onderscheidt zich door zijn verhelderende verdeling van de geschiedenis. Zijn boek laat zien dat het fascisme minder ver van ons af staat dan we graag willen denken.’ - NRC

‘Met deze meesterlijke studie, die met grote vaardigheid en diepgaande analyse een immense hoeveelheid literatuur onderzoekt, heeft Robert Paxton het vrijwel onmogelijke gepresteerd: hij ademt frisse lucht in vaak muffe debatten en geeft nieuwe inzichten in het uitvoerig onderzochte fenomeen fascisme.’ - Ian Kershaw

Fragment uit 7 Andere tijden, andere plaatsen
Is het fascisme nog steeds mogelijk?

Het vraagstuk van het fascisme na 1945 wordt verder bemoeilijkt door een polemische scheldpartij. Extreem-rechts in Europa na 1945 is er luidruchtig en regelmatig van beschuldigd het fascisme te doen herleven; de extreem-rechtse leiders hebben dit niet minder hard ontkend. De naoorlogse bewegingen en partijen zijn niet minder breed geweest dan de fascismes tussen de twee wereldoorlogen, in staat oprechte bewonderaars van Mussolini en Hitler onder hetzelfde dak te brengen als stemmers die maar in een enkel onderwerp geïnteresseerd zij, en zwevende proteststemmers. Hun leiders zijn er bedreven in geworden om zich als gematigd tegenover het grote publiek op te stellen. Terwijl ze privé regelrechte sympathisanten van het fascisme ontvangen met codewoorden waaruit de acceptatie van iemands achtergrond blijkt, de nationale trots in ere herstellen, of de heldenmoed van strijders van alle partijen erkennen.
  De vaccinatie van de meeste Europeanen tegen het oorspronkelijke fascisme door de openlijke afgang in 1945 is per definitie tijdelijk. De taboes van 1945 zijn met het verdwijnen van de generatie die het allemaal heeft meegemaakt onvermijdelijk vervaagd. Hoe dan ook, een toekomstig fascisme - een noodrepliek op een of andere nog onvoorziene crisis - hoeft qua uiterlijke tekens en symbolen geen perfecte gelijkenis te vertonen met het klassieke fascisme. Een toekomstige beweging die 'vrije instituties wil opgeven' om dezelfde taken te vervullen bij het massaal mobiliseren van mensen voor het weer verenigen, zuiveren en doen opbloeien van een verontruste groep, zou zichzelf ongetwijfeld anders noemen, en gebruikmaken van nieuwe symbolen. Daar zou de beweging niet minder gevaarlijk om zijn.
  Een voorbeeld. Hoewel een nieuw fascisme noodzakelijkerwijs een vijand zwart moet maken, zowel intern als extern, hoeft die vijand niet per se joods te wezen. Een opmerkelijk alledaags Amerikaans fascisme zou vroom, anti-zwart, en sinds 11 september 2001 ook anti-islamitisch zijn; in Europa seculier, en vandaag de dag waarschijnlijk eerder anti-islamitisch dan antisemitisch; in Rusland en Oost-Europa religieus, antisemetisch, slavofiel en antiwesters. Nieuwe fascismes zouden vermoedelijk de voorkeur geven aan de voornaamste patriottische kledij uit hun eigen omgeving en tijd, boven de vreemde swastika's en fasces. De Britse moralist George Orwell stelde in de jaren dertig van de twintigste eeuw geruststellend vast dat een van oorsprong Bits fascisme zich zou hullen in eenvoudige Engelse kledij. Er bestaat geen lakmoesproef voor fascistische kleding.
  De stadia waaromheen ik dit boek heb opgebouwd kunnen eveneens helpen bij het beantwoorden van de vraag of het fascisme nog steeds mogelijk is. Het is verhoudingsgewijs makkelijk om toe te geven dat het eerste stadium - het oprichtingsstadium - van extreemrechtse bewegingen, op een of andere directe of indirecte wijze aan het fascisme verwant, nog steeds op vele plaatsen bestaat. In elke geïndustrialiseerde, verstedelijkte samenleving met een massapolitiek na de Tweede Wereldoorlog hebben voorbeelden hiervan bestaan. Maar het tweede stadium, waar dergelijke bewegingen zich als invloedrijke deelnemers in het politieke systeem vestigen en wezenlijke belangen vertegenwoordigen, dwingt een veel strengere historische test af. Maar met de test is het niet mogelijk exact dezelfde retoriek, programma's of esthetische voorkeuren van de eerste fascistische bewegingen aan te treffen. De historische fascismes waren gevormd door de politieke ruimte waarin ze ontstonden en door de bondgenootschappen die essentieel waren om door te groeien naar het tweede en derde stadium, en nieuwe verschijningsvormen zullen op een vergelijkbare manier worden beïnvloed. Exacte kopieën na 1945 van het klassieke fascisme zijn over het algemeen te bizar of te shockerend geweest om bondgenoten te krijgen. De skinheads zouden bijvoorbeeld alleen maar functioneel gelijkwaardig worden aan Hitlers SA en Mussolini's squadristi als e gesteund zouden worden, en niet als ze afschuw op zouden wekken. Als belangrijke onderdelen van de conservatieve elite hen gaan koesteren, of zelfs tolereren als wapens tegen een of andere interne vijand, zoals immigranten, dan naderen we het tweede stadium. 
  Voorzover bekend is het tweede stadium na 1945 alleen bereikt, als het buiten de gebieden die eens door de Sovjet-Unie werden beheerst al zover gekomen is, door extreem-rechtse bewegingen en partijen die hun best hebben gedaan zich te 'normaliseren' in ten opzichte van de buitenwereld gematigde partijen die alleen van centrum-rechts te onderscheiden zijn door hun tolerantie voor enkele gevaarlijke vrienden en nu en dan voorkomende verbale uitspattingen. Maar in de instabiele nieuwe wereld die ontstond door het ter ziele gaan van de Sovjet-Unie, wemelt het van de bewegingen die al te fascistisch klinken. Als we de wederopleving van een gemoderniseerd fascisme zien als een functioneel equivalent, en niet als een exacte replica, dan is herhaling mogelijk. Maar we moeten het begrijpen door een intelligente vergelijking met de manier waarop het te werk gaat en niet door een oppervlakkige aandacht voor de uiterlijke symbolen.
  West-Europa is het gebied met de krachtigste nalatenschap van het fascisme na 1945. (pagina 200-202)

Lees ook: Fascisme : oorsprong en ideologie van Robin te Slaa (uit 2022), Fascisme en populisme : Mussolini nu van Antonio Scurati (2024), Hoe herken je een fascist van Umberto Eco (herdruk 2024), Theorie van de kraal : kapitaal - ras - fascisme van Willem Schinkel & Rogier van Reekum (uit 2019), Over tirannie : twintig lessen uit de twintigste eeuw van Timothy Snyder (uit 2017), Het nationaal-socialisme als rancuneleer van Menno ter Braak (uit 1937, herdruk 2019 met een voorwoord van Bas Heijne), De grote golf : het tijdperk van ontwrichting en de opkomst van de buitenstaander van Michiko Kakutani (uit 2024), Opstand : de populistische revolte en de strijd om de ziel van het Westen van Marijn Kruk (uit 2024) en vooral Verloren land : de zeven stappen van democratie naar dictatuur van Ece Temelkuran (uit 2019).

Terug naar Overzicht alle titels


Lena Bril

In therapie : een land op zoek naar houvast
Prometheus 2025, 284 pagina's € 21,99

Lenen als E-book via bibliotheek.nl

Korte bio van Lena Bril (1992)

Korte beschrijving
Een persoonlijk getinte onderzoeking van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland. Journalist en filosoof Lena Bril dompelde zich een jaar lang onder in de wereld van therapie en coaching, deels door zelf verschillende behandelmethoden te ervaren. Ze verdiept zich in de vraag waarom zoveel mensen hulp zoeken bij therapeuten en coaches en of therapie een oplossing biedt voor de mentale gezondheidscrisis. Bril beschrijft diverse behandelingen die zij onderging, waaronder burn-outcoaching, paardentherapie, familieopstellingen, psychedelicatherapie en een vrouwencirkel voor ADHD. Ze onderzoekt de impact van deze therapieën op mensen die met mentale problemen kampen, en stelt kritische vragen. Daarbij reflecteert ze tevens op haar eigen ervaringen en mentale gezondheid. Helder, empathisch en met een kritische blik geschreven. Geschikt voor een brede tot geoefende lezersgroep.

 Lena Bril (1992) is een Nederlandse journalist en filosoof. Ze schrijft onder andere voor de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Trouw.

Tekst op website uitgever
Lena Bril dompelde zich een jaar lang onder in de Nederlandse therapie- en coachingswereld.

Duizenden Nederlanders staan op de wachtlijst voor een psycholoog. Alternatieve therapieën schieten als paddenstoelen uit de grond. De afgelopen tien jaar is het aantal coaches meer dan verdubbeld. En Nederland hééft al ongekend veel psychologen: nergens ter wereld zijn er zo veel therapeuten per inwoner. Waarom zoeken zo veel mensen hulp bij een therapeut of coach? Wat gebeurt er achter de gesloten deuren van behandelkamers? En: is therapie de oplossing voor de mentale gezondheidscrisis – of onderdeel van het probleem? Journalist en filosoof Lena Bril dompelde zich een jaar lang onder in de coaching- en therapiewereld: van de ggz tot paardencoaching, familieopstellingen en psychedelicatherapie. Met een empathische blik en kritische geest tekent zij deze verschillende therapiewerelden op en schetst zo een beeld van een land dat in de mentale problemen kwam en daar met therapie weer uit hoopt te komen.

Lena Bril (1992) is journalist en filosoof. Ze schrijft essays en reportages voor onder andere de Volkskrant en De Groene Amsterdammer. In Trouw doet ze tweewekelijks verslag van haar persoonlijke zoektocht naar houvast.


Fragment uit (de) Proloog

Ze is op de vlucht. Vanuit de verte hoor ik de stem van mijn docent. Hij is verwikkeld in een verhaal over de metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius. Ik sta met mijn klasgenoten bij Apollo en Daphne, het meesterwerk van beeldhouwer Bernini.
  De mythe gaat zo: Apollo, de stoere god van het licht, van de kunsten en van de geneeskunde, spot met Cupido, de kleine, onschuldig ogende god van de liefde. Cupido neemt wraak en beschiet hem met twee vervloekte pijlen, die ervoor zorgen dat Aollo's liefde nooit beantwoord zal worden. Daphne, het object van Apollo's liefde, slaat voor de god op de vlucht. Ze smeekt de andere goden, vertelt de docent, om haar van Apollo te redden.
  Ik kijk naar de marmeren Daphne, de angst op haar gezicht, haar rechterbeen licht aangespannen van het rennen. Ja, op de vlucht.
  Het is februari, de derde dag van de Romereis. Zestien ben ik, bijna zeventien. Gisteren hebben we Pompeï bezocht, met een dunne laag sneeuw op de ruïnes. Mijn winterjas ben ik thuis vergeten. Misschien omdat ik hoopte dat het in Italië al lente was. Misschien omdat het thuis een chaos was. Tijdens de rondleiding leende een klasgenoot mij zijn fleecevest, zijn muts ver over mijn oren getrokken, maar ik bleef het koud hebben. Op weg terug naar onze slaapplek - een oude klooster -ontdooide ik eindelijk, opgewarmd door de gloeiende puberlichamen in de volgepakte bus.
  Vandaag is de lucht strakblauw en het is warmer. In een lange sliert zijn we naar het museum gewandeld, lachend, sommigen de armen ineengevouwen, de winterzon op onze wangen. Nu staan we gapend in de eeuwenoude villa, vermoeid door de lange dagen sjokken door de stad, de limoncello in de avonden.
  Mijn gedachten dwalen af naar thuis. Naar de stilstand van herhaalde geuren en beelden. Sigarettenrook en nieuwe pleisters, de rolstoel in de gang. De adviezen van artsen, de hoop dat een zware ingreep het verschil zal maken.
  Daphnes smeekbeden werden uiteindelijk gehoord, vervolgt de docent. Hulp van de goden volgde in de vorm van een metamorfose: haar lichaam veranderde in een laurierboom. Een transformatie, om de voortdurende aanval van Apollo te overleven.
  Ik kijk naar Daphne, naar de overgang van vrouw naar boom, en moet denken aan alle beelden van transformatie op televisie, thuis. Mensen die dankzij chirurgen verlost worden van hun zogenaamde imperfecte verschijning, hun imperfecte leven. Zwetende mensen met overgewicht die voor het oog van de camera 100 kilo afvallen. Stralende mensen die, een jaar na hun eerste bezoek aan televisiepsycholoog Dokter Phil, voorgoed verlost zijn van hun jeugdtrauma.
  Ovidius laat in zijn mythen voortdurende mensen veranderen in dieren of bomen, hoor ik mijn docent vertellen. Om te laten zien: de mens is onderdeel van een groter geheel, verbonden met alles om haar heen. In de natuur verandert alles de hele tijd, vervolgt hij. Met zijn metamorfosen wilde de dichter die voortdurende verandering uitvergroten.
  Mijn hoofd schiet weer naar de verandering die zich thuis genadeloos voortzet. Kon ik de tijd maar bevriezen, denk ik. Als de cellen zouden stoppen met delen, met uitzaaien, met zijn lichaam van binnenuit afbreken, als alles even zou stoppen met bewegen, dan was er - altijd - nog hoop, nog kans op een ander leven. (pagina 10-11)

Terug naar Overzicht alle titels

donderdag 16 januari 2025

Philibert Schogt

Hoe slim is het om slim te zijn?
De Arbeiderspers 2025, 142 pagina's € 19,99

Wikipedia: Philibert Schogt (1960)

Korte beschrijving
Een diepgaande verzameling opstellen over de schaduwzijden van menselijke intelligentie. Philibert Schogt beargumenteert in zeven essays dat onze intelligentie kan leiden tot cynisme, snobisme of een ongezonde mate van empathie. Daarnaast behandelt hij de toenemende complexiteit van de samenleving, die voor velen moeilijk te begrijpen is. Schogt gaat ook in op de opkomst van kunstmatige intelligentie en vergelijkt deze met een modern Frankenstein-monster. De centrale vraag die door het boek heen loopt, is of het werkelijk voordelig is om intelligent te zijn. Met diepgang geschreven en met persoonlijke passages. Met name geschikt voor een geoefende lezersgroep.

Tekst op website uitgever
Dankzij onze superieure intelligentie zijn wij mensen de machtigste wezens op aarde geworden. Maar dit evolutionaire succesverhaal heeft een schaduwzijde. In zeven aanstekelijke en soepel geschreven essays gaat Philibert Schogt gedetailleerd op deze kwestie in. Hoe onze intelligentie tot cynisme of snobisme kan leiden, of juist tot een ongezonde mate van empathie. Over de toegenomen complexiteit van onze samenleving, die steeds minder mensen nog begrijpen.

Over kunstmatige intelligentie als mogelijk nieuw monster van Frankenstein. Telkens rijst de vraag of het wel zo slim is om slim te zijn.

Fragment uit

Terug naar Overzicht alle titels